ECLI:NL:RBAMS:2025:9954

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
25/2171
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10.5 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 2.10.11 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Artikel 3 IVRKArtikel 8 EVRMArtikel 9 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring huisvesting na echtscheiding ondanks belangen kind

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. De rechtbank heeft eerder een motiveringsgebrek vastgesteld en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen. Na hernieuwde afwijzing is het beroep opnieuw aan de rechtbank voorgelegd.

De rechtbank oordeelt dat eiser met 15 wachtpunten redelijkerwijs via het woningbedrijf binnen redelijke termijn een woning kan vinden. Het huisvestingsprobleem is niet het gevolg van overmacht, aangezien beëindiging van een tijdelijk huurcontract en echtscheiding geen overmachtssituaties zijn. De belangen van de minderjarige zoon zijn meegewogen, maar diens hoofdverblijf is bij de moeder, waardoor geen sprake is van dakloosheid of schrijnende situatie.

De rechtbank erkent de moeilijke situatie van eiser, die momenteel in een auto slaapt en psychische problemen heeft, maar stelt dat het beleid van Amsterdam strikt is vanwege woningkrapte en dat eiser woningen heeft geweigerd die niet aan zijn wensen voldeden. De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat geen schrijnende situatie is vastgesteld.

De brief van de zoon aan de rechter toont zijn wens om zijn vader vaker te zien en een eigen kamer te hebben, maar de rechtbank concludeert dat de gemeente de woningen eerlijk moet verdelen en dat de situatie van eiser niet uitzonderlijk genoeg is voor voorrang. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2171

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht de aanvraag om een urgentieverklaring heeft afgewezen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 augustus 2023 afgewezen, omdat het met 14 wachtpunten bij [bedrijf] mogelijk moet zijn om binnen een redelijke termijn een andere woning te vinden. Met het besluit van 15 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en is de grondslag van de weigering aangevuld, namelijk dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 november 2023.
2.2.
Bij de uitspraak van deze rechtbank van 11 december 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2023 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. [1]
2.3.
Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft de veertienjarige zoon van eiser, [naam] , uitgenodigd voor een kindgesprek met de rechter. [naam] heeft in plaats van een kindgesprek een brief aan de rechter geschreven.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Majboubi (tolk in de Arabische taal) en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat heeft de rechtbank geoordeeld in de uitspraak van 11 december 2024?
3. In de uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder bij het innemen van het standpunt dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem onvoldoende rekening heeft gehouden met het door eiser overgelegde tegenbewijs, te weten het stuk over de beëindiging van het huurcontract per
15 september 2023 en de foto’s waarop te zien is dat eiser in zijn auto slaapt. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit niets heeft gezegd over de belangen van eisers zoon en in het verweerschrift is de zoon van eiser zodanig summier vermeld dat niet blijkt dat verweerder de belangen van eisers zoon in kaart heeft gebracht en adequaat heeft betrokken bij de beoordeling. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek en is het bestreden besluit ook in strijd met artikel 3 van Pro het IVRK. [2]
Het bestreden besluit
4. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de weigeringsgrond dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem omdat eiser een tijdelijke huurovereenkomst heeft – onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank – heeft laten vallen. Wel heeft verweerder twee andere criteria genoemd met betrekking tot de weigeringsgrond dat eiser geen urgent huisvestingsprobleem heeft. [3] Ook heeft verweerder aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat het met 15 wachtpunten bij [bedrijf] mogelijk moet zijn om binnen een redelijke termijn een andere woning te vinden. Hierbij heeft verweerder verwezen naar artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv). [4]
Kan eiser het huisvestingsprobleem op een andere manier oplossen?
5. Uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Hvv volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien de aanvrager het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen of dat de aanvrager het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze kan oplossen. Uit de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Nadere regels) [5] blijkt dat daarvan sprake is als het gaat om een huishouden van maximaal 3 personen en de aanvrager 13 wachtpunten of meer heeft. [6] In algemene zin geldt dat het huisvestingsprobleem van de aanvrager dient te zijn ontstaan uit een overmachtssituatie om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring. Volledigheidshalve wordt daarboven opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond c. [7]
5.1.
Eiser stelt dat hij nog steeds geen woning heeft en dat het huisvestingsprobleem niet op een andere wijze kan worden opgelost. Het aanbod is summier en de vraag erg groot. Eiser stelt dat er wel een overmachtssituatie is omdat hij is gescheiden en de woning gedwongen moest verlaten. Hij kon nimmer aanspraak maken op de woning. Het is dan ook onduidelijk waarom de weigeringsgrond onder c van toepassing is. Voorts stelt eiser dat blijkt uit de door hem overgelegde medische stukken dat hij geen gebruik kan maken van de maatschappelijke (nood)opvang. Eiser kampt met diverse psychische problematiek, waarvoor hij sinds november 2022 in behandeling is bij de psychiater. Eveneens slikt hij dagelijks medicatie waaronder tegen depressie. Eiser kan niet verder met zijn behandeling doordat hij geen woning heeft. Eiser heeft daartoe een aantal medische verklaringen overgelegd.
5.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser thans 15 wachtpunten heeft en maandelijks zoekpunten opbouwt, waardoor van eiser wordt verwacht dat hij via [bedrijf] op redelijke termijn een passende woning kan vinden. Uit de overgelegde stukken in het aanvullend beroepsschrift blijkt ook dat eiser hoog scoort op woningen, waaronder op positie 12, 14 en 15. Uit de feiten, omstandigheden en het persoonsdossier is niet gebleken dat eisers huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van overmacht. Er moet sprake zijn van een overmachtssituatie en het probleem moet niet redelijkerwijs te voorkomen zijn geweest. Gebrek aan zelfstandige woonruimte als vertrekkende ouder na een echtscheiding/relatiebreuk is geen situatie van overmacht. Ook de beëindiging van een tijdelijk huurcontract is geen plotselinge overmachtssituatie die het recht schept op voorrang middels een urgentieverklaring.
5.3.
De rechtbank stelt voorop begrip te hebben voor de situatie van eiser. Echter, vanwege het kleine aantal beschikbare sociale huurwoningen in Amsterdam en het grote aantal aanvragen urgentieverklaringen, is het beleid in de gemeente Amsterdam voor het toekennen van voorrang op andere woningzoekenden zeer strikt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, is dit restrictieve beleid niet onredelijk. [8] De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser zijn huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze kan oplossen en dat er dus sprake is van een algemene weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.5.10, eerste lid, onder c, van de Hvv. In de Nadere regels is namelijk bepaald dat hiervan sprake is als de aanvrager een huishouden heeft van maximaal 3 personen en 13 wachtpunten of meer heeft. Eiser is alleenstaand en heeft 15 wachtpunten. Bovendien is ter zitting gebleken dat eiser woningen via [bedrijf] heeft geweigerd omdat hij deze niet passend vond, met name omdat er geen slaapkamer voor zijn zoon was of kon worden gecreëerd. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de algemene weigeringsgronden in de Hvv heeft verweerder de aanvraag op grond hiervan terecht afgewezen.
5.4.
Als zich een algemene weigeringsgrond voordoet, is geen plaats meer voor toetsing van de vraag of een urgentieverklaring kan worden verleend voor een sociaal-medische urgentie. Dit is vaste rechtspraak. [9] Voor zover eiser aanvoert dat sprake is van een sociaal-medische urgentie, gaat de rechtbank daar dan ook aan voorbij. Dat eiser aanvoert dat wel alsnog naar de medische problematiek gekeken kan worden onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 februari 2025 [10] , slaagt deze grond al niet vanwege het feit dat in deze uitspraak een andere Hvv van toepassing was met andere regelgeving dan in onderhavige zaak.
Hardheidsclausule
6. Uit artikel 2.10.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvv volgt dat verweerder, indien toepassing van de Hvv zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd is om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie.
6.1.
In het kader van de hardheidsclausule heeft eiser aangevoerd dat hij niet een beroep kan doen op familie of vrienden en momenteel in een auto slaapt. De situatie lijdt momenteel tot onredelijke gevolgen voor hem en zijn zoon. Immers, zij kunnen elkaar niet regelmatig zien waardoor de band niet gedegen in stand kan worden gehouden. Daar komt bij dat kinderen op latere leeftijd psychische klachten kunnen ontwikkelen door een afwezige ouder. Beide ouders hebben recht op een relatie met hun kind. Eiser doet een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM. Verder waarborgt artikel 9 van Pro het IVRK dat een kind niet tegen zijn wil en zonder noodzaak wordt gescheiden van zijn ouders. Verweerder heeft nimmer bij de belangenafweging de impact van de gehele situatie op de zoon van eiser onderzocht en zijn visie om zijn vader te bezoeken bij de auto dan wel in een noodopvang. Eiser heeft het ouderschapsplan overgelegd. Daaruit blijkt dat sprake is van een omgangsregeling, deze dient te worden nageleefd. Verweerder dient rekenschap te geven van artikel 27 van Pro het IVRK, waarbij ieder kind recht heeft op een levensstandaard die toereikend is voor zijn of haar lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling. Op grond van artikel 12 van Pro het IVRK heeft de zoon van eiser van 14 jaar oud het recht om zelf zijn mening te geven. Verweerder heeft hieraan ten onrechte geen uitvoering gegeven.
6.2.
Wat betreft de belangen van het kind, stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de zoon van eiser (dreigend) dakloos is. Immers, hij heeft onderdak bij zijn moeder. Hiermee wordt de minimumnorm voor zijn zoon, zoals neergelegd in het IVRK, gewaarborgd. Bij de scheiding in 2018 is een omgangsregeling vastgelegd. De zoon van eiser wil niet op bezoek komen omdat eiser geen woning heeft. Dat eisers zoon ervoor kiest om geen omgang met eiser te hebben wegens gebrek aan zelfstandige woonruimte, is pijnlijk, maar maakt niet dat gesteld kan worden dat uitvoering van de omgangsregeling onmogelijk is zonder een urgentieverklaring. Er zijn verder geen aanwijzingen gevonden dat de ontwikkeling van eisers zoon zodanige ernstige gebreken vertoont dat er aanleiding is om eiser per direct voorrang op de woningmarkt te verlenen. Met wat eiser heeft aangevoerd, is niet aannemelijk gemaakt dat niet mogelijk is om zonder urgentieverklaring op enige wijze een gezinsleven met zijn zoon te hebben. Het afgeven van een urgentieverklaring is niet te verantwoorden tegenover alle andere gescheiden ouders die ook meer betrokken willen zijn bij de opvoeding van hun kinderen. Verweerder laat het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling derhalve prevaleren boven eisers individueel belang bij het verkrijgen van een urgentieverklaring.
6.3.
De rechtbank kan verweerder in deze redenering volgen. Verweerder heeft voldoende het belang van eisers zoon meegewogen in de toets van de hardheidsclausule en terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een schrijnende situatie. Eiser wordt in deze urgentieprocedure als alleenstaande beschouwd, omdat zijn zoon hoofdverblijf heeft bij zijn moeder. Indien minderjarige kinderen hun hoofdverblijf hebben bij één van de ouders, bepaalt het Amsterdamse urgentiebeleid dat de vertrekkende ouder in het kader van de co-ouderschap/bezoekregeling geen urgentie kan verkrijgen. Immers, de minderjarige kinderen zijn in dat geval niet dakloos. In zoverre is de situatie van eiser niet zo bijzonder schrijnend dat hij toch een urgentieverklaring zou moeten krijgen.
6.4.
Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder nog toegelicht dat eiser al wel woningen aangeboden heeft gekregen, zelfs een driekamerwoning, maar dat eiser deze woningen heeft geweigerd. Daarop heeft eiser ter zitting uitgelegd dat in de tweede slaapkamer een gas-/elektra meter zat en dat er geen bed in die kamer kon. Hij wil graag een tweede slaapkamer voor zijn zoon zodat zijn zoon bij hem kan komen wonen. Eiser wil graag direct een goede woning, zodat hij op een later moment niet weer hoeft te verhuizen. De rechtbank begrijpt dat dit belangrijk is voor eiser en zijn zoon, maar gezien de huidige woningkrapte kan eiser deze voorwaarde niet stellen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gelet op de woningkrapte in Amsterdam het niet mogelijk is om alle kinderen in Amsterdam een eigen kamer te geven. Bovendien had eiser al een woning kunnen hebben, ook al is dit een kleinere woning dan eiser wenst. De rechtbank ziet niet in waarom een kleinere woning niet geschikt is voor omgang met zijn zoon. Weliswaar is dat niet ideaal en wil eiser een slaapkamer kunnen bieden aan zijn zoon, echter eiser kan niet verwachten van verweerder dat daarmee rekening wordt gehouden in deze tijd van woningkrapte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen schending is van artikel 8 van Pro het EVRM of van artikel 9 van Pro het IVRK.
6.5.
Naar aanleiding van hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard, wil de rechtbank hierbij ten overvloede nog overwegen dat eiser met een urgentieverklaring mogelijk in een nadeliger positie terecht zou komen dan de positie waar hij nu in verkeert. Eiser kan namelijk nu zelf een woning kiezen uit het woningaanbod op [bedrijf] , in elk stadsdeel, terwijl hij met een urgentieverklaring een eenmalig woningaanbod van de woningbouwcorporatie zou krijgen. Eiser heeft in die situatie dus geen ruimte om zelf de woning te kiezen. Eiser kan slechts één stadsdeel uitsluiten waar eiser niet wil wonen. Omdat eiser als alleenstaande wordt aangemerkt, zal hij een eenmalige woningaanbod krijgen dat past bij een alleenstaande, dat wil zeggen een één- of tweekamerwoning. Zou eiser vervolgens het eenmalige woningaanbod weigeren, dan zal verweerder de urgentieverklaring direct intrekken.
6.6.
De rechtbank heeft ten slotte de zoon van eiser uitgenodigd voor een kindgesprek met de rechter. [naam] heeft naar aanleiding daarvan een brief geschreven aan de rechter. Dat vindt de rechter heel moedig van [naam] . Hier is de reactie daarop. De rechter heeft gelezen dat [naam] zijn vader mist en hem vaker zou willen zien. Hij zou het fijn vinden als zijn vader weer een huis heeft met misschien een kamer voor hem. Dan kan hij daar zijn spulletjes neerzetten. [naam] doet leuke dingen met zijn vader, samen voetballen of naar de bioscoop. De rechter begrijpt dat [naam] graag wil dat zijn vader weer een eigen huis heeft. Dat zal mogelijk ook niet meer heel lang duren, omdat zijn vader al lang op de wachtlijst staat bij [bedrijf] . Zijn vader wil een huis via de gemeente en dat [naam] een eigen kamer krijgt. Omdat er zo weinig woningen zijn in Amsterdam, kan de gemeente dat niet zomaar geven. De gemeente moet namelijk de huizen die er zijn eerlijk verdelen. Omdat [naam] bij zijn moeder woont, hoeft de gemeente niet een extra groot huis voor zijn vader te regelen. Als de gemeente dat zou doen, zouden andere kinderen die nog geen huis hebben, langer moeten wachten op een huis. Zo probeert de gemeente met iedereen rekening te houden, en de rechtbank vindt dat ze dat in dit geval zo mochten doen. De rechter hoopt dat de vader van [naam] snel een eigen huis krijgt via [bedrijf] en dat [naam] daar langs kan komen.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft dan ook terecht de urgentieverklaring geweigerd.
8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten dan wel het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Te vinden via rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBAMS:2024:7674.
2.Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.
3.Artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv in samenhang met artikel 3, ad b, onder punt 5 en onder punt 11, van de Nadere regels.
4.Geldig van 1-1-25 t/m 30-6-2025
5.Geldig vanaf 1-1-2025
6.Artikel 3, ad c, onder punt 6, van de Nadere regels.
7.Artikel 3, ad c, na punt 8, van de Nadere regels.
8.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:628.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2520.