Uitspraak
1.De procedure
2.De vorderingen
3.De beoordeling
4.De beslissing
dinsdag 6 januari 2026voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] en [eiser ih voegingsinc.] ,
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele procedure vordert de eigenaar primair dat het verzoek van de huurder aan de Huurcommissie niet-ontvankelijk wordt verklaard en subsidiair dat de overeengekomen huurprijs van €1.750 per maand redelijk is. De huurder had de Huurcommissie verzocht de kale huurprijs te beoordelen, waarbij de Huurcommissie een redelijke huurprijs van €741,34 vaststelde.
Een derde partij, de medehuurder, verzoekt om zich te mogen voegen aan de zijde van de huurder, omdat zij belang heeft bij de uitkomst van de procedure en mogelijk een tegenvordering wil instellen. De eigenaar maakt bezwaar tegen deze voeging, stellende dat de medehuurder geen nadelige gevolgen zal ondervinden van de uitkomst.
De kantonrechter oordeelt dat de medehuurder wel degelijk belang heeft bij voeging, omdat de uitkomst van de procedure haar rechtspositie kan beïnvloeden, bijvoorbeeld door het ontbreken van aanspraak op terugbetaling van teveel betaalde huur. De voeging wordt daarom toegestaan. De eigenaar wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €224 en de wettelijke rente daarover. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.
Uitkomst: De kantonrechter staat de voeging van de medehuurder toe en veroordeelt de eigenaar tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.