Appellant, met myotone dystrofie type 1 en diverse beperkingen, vroeg op 8 mei 2020 jeugdhulp aan. Het college wees dit af omdat de eigen mogelijkheden van de ouders toereikend zouden zijn. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat er wel sprake was van dreigende overbelasting, maar dat deze zich nog niet had verwezenlijkt en de financiële situatie niet nijpend was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de situatie ernstiger was geworden, met een noodzaak voor extra hulpuren en dat de gemeentelijke verordening onvoldoende concreet was over het begrip eigen mogelijkheden. Het college handhaafde haar standpunt dat eigen mogelijkheden toereikend waren en dat financiële draagkracht een relevante factor was.
De Raad oordeelde dat de gemeentelijke verordening onvoldoende regels bevatte ter uitwerking van de wettelijke criteria, waardoor het besluit geen deugdelijke wettelijke grondslag had. Tevens was er sprake van een onwenselijke vermenging van besluitvorming en uitvoering door betrokkenheid van de organisatie Incluzio Hollands Kroon.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het besluit, en droeg het college op een nieuw besluit te nemen binnen een rechtszeker kader. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend.