ECLI:NL:RBAMS:2025:9706

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
13-249349-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentie- en familiebezwaar

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 december 2025 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen. De verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit en in Nederland woont, werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en oplichting, strafbare feiten volgens Belgisch recht.

De verdachte beriep zich op de terugkeergarantie van artikel 6 OLW Pro, waarbij de rechtbank oordeelde dat de strafuitvoering in Nederland mogelijk is en deze garantie voldoende werd verstrekt door de Belgische autoriteiten. De rechtbank verwierp het verweer op grond van artikel 13 OLW Pro dat overlevering geweigerd zou moeten worden omdat de feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet tot vervolging overgaat.

Ook het bezwaar op grond van artikel 11 OLW Pro over de detentieomstandigheden in België werd verworpen. De rechtbank achtte de individuele garantie van België, waaronder voldoende leefruimte, sanitaire voorzieningen en activiteiten, voldoende om het algemene gevaar van onmenselijke behandeling weg te nemen. Het beroep op het recht op familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest Pro EU) werd eveneens afgewezen, omdat de moeder van het kind reeds voor het kind zorgt en de beperking tijdelijk en proportioneel is.

Het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie na uitspraak werd afgewezen wegens het ontbreken van uitzonderlijke omstandigheden. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn, zodat de overlevering wordt toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan België toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-249349-25
Datum uitspraak: 9 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 juli 2025 door de Rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. K. Durdu, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek, afgeleverd door N. Debruyne, onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, op
9 juli 2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Waarnemend Afdelingsprocureur van het Parket van de procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Brugge heeft op 17 oktober 2025 de volgende garantie gegeven:
"Met verwijzing naar uw verzoek van 16/10/2025, inzake het Europees aanhoudingsbevel dd. 09/07/2025, uitgaande van Debruyne Nicolas, onderzoeksrechter te West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, lastens de genaamde [de opgeëiste persoon] (°11-04-1999) heb ik de eer u volgende garantie te verstrekken:
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar NEDERLAND van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar NEDERLAND zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
[..]”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
Standpunt van de raadsman
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en voert daartoe aan dat het feit geheel op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden en de opgeëiste persoon wellicht een klein aandeel zou hebben gehad in het feitencomplex.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan: het onderzoek is in België aangevangen, de bewijsmiddelen bevinden zich daar, een medeverdachte zit al vast in België en wordt daar vervolgd, de slachtoffers bevinden zich in België en het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens om over te gaan tot vervolging.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank is van oordeel dat, in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten, er onvoldoende aanleiding is om de weigeringsgrond toe te passen. De enkele stelling dat de rol van opgeëiste persoon beperkt was tot het opnemen van geld in Nederland doet hier niet aan af.

7.Artikel 11 OLW Pro:

7.1
Belgische detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [6] Dit algemeen gevaar bestaat op dit moment nog steeds.
De rechtbank stelt vast dat bij brief van 22 oktober 2025, afkomstig van de Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende informatie betreffende de opgeëiste persoon is gegeven:
“[..]
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon]zal worden opgesloten in de gevangenissen van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
° De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
° Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat artikel 11 OLW Pro aan de overlevering in de weg staat omdat de gegeven detentiegarantie niet volstaat. Per 1 december 2025 hebben de Belgische vakbonden stakingen aangekondigd onder het gevangenispersoneel. Daarmee zullen de detentieomstandigheden verslechteren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de detentiegarantie voldoende is en het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. Gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon over niet minder dan 3 m2 persoonlijke leefruimte zal beschikken, een bed zal hebben en er activiteiten worden aangeboden. Er is geen reden om te twijfelen aan deze individuele garantie en de naleving daarvan door de Belgische autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [7] De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit de berichtgeving over de stakingen volgt niet dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden dat er op voorhand aan moet worden getwijfeld of de voor de opgeëiste persoon verstrekte garantie wel zal of kan worden nageleefd. Derhalve staat artikel 11 OLW Pro niet aan de overlevering in de weg en de rechtbank verwerpt dan ook het verweer.
7.2
Artikel 7 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (family life)
Standpunt van de raadsman
Voorts heeft de raadsman aangevoerd, dat de overlevering inbreuk zal maken op het recht op
family lifevan de opgeëiste persoon. Hij moet immers zorgen voor zijn zoon van twee jaar oud in Nederland, die door jeugdzorg onder zijn zorg is geplaatst. Die zorg zal hij niet kunnen geven als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van het recht op
family life, stelt de officier van justitie dat dit slechts in zeer uitzonderlijke situaties aan overlevering in de weg staat. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake. De opgeëiste persoon heeft immers al opvang geregeld voor zijn kind, nu de moeder van de opgeëiste persoon voor het kind zorgt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52, eerste lid, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), een toegestane beperking is van de uitoefening van het recht op
family life, zoals bedoeld in artikel 7 Handvest Pro. Vanwege de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, op zichzelf niet onevenredig.
Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven van een opgeëiste persoon zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met de overlevering wordt nagestreefd. [8]
Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon en zijn jonge kind, doen zulke uitzonderlijke omstandigheden zich hier niet voor. Des te meer, nu ter zitting is gebleken dat de moeder van de opgeëiste persoon op dit moment al de zorg voor het kind op zich heeft genomen. De beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven, levert daarom geen beletsel op voor overlevering.

8.Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak

De raadsman verzoekt de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon na de uitspraak te schorsen tot aan de feitelijke overlevering, zodat hij nog de laatste zaken kan regelen.
De officier van justitie verzet zich tegen het schorsingsverzoek, omdat schorsing ná de uitspraak slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is. Dat soort omstandigheden doen zich hier niet voor.
De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing tot aan de feitelijke overlevering af. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een reden vormen om de overleveringsdetentie na de uitspraak te schorsen.

9.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, België voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
8.Zie o.a. Rb. Amsterdam 23 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3245.