ECLI:NL:RBAMS:2025:9908

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
13/245917-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot dubbele strafbaarheid en verdedigingsrechten

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy in Tarnobrzeg, Polen. De zaak betreft twee vonnissen van de Poolse rechtbank, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaar en vier maanden voor respectievelijk verkrachting en het bezit van een verboden stof, alprazolam. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 27 november 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was met zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die hebben geleid tot de vonnissen, en dat er een weigeringsgrond op basis van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) zou kunnen zijn. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de dagvaarding en zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. De officier van justitie heeft echter betoogd dat de dagvaarding correct is uitgereikt en dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zittingen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon de dagvaarding heeft ontvangen en getekend voor ontvangst. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, voldoen aan de eisen van de OLW en dat er geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon is aangetoond. De rechtbank heeft uiteindelijk besloten de overlevering toe te staan, omdat aan alle wettelijke vereisten is voldaan en er geen weigeringsgronden zijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/245917-25
Datum uitspraak: 11 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 3 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juni 2025 door de
Sąd Okręgowy [Regional Court] in Tarnobrzeg, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 2002,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een:
- final judgement of Sąd Rejonowy [District Court] in Tarnobrzeg, file reference number II K 583/24, dated 26 November 2024;- final judgement of Sąd Rejonowy [District Court] in Tarnobrzeg, file reference number II K 657/24, dated 7 January 2025.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van twee jaar (II K 583/24) en van vier maanden (II K 657/24), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De straf van twee jaar (II K 583/24) moet nog geheel worden uitgezeten en op de straf van vier maanden (II K 657/24) worden twee dagen voorarrest in mindering gebracht. Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon ontkent de dagvaarding in zijn handen te hebben gekregen voor het proces dat heeft geleid tot het vonnis met nummer II K 583/24, en dat hij in het andere proces dat heeft geleid tot het vonnis met nummer II K 657/24 nimmer een adres heeft opgegeven. Niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van beide processen, zodat niet kan worden vastgesteld dat hij zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Evenmin kan worden vastgesteld dat hij ondubbelzinnig (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het vonnis met nummer II K 583/24, artikel 12, sub a, OLW van toepassing is. Ten aanzien van het vonnis met nummer II K 657/24 kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond ex artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen, gewezen is op de gevolgen bij niet naleving ervan en de dagvaarding naar het door hem opgegeven adres is gestuurd.
Vonnis met nummer II K 583/24
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 4 november 2025 volgt dat de dagvaarding voor de zitting persoonlijk aan hem is uitgereikt toen hij in detentie verbleef, waarbij hij is geïnformeerd over de zittingsdatum en -plaats en is geïnformeerd dat in zijn afwezigheid een beslissing kan worden genomen. De opgeëiste persoon heeft de dagvaarding in zijn handen gekregen en heeft getekend voor ontvangst. De rechtbank overweegt dat de enkele ontkenning van de opgeëiste persoon onvoldoende is om niet uit te gaan van de informatie in het EAB en de aanvullende informatie. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is op grond van het voorgaande niet van toepassing.
Vonnis met nummer II K 657/24
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De opgeëiste persoon heeft, zo blijkt uit het EAB, twee dagen in voorlopige hechtenis gezeten voor het feit. Uit de aanvullende informatie van 4 november 2025 en 18 november 2025 volgt verder dat de opgeëiste persoon bij zijn vertrek uit de gevangenis een adres heeft opgegeven. Hij is toen gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en op de gevolgen indien hij dit niet zou doen en dat een beslissing in zijn afwezigheid kon worden genomen. De opgeëiste persoon heeft deze adresinstructie ondertekend. De oproep voor de zitting is vervolgens naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Er is twee keer gepoogd deze oproep aan de opgeëiste persoon op dat adres uit te reiken, maar de opgeëiste persoon heeft de oproep niet afgehaald.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van de verdenking en van het strafproces en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is onvoldoende om niet uit te gaan van de informatie in het EAB en de voornoemde aanvullende informatie.

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit onder het vonnis met nummer II K 583/24 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
verkrachting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Ten aanzien van het feit onder het vonnis met nummer II K 657/24 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de stof alprazolam niet strafbaar is naar Nederlands recht. De overlevering moet in zoverre worden geweigerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de stof alprazolam op lijst II van de Opiumwet staat en dat dit feit dus in zijn geheel dubbel strafbaar is.
De rechtbank overweegt als volgt.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit onder het vonnis met nummer II K 657/24 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De stof alprazolam staat namelijk op lijst II van de Opiumwet.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy [Regional Court] in Tarnobrzeg(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (