ECLI:NL:RBAMS:2025:9969

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
AMS 25/4580
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij handhavingsverzoek tegen gesloten horecabedrijf

Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend tegen een horecabedrijf dat volgens hem in strijd handelt met de regels van de mengformule, omdat de horeca-activiteit niet ondergeschikt zou zijn aan de detailhandelsactiviteit. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft dit verzoek afgewezen, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.

Tijdens de zitting heeft eiser aangegeven dat het bedrijf sinds april of mei 2025 niet meer op de locatie gevestigd is. De rechtbank heeft dit bevestigd gekregen van verweerder. Hierdoor is het doel van het beroep, namelijk het toepassen van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen tegen het bedrijf op die locatie, niet meer te bereiken. Het actuele belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep is daarmee komen te vervallen.

De rechtbank overweegt dat eiser geen schade of hinder heeft ondervonden van het bestreden besluit en dat zijn principiële bezwaren tegen andere ondernemingen die de mengformule toepassen geen reëel en actueel procesbelang opleveren. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat het bedrijf gesloten is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4580

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[bedrijf], vertegenwoordig door [de persoon].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het bedrijf [bedrijf], gevestigd aan de [adres] te Amsterdam. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn handhavingsverzoek en heeft daarom beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep
niet-ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een verzoek tot handhaving ingediend tegen het bedrijf [bedrijf] (hierna: het bedrijf). Eiser woont boven dit bedrijf. Het bedrijf zou volgens eiser in strijd handelen met de regels van de mengformule. Het bedrijf profileert en handelt als een horeca-etablissement en niet als winkel. De mengformule is toegestaan als de
horeca-activiteit ondergeschikt is aan de detailhandelsactiviteit en in dit geval is daarvan geen sprake volgens eiser.
2.1.
Verweerder heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 1 februari 2024 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt allereerst of eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser heeft namelijk op de zitting naar voren gebracht dat het bedrijf sinds april dan wel mei 2025 geen bedrijf meer uitoefent aan de [adres] te Amsterdam. Verweerder heeft bevestigd dat dit klopt, het bedrijf opereert niet meer op deze locatie. Nu eiser met deze procedure nastreeft dat de gemeente handhavend optreedt tegen dit bedrijf op deze locatie, en het bedrijf al een aantal maanden van deze locatie weg is, rijst de vraag of eiser met deze procedure nog kan bereiken waar het hem om te doen was. Handhaving tegen dit bedrijf op deze locatie is immers feitelijk niet meer mogelijk nu het bedrijf zich daar niet meer bevindt.
4. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. [1]
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de mengformule niet van toepassing is, want de horeca-activiteit is niet ondergeschikt. Het bedrijf stelt zich zowel aan de gevel als via reclame en uitstraling en op social media op als restaurant. De ruimte gebruikt voor tafels en stoelen is groter dan de toegestane 20%.
6. De rechtbank stelt vast dat op het moment van deze beoordeling geen sprake is van een overtreding. Zoals hierboven reeds vermeld is op de zitting gebleken dat (de vestiging van) het bedrijf aan de [adres] is gesloten. Van eventuele overtreding(en) kan dus geen sprake meer zijn, waardoor een eventueel gegrond beroep eiser niets meer oplevert. Hetgeen eiser wenst te bereiken met het beroep, namelijk het toepassen van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen jegens dit bedrijf op de genoemde locatie, kan nu het bedrijf zich daar niet meer bevindt, niet meer worden bereikt. Daarom is het actuele belang bij een beoordeling van het beroep komen te vervallen. Hierdoor heeft eiser geen belang bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank.
7. Gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat eiser schade dan wel hinder heeft ondervonden van het bestreden besluit. Eiser heeft ter zitting desgevraagd aangegeven toch een oordeel van de rechtbank te wensen ten aanzien van de besluitvorming van verweerder omdat hij zijn gelijk wil halen. Hij heeft in dit verband toegelicht dat hij met zijn broer al lange tijd op zoek is naar een geschikte locatie om een horecazaak te beginnen met een terras. Hiervoor heeft hij een exploitatievergunning nodig. Eiser stuit op hoge huren en er is een beperkt aanbod aan over te nemen horecazaken. Volgens eiser is er sprake van oneerlijke concurrentie. Hij moet namelijk concurreren met horecazaken die denken op de mengformule te kunnen handelen in leeg gekomen winkelpanden met lagere huren. Volgens eiser komen die horecazaken de regels niet na en wil de gemeente niet handhaven. Deze bedrijven kunnen volgens eiser goedkoper werken omdat er geen exploitatievergunning nodig is en bijvoorbeeld geen Bibob [2] -onderzoek.
8. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 juni 2007 (LJN:BA7087) [3] , is de bestuursrechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen als sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Waar een dergelijk geschil niet of niet langer bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. De rechtbank sluit zich bij voornoemde uitspraak van de Afdeling aan. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de principiële bezwaren die eiser heeft ten aanzien van andere ondernemingen die op grond van de mengformule detailhandel en horeca combineren, in deze procedure geen reëel en actueel procesbelang op.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij heeft verder geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5390.
2.Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3.Naar deze uitspraak is in uitspraken van rechtbank verwezen, bijvoorbeeld in de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost Brabant van 19 april 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ8759 r.o. 6.