Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.750,-.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, met ernstige motorische beperkingen, vroeg om verlenging van jeugdhulp. Het college kende een pgb toe voor 12 uur per week, terwijl betrokkene 22 uur en 45 minuten nodig achtte. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende onderzoek naar de eigen kracht van de ouders en onduidelijke onderbouwing van het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp.
Het college stelde in hoger beroep dat de moeder van betrokkene de noodzakelijke hulp kan bieden zonder overbelasting en dat de financiële situatie stabiel blijft bij het toegekende pgb. De Raad oordeelt echter dat de gemeentelijke verordening onvoldoende rechtszekerheid biedt omdat zij niet duidelijk maakt wat onder gebruikelijke hulp wordt verstaan en welke gevolgen dit heeft voor de toekenning van voorzieningen.
De Raad benadrukt dat artikel 2.9 van de Jeugdwet vereist dat gemeenten duidelijke regels stellen over toekenning en beoordeling van jeugdhulp, inclusief de betekenis van eigen kracht en gebruikelijke hulp. Het ontbreken van een concrete wettelijke grondslag maakt het bestreden besluit strijdig met de wet. De Raad bevestigt daarom de vernietiging van het besluit en beveelt het college aan een nieuw, zorgvuldig en op maat gesneden besluit te nemen.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van betrokkene, ter hoogte van €1.750,-. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 mei 2024.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot toekenning van jeugdhulp is vernietigd wegens onvoldoende rechtszekerheid en onduidelijke invulling van gebruikelijke hulp.