ECLI:NL:RBAMS:2025:9928

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11832115 \ CV EXPL 25-10947
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating voeging medehuurder in huurprijsgeschil en proceskostenveroordeling

In deze civiele procedure vordert de eigenaar primair dat het verzoek van de huurder aan de Huurcommissie niet-ontvankelijk wordt verklaard en subsidiair dat de overeengekomen huurprijs van €1.750 per maand redelijk is. De huurder had de Huurcommissie verzocht de kale huurprijs te beoordelen, waarbij de Huurcommissie een redelijke huurprijs van €741,34 vaststelde.

Een derde partij, de medehuurder, verzoekt om zich te mogen voegen aan de zijde van de huurder, omdat zij belang heeft bij de uitkomst van de procedure en mogelijk een tegenvordering wil instellen. De eigenaar maakt bezwaar tegen deze voeging, stellende dat de medehuurder geen nadelige gevolgen zal ondervinden van de uitkomst.

De kantonrechter oordeelt dat de medehuurder wel degelijk belang heeft bij voeging, omdat de uitkomst van de procedure haar rechtspositie kan beïnvloeden, bijvoorbeeld door het ontbreken van aanspraak op terugbetaling van teveel betaalde huur. De voeging wordt daarom toegestaan. De eigenaar wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €224 en de wettelijke rente daarover. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: De kantonrechter staat de voeging van de medehuurder toe en veroordeelt de eigenaar tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11832115 \ CV EXPL 25-10947
Vonnis van 9 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
verwerende partij in het voegingsincident,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.Chr. Rube,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S. van Eck,
en
[eiser ih voegingsinc.] ,
te [woonplaats 2] ,
eisende partij in het voegingsincident,
hierna te noemen: [eiser ih voegingsinc.] ,
gemachtigde: mr. S. van Eck.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 juli 2025, met producties,
- de incidentele conclusie tot voeging van [eiser ih voegingsinc.] , met een productie,
- het antwoord in het incident tot voeging van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De vorderingen

in de hoofdzaak
2.1.
[eiser] heeft – samengevat – gevorderd primair om het verzoek van [gedaagde] aan de Huurcommissie niet ontvankelijk te verklaren en subsidiair te verklaren voor recht dat de tussen [eiser] en [gedaagde] overeengekomen huurprijs van € 1.750,00 per maand ter zake van de woonruimte aan de [adres] redelijk is.
2.2.
Hieraan legt [eiser] het volgende ten grondslag. [eiser] heeft als eigenaar de woning aan de [adres] van 15 april 2023 tot en met 31 maart 2025 verhuurd aan [gedaagde] en [eiser ih voegingsinc.] voor € 17.50,00 per maand en € 50,00 per maand voor stoffering. [gedaagde] heeft zich gewend tot de Huurcommissie met het verzoek de kale huurprijs te beoordelen. De Huurcommissie heeft geoordeeld dat een huurprijs van € 741,34 per maand redelijk is. [eiser] meent dat de Huurcommissie [gedaagde] niet ontvankelijk had moeten verklaren, omdat hij het verzoek samen met [eiser ih voegingsinc.] had moeten indienen. Voor zover het verzoek wel inhoudelijk beoordeeld had kunnen worden, is [eiser] van mening dat een hoger puntenaantal toegekend had moeten worden, waardoor de redelijke huurprijs uitkomt op een bedrag boven de liberalisatiegrens. Dit betekent dat het partijen vrijstond een huurprijs van € 1.750,00 overeen te komen, die dan ook als redelijk vastgesteld dient te worden.
2.3.
[gedaagde] heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd in de hoofdzaak.
in het incident
2.4.
[eiser ih voegingsinc.] vordert haar toe te laten om zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [gedaagde] . Subsidiair vordert zij om haar op te roepen als partij in het geding. Hieraan legt [eiser ih voegingsinc.] ten grondslag dat zij er als medehuurder belang bij heeft om zich te kunnen verweren tegen de vordering van [eiser] , omdat de toe- of afwijzing van zijn vordering ongunstig kan uitpakken voor [gedaagde] , en [eiser ih voegingsinc.] als voormalig medehuurder de nadelige gevolgen daarvan zal ondervinden. Bovendien wil zij met [gedaagde] een tegenvordering instellen.
2.5.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de door [eiser ih voegingsinc.] gevorderde voeging. Hij heeft aangevoerd dat [eiser ih voegingsinc.] niet heeft toegelicht wat de nadelige gevolgen zullen zijn van toe- of afwijzing van de vordering. [eiser] is bovendien van mening dat [eiser ih voegingsinc.] geen nadelige gevolgen zal ondervinden van de uitkomst in de hoofdzaak. Als zijn vordering wordt toegewezen, wordt enkel de huurovereenkomst zoals die gold tussen [eiser] en [gedaagde] bevestigd. [eiser ih voegingsinc.] wordt verder niet hoofdelijk aangesproken en deze procedure raakt haar eigen betalingsverplichting of aanspraak op terugbetaling niet direct.

3.De beoordeling

in het incident
3.1.
Artikel 217 Rv Pro bepaalt dat ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Voor het aannemen van een belang bij voeging is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt. [1] Onder nadelige gevolgen wordt verstaan de feitelijke of juridische gevolgen van de toe- of afwijzing van de vordering of het gezag van gewijsde dat de in de procedure gegeven eindbeslissingen kunnen hebben voor degene die voeging vordert. [2]
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat aan dit toetsingskader is voldaan. Niet in geschil is dat [eiser ih voegingsinc.] en [gedaagde] gezamenlijk een huurovereenkomst met [eiser] zijn aangegaan. Indien de primaire of subsidiaire vordering van [eiser] in de hoofdzaak worden toegewezen, kan [eiser ih voegingsinc.] hiervan nadelige gevolgen ondervinden. Voor zover zou komen vast te staan dat de Huurcommissie [gedaagde] niet ontvankelijk had moeten verklaren, of voor zover wordt geoordeeld dat de overeengekomen huurprijs redelijk is, heeft [gedaagde] geen grondslag om enig bedrag aan teveel betaalde huur te vorderen van [eiser] . Dit kan er ook toe leiden dat ook [eiser ih voegingsinc.] geen aanspraak meer kan maken op terugbetaling. Anders dan [eiser] betoogt, kan toewijzing van zijn vordering in dat geval de rechtspositie van [eiser ih voegingsinc.] wel degelijk nadelig beïnvloeden.
3.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het [eiser ih voegingsinc.] wordt toegestaan om zich in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde] te voegen.
3.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser ih voegingsinc.] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
204,00
(1 punt × € 204,00)
- nakosten
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
224,00
3.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in de hoofdzaak
3.6.
Omdat [gedaagde] en [eiser ih voegingsinc.] nog geen conclusie van antwoord hebben genomen, zullen zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld. De zaak wordt hiervoor verwezen naar de rol.

4.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
4.1.
staat [eiser ih voegingsinc.] toe om zich in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde] te voegen,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 224,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
dinsdag 6 januari 2026voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] en [eiser ih voegingsinc.] ,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
57327

Voetnoten

1.HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC6692, NJ 2008/168; HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58.
2.HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534.