5.2.Volgens verweerder is niet duidelijk waar de gevraagde extra 14 uur per week op is gebaseerd. Het eerste resultaat is gericht op de gezondheidstoestand van eiser, namelijk overgewicht in combinatie met beginnende diabetes. Dit vraagt om een zorgvuldige, specialistische en medische begeleiding. De ouders kunnen dit niet bieden en medische ondersteuning lijkt hierin wenselijk en voorliggend. Verder overweegt verweerder dat als de eerste twee resultaten waren gericht op het doorbreken van het sociaal isolement van eiser, het middel het resultaat zou dienen. Maar omdat het enkel als activiteit wordt ingezet, dient het geen jeugdhulpresultaat. Het minder verbaal communiceren bij eiser is gelegen in de problematiek. Om eiser hierin te ondersteunen is passende specialistische jeugdhulp gewenst. De ouders kunnen dit niet bieden. Het in contact blijven met je kind en gesprekken met hem voeren is onderdeel van algemene dagelijkse levensverrichtingen binnen een gezin en als zodanig geen bovengebruikelijke zorgtaak. De ouders zijn in staat om eiser de zorg, verzorging en de aandacht te bieden die hij nodig heeft en aan te sluiten bij zijn problematiek. Daarbij zijn zij in staat om hem deze zorg te bieden zonder dat dit ernstig ten koste gaat van het gezinsleven, omdat zij de praktische mogelijkheden hebben om deze zorg te bieden. De ouders doen dit al en ongeacht of wel of geen pgb wordt toegekend, kunnen zij dit blijven doen. Volgens verweerder kan daarom worden vastgesteld dat de ouders voldoende probleemoplossend vermogen bezitten. Verweerder heeft verder in het bestreden besluit genoemd dat er een nieuwe aanvraag om jeugdhulp in de vorm van een pgb is gedaan. Deze aanvraag is gehonoreerd en eiser gaat vanaf 1 januari 2025 naar de [naam 3]. Verweerder ziet geen reden om op grond van de hardheidsclausule een uitzondering te maken.
6. Eiser voert samengevat aan dat het onderzoek naar aanleiding van de jeugdhulpaanvraag onjuist, onvolledig en onrechtmatig is uitgevoerd. Eiser licht toe dat de aanvraag is gedaan op advies van [naam 4] en is besproken met de medewerkers van OKT-regie. Het PGB-team, dat op de aanvraag heeft beslist, heeft ten onrechte geen overleg gevoerd met OKT-regie. Dat er onvoldoende onderzoek is gedaan, is in het bestreden besluit ten onrechte terzijde geschoven. Volgens eiser is de reden voor de uitbreiding van 2 uur per dag wel duidelijk en hij verwijst daarbij naar het advies dat is gegeven door [naam 4].
Verder is in het bestreden besluit ten onrechte gesuggereerd dat er drie resultaten en doelen zijn. Het gaat om tien resultaten en doelen in totaal. Eiser doet daarnaast een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan dat de afgewezen aanvraag slechts op een aantal aspecten verschilt van eerder en wel positief beoordeelde aanvragen. De aanvraag wordt ondersteund door een professionele zorgverlener en onderschreven door OKT-regie en de thuissituatie van eiser is feitelijk ernstiger geworden dan voorheen. Eiser concludeert dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel heeft gehandeld. Hij verzoekt dan ook om toekenning van het pgb inclusief wettelijke rente over 2024 en 2025. Eiser wil ook zijn werkelijk gemaakte proceskosten van ruim € 13.000,- vergoed zien. Tot slot verzoekt hij de rechtbank om een immateriële schadevergoeding toe te kennen.
Het oordeel van de rechtbank
De omvang van het geding en welke Verordening is van toepassing?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag om uitbreiding van de jeugdhulp in de vorm van een pgb ziet op een afgesloten periode in het verleden, te weten vanaf 1 maart 2024 tot en met 31 december 2024. Verweerder heeft zijn besluitvorming (mede) gebaseerd op de [verordening] (hierna: de oude Verordening). Vanaf 1 juli 2025 is de [nieuwe verordening] (hierna: de nieuwe Verordening) in werking getreden. De nieuwe Verordening is in deze zaak niet van toepassing.
Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke grondslag
8. Op 29 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) drie uitspraken gedaan over de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet.De Raad heeft in die uitspraken uiteengezet dat de Jeugdwet bepaalt dat gemeenten in hun Verordening moeten regelen wat onder “eigen mogelijkheden” en “probleemoplossend vermogen” wordt verstaan.
9. Verweerder heeft erkend dat uit de genoemde uitspraken volgt dat de oude Verordening die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit wegens een gebrek in de oude Verordening niet is gebaseerd op een deugdelijke grondslag en in strijd is met de Jeugdwet. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dat hierna toe.
De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand
10. Naar aanleiding van het verzoek om uitbreiding van de jeugdhulp in de vorm van een pgb, heeft verweerder onderzoek verricht. Op basis van de gegevens zoals vermeld bij het primaire besluit stelt de rechtbank vast dat het onderzoek door verweerder voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Verweerder heeft de meegestuurde informatie bij de aanvraag bestudeerd en een huisbezoek afgelegd. De situatie van eiser en het gezin is uitgebreid beschreven. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder relevante informatie heeft gemist. Ook wordt erkend dat sprake is van kindproblematiek. Dat verweerder nader onderzoek had moeten doen, volgt de rechtbank niet. De aanbeveling van de ambulant hulpverlener om de pgb-uren uit te breiden met minimaal 2 uur per dag is in het geheel niet onderbouwd en de eigen bevindingen in het kader van het onderzoek, geven hiertoe geen aanleiding. Dat de aanvraag tot stand is gekomen in overleg met en wordt ondersteund door de ambulant hulpverlener en de medewerker(s) van OKT-regie, betekent niet dat de aanvraag ook had moeten worden toegekend. Zij hebben uitsluitend een adviserende rol. Tot slot heeft de rechtbank op zitting niet iets gehoord waardoor zij twijfelt aan de zorgvuldigheid van het onderzoek.
11. De rechtbank stelt vast dat uit de informatie die is meegestuurd bij de aanvraag volgt dat sprake is van drie nieuwe resultaten en doelen. Deze staan in het rood gemarkeerd. Voor de eerste zeven resultaten en doelen is al een pgb van 14 uur toegekend. Dat de aanvraag voor uitbreiding ziet op de in totaal 10 genoemde punten, volgt niet uit de meegestuurde plannen. Daarnaast heeft verweerder, zowel in het primaire als in het bestreden besluit, inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen reden is voor uitbreiding van het pgb. Verweerder heeft terecht gesteld dat specialistische hulp, waar het gaat om de gezondheid van eiser en het verbeteren van zijn communicatievaardigheden, voorliggend is. Bij de overige activiteiten mag hulp en ondersteuning van de ouders worden verwacht. De rechtbank heeft in dit kader op zitting gevraagd welke gevolgen de afwijzing van de uitbreiding van het pgb voor eiser en het gezin hebben gehad. Eiser stelt dat dit ten koste is gegaan van het gezin, maar heeft dit niet nader toegelicht. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat de hulp en ondersteuning in de zorg voor eiser vergaande gevolgen hebben gehad of het eigen probleemoplossend vermogen van de ouders van eiser te boven is gegaan.
12. De overige beroepsgronden van eiser kunnen niet leiden tot een ander oordeel van de rechtbank. De rechtbank laat deze gronden daarom onbesproken.
13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de afwijzing van de uitbreiding van het pgb over de periode vanaf 1 maart 2024 tot en met 31 december 2024 voor onjuist te houden. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand.
14. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Zoals op zitting is besproken is de vader van eiser geen professionele gemachtigde in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
15. Eiser heeft in het kader van zijn verzoek om een immateriële schadevergoeding aangevoerd dat hij veel tijd kwijt is geweest met het opstellen van stukken in reactie op de onjuiste besluitvorming van verweerder. Dit is ten koste gegaan van het gezin. De rechtbank stelt vast dat de vader van eiser dit niet heeft onderbouwd of nader heeft toegelicht. Reeds om die reden komt het verzoek om een immateriële schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking. Voor zover naast de tijd die besteed is aan de procedure, ook de kosten onderdeel uitmaken van het verzoek, geldt dat de kosten die de vader van eiser zegt te hebben gemaakt, deze zoals is gemotiveerd in rechtsoverweging 14. niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook niet over de band van immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.