ECLI:NL:RBAMS:2025:9578
Rechtbank Amsterdam
- Verstek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging opslagbeding huurprijswijziging wegens oneerlijkheid in huurovereenkomst woonruimte
In deze civiele procedure tussen een woningcorporatie als verhuurder en een consument als huurder is verstek verleend tegen de gedaagde huurder. De rechtbank toetst ambtshalve de huurovereenkomst aan het Europese consumentenrecht, met name Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen.
De kern van het geschil betreft het huurprijswijzigingsbeding dat een jaarlijkse huurverhoging toelaat van inflatie plus een opslag van maximaal 4%. De rechtbank oordeelt dat het indexatiebeding niet oneerlijk is, maar het opslagbeding van maximaal 4% wel. Dit omdat het percentage niet redelijk noodzakelijk is om kostenstijgingen boven inflatie te compenseren en de huurder onvoldoende bescherming geniet. De Hoge Raad had eerder een opslagbeding van maximaal 3% als niet oneerlijk beoordeeld, maar dat oordeel geldt niet zonder meer voor 4%.
Daarnaast wordt het incassokostenbeding in de algemene voorwaarden vernietigd omdat het niet duidelijk maakt dat wettelijke regels gelden en het hogere kosten in rekening kan brengen dan wettelijk toegestaan. De rechtbank wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand toe, inclusief wettelijke rente, en veroordeelt de gedaagde in de proceskosten. Vernietiging van het opslagbeding is volgens de rechtbank noodzakelijk ondanks de verstrekkende gevolgen voor de verhuurder, omdat consumentenbescherming in huurrelaties essentieel is.
Uitkomst: Het opslagbeding van maximaal 4% in de huurprijswijziging wordt vernietigd wegens oneerlijkheid en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur met rente.