Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Tussenuitspraak 11 september 2025
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
CJ) – kort samengevat – volgt dat voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Het HvJ EU oordeelt dat de weigering op basis van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ veronderstelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de voorwaarden
en procedurevan Kaderbesluit 2008/909/JBZ in acht neemt met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf. Deze procedure houdt – kort gezegd – in dat, voordat de tenuitvoerlegging van een straf kan worden overgenomen, het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van dat Kaderbesluit wordt ingevuld en samen met het veroordelende vonnis wordt overgelegd door de beslissingsstaat. Met de toezending van het certificaat en het vonnis wordt de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf uitgedrukt. [6] Een en ander is door het HvJ EU herhaald in zijn arrest van 11 september 2025. [7]
CJeen stappenplan bevat, bestaande uit drie stappen. Verkort weergegeven, zijn deze stappen: toezending van het veroordelende vonnis (stap 1), toezending van het certificaat omdat daarmee de uitvoerende autoriteit in staat wordt gesteld om zich een ordentelijk oordeel te vormen over het te executeren daadwerkelijke strafrestant (stap 2), en vervolgens en afrondend moet de rechter beoordelen of in het voorliggende geval de daadwerkelijke tenuitvoerlegging door handhaving
CJniet het stappenplan zoals dat door de raadsman is toegelicht.
Grondslag en inhoud van het EAB) voor zover het verweer zich wederom richt op de gestelde verjaring naar Belgisch recht en onduidelijkheid over het strafrestant. Deze overwegingen moeten hier (opnieuw) als herhaald en ingelast worden beschouwd.
CJenkel volgt dat toestemming van de beslissingsstaat vereist is voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen en dat die toestemming wordt gegeven door toezending van het certificaat en vonnis. Voor deze zaak betekent dit dat met de toezending van het certificaat en het arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 8 mei 2014 is voldaan aan de vereisten die volgen uit het arrest
CJen dat België dus toestemming heeft verleend voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde straf.
5.Slotsom
6.Toepasselijke wetsbepalingen
7.Beslissing
[de opgeëiste persoon]aan het Hof van beroep van Antwerpen (de rechtbank begrijpt: de advocaat-generaal bij dat hof), België;