Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy in Tarnobrzeg, Polen. De zaak betreft twee vonnissen van de Poolse rechtbank, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaar en vier maanden voor respectievelijk verkrachting en het bezit van een verboden stof, alprazolam. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 27 november 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was met zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die hebben geleid tot de vonnissen, en dat er een weigeringsgrond op basis van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) zou kunnen zijn. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de dagvaarding en zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. De officier van justitie heeft echter betoogd dat de dagvaarding correct is uitgereikt en dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zittingen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon de dagvaarding heeft ontvangen en getekend voor ontvangst. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, voldoen aan de eisen van de OLW en dat er geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon is aangetoond. De rechtbank heeft uiteindelijk besloten de overlevering toe te staan, omdat aan alle wettelijke vereisten is voldaan en er geen weigeringsgronden zijn.