ECLI:NL:RBAMS:2025:9906

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
13/259876-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot een Poolse vrijheidsstraf

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de regionale rechtbank in Krosno, Polen. De zaak betreft de overlevering van een opgeëiste persoon, geboren in Polen, die momenteel gedetineerd is in Nederland. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 27 november 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was met haar raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de zitting en dat er geen gemachtigd raadsman aanwezig was, wat haar verdedigingsrechten in het geding bracht. De officier van justitie heeft echter betoogd dat de opgeëiste persoon wel degelijk op de hoogte was van de procedure en dat zij een adresinstructie had ontvangen. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat, hoewel er sprake was van een schending van de verdedigingsrechten, de overlevering niet geweigerd kon worden omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en de procedure. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, omdat er geen weigeringsgronden waren die aan de overlevering in de weg stonden. De uitspraak is gedaan in het openbaar en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/259876-25
Datum uitspraak: 11 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 februari 2025 door
the Regional Court in Krosno, II Penal Division, Podkarpackie Voivodeship, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable judgment of the District Court in Krosno of 20 May 2021, file ref. II K 908/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een (aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde) vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon geen adresinstructie heeft gekregen, dat zij niet op de hoogte was van de zitting en dat zij ook geen gemachtigd raadsman had. Er had daarom een onvoorwaardelijke verzetgarantie moeten worden afgegeven, maar deze ontbreekt. De opgeëiste persoon heeft dus niet haar verdedigingsrechten kunnen uitoefenen. Evenmin kan worden vastgesteld dat zij ondubbelzinnig (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van haar aanwezigheidsrecht. Indien zij wel de adresinstructie heeft gehad, moet dat direct na de aanhouding zijn geweest. De opgeëiste persoon was toen nog te veel onder invloed van alcohol om te begrijpen wat een dergelijke instructie inhield en wat zij heeft ondertekend. De overlevering moet dan ook worden geweigerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van toepassing van deze weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie gehad, is gewezen op de gevolgen indien zij deze niet zou naleven en heeft die adresinstructie ondertekend. De dagvaarding is naar het opgegeven adres gestuurd.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de toelichting in onderdeel d) van het EAB volgt dat de opgeëiste persoon bij een verhoor tijdens het vooronderzoek een adres in Polen heeft opgegeven als correspondentieadres. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking en heeft er rekening mee moeten houden dat een strafrechtelijke procedure zou kunnen volgen. Zij is op dat moment eveneens gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en op de gevolgen als zij dit niet zou doen. De opgeëiste persoon heeft deze adresinstructie ondertekend. Dat zij op dat moment dusdanig onder invloed is geweest van alcohol dat zij niet heeft geweten wat zij ondertekende, is onvoldoende aannemelijk geworden. De oproepingen voor de drie zittingen zijn vervolgens naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Van deze oproepingen zijn afhaalberichten achtergelaten op dat adres.
Deze omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon had kunnen en moeten weten dat een strafproces tegen haar aanhangig was en, zo zij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the District Court in Krosnovan 30 januari 2024 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Uit de aanvullende informatie van
3 november 2025 volgt dat de tenuitvoerlegging is bevolen, omdat de opgeëiste persoon de voorwaarde om een schadevergoeding te betalen niet is nagekomen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 30 januari 2024 zelf is daarentegen geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [5] De omzetting van de onvoorwaardelijke naar een voorwaardelijke straf in deze zaak, houdt voorts geen verband met een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

5.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Krosno, II Penal Division, Podkarpackie Voivodeship(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (