ECLI:NL:RBAMS:2025:9935

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
13/348077-24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafzaak met betrekking tot opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet

In deze ontbindingszaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 18 november 2025 uitspraak gedaan over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 23.894,08. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarbij de veroordeelde is aangeklaagd voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op basis van een rapport van de DRR Amsterdam, waarin de opbrengsten van de strafbare feiten zijn berekend. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie beoordeeld en vastgesteld dat de berekening van de wisselkoers en de kosten van de underground banking correct zijn toegepast. De rechtbank heeft de totale opbrengst van de feiten berekend en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 23.894,08, dat de veroordeelde aan de Staat moet betalen. De beslissing is genomen na beraadslaging op de terechtzitting van 4 november 2025, waarbij de rechtbank de feiten en omstandigheden in overweging heeft genomen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/348077-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 18 november 2025
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/348077-24, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
wonende op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 4 november 2025.

2.De vordering

De vordering van de officier van justitie van 5 maart 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van
€ 28.164,08.
Ter terechtzitting van 4 november 2025 heeft de officier van justitie zijn vordering gewijzigd in dier voege dat hij het maximumbedrag stelt op
€ 28.078,68.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2025 onder meer veroordeeld voor:

1. eendaadse samenloop van:

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

4. het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Op grond van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van dit feit of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
Het Openbaar Ministerie heeft een berekening gemaakt van het wederrechtelijk door veroordeelde verkregen voordeel. Dit is een berekening van de winst die veroordeelde heeft behaald met het plegen van voornoemde twee feiten.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Oordeel van de rechtbank
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebruik gemaakt van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van de DRR Amsterdam van 25 februari 2025 (hierna: het ontnemingsrapport). Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking hetgeen in het vonnis van de inhoudelijke strafzaak is bepaald. [1]
De officier van justitie heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de wisselkoers in het ontnemingsrapport onjuist is toegepast en dat de prijs per kilo cocaïne bij een prijs van GBP 36.100 per kilo gelijkstaat aan € 37.183 per kilo bij een wisselkoers van 1 euro staat gelijk aan 1.03 GBP (36.100 x 1.03). Hierdoor gaat de officier van justitie ook uit van hogere kosten voor de underground banking, namelijk € 743,66 per betaalde kilo in plaats van
€ 700,96, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel iets lager uitvalt, namelijk
€ 28.078,68.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de wisselkoers juist is toegepast in het ontnemingsrapport bij het bepalen van de kosten van de underground banking. Bij een wisselkoers van 1 euro die gelijk staat aan 1.03 Britse pond komt een kiloprijs van 36.100 GBP immers overeen met een kiloprijs van €35.049 (36.100 / 1.03). Als de kosten van underground banking 2% van dit bedrag betreffen, zijn die kosten €700,96 per kilo cocaïne.
De rechtbank is echter van oordeel dat bij de berekening van de opbrengst per kilo cocaïne van feit 2 (feit 1 in de tenlastelegging van de onderliggende strafzaak) in het ontnemingsrapport is uitgegaan van een onjuist bedrag. In het ontnemingsrapport staat namelijk onder het kopje ‘berekenen feit 2’ dat de kiloprijs € 37.183,- betreft bij een kiloprijs van 36.100 GBP en een wisselkoers van 1 euro = 1.03 GBP. Dit is onjuist en moet € 35.049,- zijn (36.100 / 1.03).
De rechtbank gaat dan ook in haar berekening uit van een opbrengst van € 35.049,- per kilo, waardoor de totale opbrengst van feit 2 (feit 1 in de tenlastelegging van de onderliggende strafzaak) € 70.096 is (2 x € 35.049,-).
Totaal wederrechtelijk voordeel
Op basis van het ontnemingsrapport en met de inachtneming van voornoemde berekende opbrengsten en kosten wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt berekend:
Opbrengst feit 1 50 kg x € 200,00 € 10.000,00
Opbrengst Feit 2 2 kg x € 35.049 € 70.096
Af Kosten € 56.201,92
Wederrechtelijk verkregen voordeel €
23.894,08
Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde uit de baten van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op €
23.894,08
De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5.De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op €
23.894,08.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van €
23.894,08
(drieëntwintigduizend achthonderdvierennegentig euro en acht eurocent).
Legt op aan
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van €
23.894,08
(drieëntwintigduizend achthonderdvierennegentig euro en acht eurocent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op
477 (vierhonderdzevenenzeventig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 november 2025.
[--]
[--]
5.2
[--]
5.2.2
[--]
5.3
[--]