In deze procedure staat de vraag centraal of de Staat zich kan voegen aan de zijde van de Europese Octrooiorganisatie (EOO) in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. Het geschil betreft onder meer de beperking van het stakingsrecht en het vakbondswerk door EOO via haar Dienstreglement.
De Staat vordert voeging omdat het bestreden arrest volgens hem in strijd is met de immuniteit van jurisdictie en executie die aan EOO als internationale organisatie toekomt. De Staat is verplicht de naleving van deze volkenrechtelijke verplichtingen te waarborgen.
De Hoge Raad overweegt dat voeging mogelijk is wanneer de verzoeker nadelige gevolgen kan ondervinden van de uitkomst van de procedure. Gelet op het niet betwiste belang van de Staat wordt de voeging toegestaan. De zaak wordt verwezen naar de rol voor voortprocederen en de beslissing over de kosten wordt gereserveerd tot de einduitspraak in cassatie.