ECLI:NL:RBAMS:2025:9578

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
11951002 CV EXPL 25-15146
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van een huurprijswijzigingsbeding op oneerlijkheid in een huurovereenkomst tussen een woningcorporatie en een consument

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 5 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Stichting Stadgenoot, een woningcorporatie, en een consument over de eerlijkheid van een huurprijswijzigingsbeding. De eiseres, vertegenwoordigd door mr. H.M. Hielkema, had de gedaagde partij gedagvaard, maar deze was niet verschenen, waardoor verstek werd verleend. De zaak betreft de toetsing van een opslagbeding van maximaal 4% bovenop een indexatiebeding in de huurovereenkomst. De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of dit beding in strijd is met de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

De rechter oordeelde dat het opslagbeding oneerlijk is, omdat het de consument niet voldoende bescherming biedt tegen onredelijke huurverhogingen. De kantonrechter benadrukte dat de huurder, als de zwakkere partij, niet kon voorzien in hoeverre en op welke gronden de verhuurder het opslagbeding zou toepassen. De rechter verwees naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, die een opslagbeding van maximaal 3% niet oneerlijk had bevonden, maar stelde dat de gronden daarvoor niet zonder meer gelden voor een hoger percentage. De rechter vernietigde het opslagbeding en oordeelde dat de gedaagde partij € 10.968,71 aan achterstallige huur moest betalen, vermeerderd met wettelijke rente.

Daarnaast werd artikel 16.1 van de algemene voorwaarden als oneerlijk beoordeeld, omdat het niet duidelijk maakte dat de wettelijke regeling voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De kantonrechter wees de gevorderde buitengerechtelijke kosten af en stelde dat de proceskosten volgens het gebruikelijke liquidatietarief moesten worden toegewezen. De uitspraak benadrukt de noodzaak van consumentenbescherming in huurcontracten en de rol van de rechter bij het ambtshalve toetsen van bedingen op oneerlijkheid.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623
Zaaknummer: 11951002 \ CV EXPL 25-15146

Vonnis van 5 december 2025

in de zaak van

STICHTING STADGENOOT,

gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: mr. H.M. Hielkema,
tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

Verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen

1. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Eiseres mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
2. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in artikel 5 van de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
3. De artikelen 4.1 (rentebeding) en 5.2 (wijzigingsbeding servicekosten) van de algemene voorwaarden woonruimte 01-03-2015 (verder: de algemene voorwaarden) zijn getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
4. Verder zijn de artikelen 8.1 van de huurovereenkomst en 16.1 van de algemene voorwaarden getoetst. Deze artikelen luiden als volgt:
8.1
Wij verhogen uw huurprijs jaarlijks op 1 juli. Wij verhogen uw huurprijs met een percentage van maximaal inflatie plus 4%. Het exacte verhogingspercentage wordt ieder jaar door ons vastgesteld.
16.1
Leven u of wij een verplichting uit uw huurovereenkomst, deze Algemene Voorwaarden of de wet niet na? En moeten daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen genomen worden? Dan zijn de gemaakte kosten voor de partij die tekortschiet. Gaat het over het niet nakomen van een betalingsverplichting? Dan gelden buitengerechtelijke incassokosten. Deze zijn tenminste 15% van de vordering waar het om gaat. De buitengerechtelijke kosten zijn pas verschuldigd nadat er is aangemaand. En er niet wordt betaald binnen de termijn die in de aanmaning staat.
5. Ten overvloede wordt opgemerkt dat artikel 8.2 van de huurovereenkomst in dit geval niet hoeft te worden getoetst, omdat uit de stellingen van eiseres niet blijkt dat een huurprijswijziging op basis van dit beding heeft plaatsgevonden. Bovendien zou dat, gelet op de ingangsdatum van de huurovereenkomst (19 maart 2019) en de einddatum van de huurovereenkomst (29 februari 2024) ook niet mogelijk zijn, omdat een dergelijke huurprijsaanpassing op zijn vroegst kan plaatsvinden nadat vijf huurjaren zijn verstreken. De huurovereenkomst heeft geen vijf huurjaren geduurd.
Huurprijswijziging
6. Het huurprijswijzigingsbeding maakt het mogelijk de huurprijs te verhogen conform de indexatie met daarbovenop een opslag van maximaal 4%. Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1780) volgt dat een opslagbeding los staat van een indexatiebeding en dat het oneerlijke karakter daarvan apart moet worden getoetst. In dat kader wordt geoordeeld dat het deel van het beding op grond waarvan de huur kan worden verhoogd op grond van de indexatie, niet oneerlijk is. Beoordeeld moet dan worden of het opslagbeding van maximaal 4% eerlijk is.
7. Eiseres heeft gesteld dat het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780, weliswaar betrekking had op een opslagbeding van maximaal 3%, maar dat uit het arrest ook aanknopingspunten volgen voor het oordeel dat ook een opslagbeding van maximaal 4%, zoals in de onderhavige zaak, niet oneerlijk is. In dat kader wijst eiseres erop dat huurovereenkomsten duurovereenkomsten zijn, waarbij het noodzakelijk is dat partijen bij aanvang afspraken maken over hoe de huurprijs zich ontwikkelt. Niemand weet echter hoe de inflatie zich zal ontwikkelen. Ook niemand kan voorspellen hoe de exploitatielasten van de verhuurder zich in de toekomst zullen ontwikkelen. En niemand kan zeker zijn of en hoeveel de prijzen/waarde van woningen in de toekomst zullen stijgen. Deze toekomstige onbekende factoren rechtvaardigen volgens eiseres een opslagbeding en dat kan volgens eiseres ook worden afgeleid uit de uitspraak van de Hoge Raad. Verder wijst eiseres erop dat zij in de praktijk altijd behoedzaam en prudent gebruik maakt van haar bevoegdheid om de huur te verhogen. Zij heeft de huur nog nooit verhoogd met het maximale percentage. Tot slot wijst zij erop dat het opslagpercentage nooit meer zal zijn dan 4%. De consument heeft dus zekerheid dat de huurverhoging is gemaximeerd; hij is niet overgelaten aan de willekeur van de verhuurder.
8. In zijn arrest van 29 november 2024 heeft de Hoge Raad een opslagbeding van maximaal 3% bovenop een indexatiebeding niet oneerlijk bevonden. Daarbij is overwogen dat dit percentage in redelijkheid nodig kan zijn om de verhuurder in staat te stellen daarmee de doelen van het opslagbeding te bereiken, te weten het compenseren van de ten laste van de verhuurder komende kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning. Bij de toetsing van het opslagbeding moet het (cumulatieve) effect van het indexatiebeding worden meegewogen. Verder is van belang dat bij een dergelijk opslagbeding de financiële gevolgen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor de huurder voorzienbaar zijn en de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage doorgaans binnen aanvaardbare grenzen blijft.
9. De kantonrechter is van oordeel dat het opslagbeding oneerlijk is. Aan eiseres kan weliswaar worden toegegeven dat met een opslagpercentage van maximaal 4% bij aanvang van de huurovereenkomst duidelijk is dat de huurverhoging op grond van die opslag niet meer zal zijn dan 4%. Daarmee is echter nog niet gezegd dat dit beding, net zoals een opslagbeding van 3%, eerlijk is. Ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst was voor gedaagde niet voorzienbaar in hoeverre en op welke gronden eiseres toepassing zou geven aan het opslagbeding. Niet aannemelijk is dat zo’n hoge opslag nodig is om ten laste van eiseres komende kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie te compenseren en om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning. Eiseres heeft met haar onder r.o. 7. weergegeven betoog ook in het geheel niet aangetoond dat dat in dit geval wel zo zou zijn. Het percentage ligt ook veel hoger dan percentages die in het verleden in de gereguleerde sector zijn gebruikt. Evenmin kan worden aangenomen dat de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage voor gedaagde binnen aanvaardbare grenzen blijft. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1780) geoordeeld dat een opslagbeding van maximaal 3% niet oneerlijk is, maar de gronden daarvoor gelden niet (zonder meer) voor een hoger maximumpercentage. In dat geval wordt namelijk het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument te zeer verstoord. Dat eiseres in de praktijk prudent omgaat met het opslagbeding, is tot slot niet relevant voor de beoordeling of het beding oneerlijk is of niet. De rechter moet het beding immers beoordelen uitgaande van het moment waarop de overeenkomst werd gesloten.
10. Hetgeen eiseres verder nog in de dagvaarding heeft aangevoerd over de (on)eerlijkheid van het opslagbeding geeft geen aanleiding om van hier hiervoor gegeven oordeel af te wijken. De kantonrechter zal hierna op de door eiseres aangevoerde punten nader ingaan. Voor het overige wordt verwezen naar de motivering als hiervoor gegeven.
Wet op het overleg huurders verhuurder
11. Eiseres heeft verder betoogd dat het evenwicht tussen partijen niet wordt verstoord omdat de belangen van de huurders op grond van de Wet overleg huurders verhuurder (Wohv) behartigd worden door de onafhankelijke huurdersorganisatie Huurgenoot. Huurgenoot heeft recht op informatie van, overleg met en advies aan eiseres ten aanzien van de (wijziging van de) huurvoorwaarden van eiseres. De onderhavige huurvoorwaarden, waaronder het huurprijswijzigingsbeding, zijn ook aan Huurgenoot voorgelegd en met haar besproken, en zijn door Huurgenoot onvoorwaardelijk aanvaard. Bovendien wordt jaarlijks overleg gevoerd over de dat jaar toe te passen huurprijsaanpassing de verschillende segmenten.
12. Het gaat in deze zaak om toetsing van het beding uit de huurovereenkomst tussen eiseres en gedaagde. Toetsing van het beding moet plaatsvinden uitgaande van het moment waarop de overeenkomst werd gesloten. Gedaagde zelf heeft niet over het beding onderhandeld. Dat Huurgenoot dat destijds namens gedaagde heeft gedaan, blijkt niet uit het beding, nog daargelaten dat Huurgenoot op basis van de Wohv geen onderhandelings- of instemmingsrecht heeft. Dat eiseres jaarlijks met Huurgenoot overlegt over de toe te passen huurprijsaanpassing betreft (wederom) een kwestie van hoe in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan het beding. Hoe uitvoering wordt gegeven aan het beding is, zoals hiervoor al is overwogen, niet relevant voor de vraag of het beding eerlijk is.
Bij huurcontracten minder noodzaak tot bescherming van de consument
13. Eiseres heeft voorts het volgende betoogd. De recente Nederlandse rechtspraak over huurprijswijzigingsbedingen is gebaseerd op jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie betreffende consumentenbescherming. Die Europese jurisprudentie gaat echter over andere typen contracten dan huurcontracten, namelijk energiecontracten, financiële producten en telecomcontracten. Bij deze contracten is veel meer contractsvrijheid, zodat er een grotere noodzaak tot (Europese) consumentenbescherming is. Bovendien zijn die contracten makkelijker op te zeggen door de consument. Bij huurcontracten voor woonruimte is, zeker in Nederland, niet die mate van consumentenbescherming noodzakelijk omdat in Nederland veelal sprake is van dwingende huurregelgeving die al tot doel heeft de consument te beschermen. Door het tekort aan woningen is opzegging van de huurovereenkomst voor de huurder niet een optie om van een oneerlijk beding af te komen. De consumentenbescherming die de rechtbanken voor huurders thans nodig achten schiet echter door in zijn gevolgen en haalt elke balans uit de verhouding tussen huurder en verhuurder. De consument wordt beschermd en krijgt daarnaast nog een financiële tegemoetkoming mee, waardoor hij niet snel genegen zal zijn te vertrekken. De verhuurder kan vanwege de regelgeving (anders dan bij bijvoorbeeld energiecontracten) ook niet eenvoudig de huurovereenkomst opzeggen. De belangen van de verhuurder worden door dit alles onevenredig geschaad.
14. Niet in geschil is dat in deze zaak sprake is van een professioneel handelend verhuurder en een consument. In dat geval moet de rechter de algemene voorwaarden die aan de orde (kunnen) zijn, ambtshalve toetsen aan Richtlijn 93/13. Daarin verschilt een huurovereenkomst niet van de door eiseres genoemde typen overeenkomsten die aan de orde waren in Europese jurisprudentie. De huurovereenkomst kan wel van de overige overeenkomsten verschillen vanwege de duur ervan, al kunnen ook andere contracten voor langere tijd worden aangegaan en kunnen ook die niet altijd tussentijds worden beëindigd. Het is waar dat een verhuurder de huurovereenkomst, buiten de in de wet geregelde gronden, niet kan beëindigen, maar ook de huurder kan dat in de praktijk meestal niet, omdat er geen andere woonruimte beschikbaar is. Dat laatste maakt dat consumentenbescherming bij huurovereenkomsten juist noodzakelijker is dan bij andersoortige contracten waarbij, zoals eiseres ook stelt, de consument juist eenvoudiger kan opzeggen of overstappen en er meerdere alternatieven zijn. Dat de huurder beschermd wordt door de Nederlandse huurwetgeving is eveneens waar, maar die bescherming betreft vooral de (on)mogelijkheid tot beëindiging van de huur en, zeker in gevallen van geliberaliseerde woonruimte zoals in dit geval aan de orde is, veel minder de huurprijsbescherming.
15. Dat de gevolgen van het oneerlijk achten van een beding groot zijn, realiseert de kantonrechter zich terdege. Die gevolgen vloeien voort uit de Richtlijn, waaruit volgt dat handelen in strijd met de Richtlijn moet leiden tot een sanctie die doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moet zijn. Dat laatste leidt tot vernietiging van het beding, waarbij de gebruiker niet mag terugvallen op eventueel wettelijke regelingen. Dat dit gevolg de balans verstoort, zoals eiseres stelt, maakt echter niet dat de beoordeling van de vraag of het beding oneerlijk is of niet, anders moet zijn. Bij die beoordeling is immers alleen relevant of het beding bij het aangaan ervan het evenwicht tussen partijen verstoort. Het is duidelijk dat de huurder op dat moment de zwakkere partij is.
Aanvangshuurprijs onder marktniveau
16. Eiseres heeft ook gewezen op het feit dat de onderhavige woning aan gedaagde is verhuurd tegen een aanvangshuurprijs die onder de markthuurwaarde lag, terwijl eiseres er ook voor had kunnen kiezen de woning tegen een marktconforme prijs te verhuren. De jaarlijkse huurverhoging wordt over deze lagere huurprijs berekend. Dit maakt volgens eiseres ook dat het beding niet oneerlijk is.
17. De kantonrechter volgt eiseres daarin niet. Eiseres heeft er zelf voor gekozen de woning tegen een bepaald prijsniveau te verhuren. Niet valt in te zien waarom dat van invloed is op de vraag of het huurprijsverhogingsbeding eerlijk is of niet. Het opslagbeding voorziet immers in een procentuele verhoging die voor elke aanvangshuur zou gelden.
Bijzondere positie van eiseres als woningcorporatie
18. Volgens eisers betekent het feit dat zij een woningcorporatie is dat zij, anders dan commerciële verhuurders, publieke taken heeft, die ook extra exploitatielasten met zich meebrengen. Bovendien heeft eiseres voornamelijk woningbezit in Amsterdam, met een substantieel hogere waarde en de laatste jaren ook een hogere waardestijging dan elders in het land. Mede daarom hebben woningcorporaties behoefte aan een redelijke bandbreedte bij de vaststelling van de jaarlijkse huurverhoging. Het onderhavige opslagbeding biedt hen daarvoor de ruimte.
19. Dit betoog gaat niet op. Een opslagbeding kan volgens de Hoge Raad noodzakelijk zijn voor het compenseren van de ten laste van de verhuurder komende kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning. Zoals hiervoor ook al is overwogen heeft eiseres in het geheel niet onderbouwd waarom het voor het bereiken van deze doelen noodzakelijk is om een hoger opslagbeding dan maximaal 3%, dat door de Hoge Raad in beginsel niet oneerlijk is bevonden, te hanteren. Met de hiervoor aangehaalde (kale) stellingen heeft eiseres dat nog altijd niet onderbouwd.
Ontwrichtende rechtspraak
20. Eiseres heeft verder betoogd dat ambtshalve toetsing van huurprijswijzigingsbedingen zoals die sinds 2023 door diverse rechtbanken, waaronder Amsterdam, wordt verricht, tot maatschappij-ontwrichtende gevolgen leidt. Huurders kunnen, in geval van een oneerlijk geacht beding, een flink onverwacht financieel voordeel en een lagere huurprijs in de wacht slepen en zullen snel niet meer geneigd zijn te vertrekken uit hun huurwoning. Dit heeft grote gevolgen voor de financiële positie van verhuurders en uiteindelijk ook voor het woningbouwbeleid en de pensioenen van veel mensen.
21. De kantonrechter is zich bewust van de verstrekkende gevolgen van de vernietiging van een oneerlijk bevonden beding, maar dit betekent niet dat het oordeel over de eerlijkheid daardoor anders moet worden, of dat vernietiging van het beding of zelfs de ambtshalve toetsing in zijn geheel daardoor achterwege moet blijven. Zoals eerder overwogen is de rechter nu eenmaal gehouden om bedingen in een overeenkomst ambtshalve te toetsen op oneerlijkheid. Als een beding oneerlijk is bevonden, moet de rechter deze volgens vaste rechtspraak van het HvJEU vervolgens buiten toepassing laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een bepaald beding oneerlijk is, in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen. Het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht zou immers afbreuk kunnen doen aan de afschrikwekkende werking die artikel 6 lid 1 Richtlijn 93/13 EG, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 1 daarvan, heeft willen hechten aan de vaststelling dat bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, oneerlijk zijn (zie HvJEU 15 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:478 (Bank M) en het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 29 november 2024, r.o. 3.3.2).
Invoeging artikel 8 ter in de Richtlijn oneerlijke bedingen
22. Eiseres heeft verder betoogd dat de rechtbank in haar rechtspraak geen rekening heeft gehouden met de in 2022 geïmplementeerde Moderniseringsrichtlijn (Richtlijn 2019/2161) waarin is bepaald dat handelen in strijd met de Richtlijn oneerlijke bedingen moet leiden tot een sanctie die doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend is. Volgens eiseres kan – in het kader van de evenredigheid – een oneerlijk beding niet leiden tot gehele nietigheid.
23. Het betoog van eiseres slaagt niet. De rechter moet nagaan of een contractueel beding valt onder de Richtlijn oneerlijke bedingen en zo ja, of het beding oneerlijk is. Een beding dat oneerlijk wordt bevonden ‘bindt de consument niet’ (is vernietigbaar). Met de Moderniseringsrichtlijn zijn in de Richtlijn oneerlijke bedingen regels met betrekking tot het opleggen van sancties opgenomen. Het gaat dan, ook volgens de memorie van toelichting op de implementatiewet richtlijn modernisering consumentenbescherming (Kamerstukken II 2021-2022, 35.940, nr. 3), om sanctionerend optreden van de ACM en de AFM als sprake is van oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, op grond van artikel 2.2 respectievelijk artikel 3.1 juncto artikel 8.3 en onderdeel a van de bijlage bij de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc). Dat de nieuwe sanctiebepaling in de Richtlijn oneerlijke bedingen het gevolg heeft dat een oneerlijk beding onder voorwaarden (gedeeltelijk) in stand blijft en de consument toch (gedeeltelijk) kan binden, volgt daar niet uit en wordt ook niet ondersteund door Europese jurisprudentie.
Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
24. Onder verwijzing naar alle voorgaande argumenten voert eiseres tot slot nog aan dat vernietiging van het huurprijswijzigingsbeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat dit disproportionele gevolgen heeft die catastrofaal zullen zijn voor eiseres en extreem schadelijk voor het algemeen belang. Vernietiging moet daarom achterwege blijven.
25. Een krachtens de wet geldende regel is alleen dan niet van toepassing als dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat laatste betekent dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij het niet van toepassing laten zijn van een wettelijke regeling (in dit geval: vernietiging). Uitgangspunt is dat oneerlijke bedingen worden vernietigd opdat de gebruikers ervan worden aangespoord om deze uit hun voorwaarden te halen. Dat doel zou teniet worden gedaan als vernietiging achterweg zou blijven en de bedingen dus in stand zouden worden gelaten vanwege het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Dat vernietiging van het opslagbeding ongunstig is voor eiseres, is duidelijk. Dat dat voor haar catastrofaal is en in het algemeen extreem schadelijk is, is echter onvoldoende concreet gemaakt.
Conclusie
26. De conclusie is dat het opslagbeding oneerlijk is en het beding wordt vernietigd. Eiseres heeft in de dagvaarding toegelicht dat de huurachterstand bij vernietiging van het opslagbeding nog een bedrag van € 10.968,71 bedraagt. Dit bedrag is toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
27. Artikel 16.1 van de algemene voorwaarden is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk en wordt vernietigd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
Proceskosten
28. Artikel 16.1 van de algemene voorwaarden is verder oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
De vordering
29. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, tenzij hierna iets anders is overwogen.
30. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eiseres.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde om te betalen aan eiseres € 10.968,71 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met februari 2024, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de respectievelijke vervaldata van de huurtermijnen tot de voldoening;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 145,45 aan explootkosten, € 406,00 aan salaris gemachtigde, € 543,00 aan griffierecht en € 67,50 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.