ECLI:NL:RBAMS:2025:9972

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
25/772
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.M. Klinkhamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:68 AwbArt. 170 Wegenverkeerswet 1994Art. 24 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wegslepen auto wegens onvoldoende zichtbare RVV-ontheffing in laad- en loshaven

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om zijn auto weg te slepen van een laad- en loshaven en de kosten daarvan op hem te verhalen. Hij stelde dat hij een RVV-ontheffing had en dat de handhavend ambtenaren niet tien minuten hadden gewacht voordat zij zijn auto wegsleepten.

De rechtbank oordeelde dat het college de auto mocht wegslepen omdat de RVV-ontheffing onvoldoende zichtbaar was en er geen waarneembaar laden en lossen plaatsvond. De handhavend ambtenaren hadden volgens het proces-verbaal en de foto's vastgesteld dat de ontheffing niet duidelijk zichtbaar was en dat niemand bij de auto goederen aan het laden of lossen was.

Verder stelde de rechtbank vast dat het college wel degelijk tien minuten had gewacht voordat de auto werd weggesleept, ondanks de stelling van eiser dat hij kort geparkeerd had. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het wegslepen van zijn auto wegens onvoldoende zichtbare RVV-ontheffing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de auto van eiser weg te slepen van een laad- en loshaven en de kosten daarvan op eiser te verhalen. Eiser is het niet eens met dat besluit. Hij voert aan dat hij aan het werk was en een RVV-ontheffing heeft voor laad en loshavens. Daarnaast hebben de handhavend ambtenaren volgens eiser niet
tien minuten gewacht voordat zij besloten om zijn auto weg te slepen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de auto van eiser heeft mogen wegslepen en het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Met het besluit van 8 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het college de auto van eiser laten wegslepen van een plek bestemd voor het laden- en lossen van goederen (laad- en loshaven) en de kosten daarvan op eiser verhaald.
2.1.
Eiser heeft op 20 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.2.
Op 2 februari 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op het zijn bezwaar. [1]
2.3.
Met het besluit van 25 maart 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college op het bezwaar van eiser beslist. Zij is gebleven bij het primaire besluit. In reactie hierop heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend waarin hij aangeeft dat hij het niet eens is met het bestreden besluit.
2.4.
Op 5 augustus 2025 heeft het college op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op verzoek van de rechtbank heeft het college op 18 september 2025 aanvullende stukken ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
2.6.
Na de sluiting van het onderzoek heeft eiser op 13 oktober 2025 aanvullende stukken ingediend. De rechtbank heeft dit aangemerkt als een verzoek tot heropening van het onderzoek [2] , maar in de aanvullende stukken geen aanleiding gezien dat verzoek toe te wijzen. De stukken zijn daarom teruggestuurd aan eiser en behoren niet tot de gedingstukken in deze zaak.
2.7.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar
3. Het college heeft op 25 maart 2025 een inhoudelijk besluit op het bezwaar van eiser genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, al om die reden niet-ontvankelijk.
Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit
Is er sprake van een ontvankelijk beroep tegen het bestreden besluit?
4. Het college voert aan dat eiser geen ontvankelijk beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Omdat het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen nietontvankelijk is, kan de rechtbank volgens het college in het verlengde daarvan niet toekomen aan de inhoudelijke gronden gericht tegen het bestreden besluit.
4.1.
De rechtbank volgt het college niet in dit betoog. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [3] Dat geldt ook als het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. [4]
Heeft het college de auto van eiser mogen wegslepen?
5. Eiser betoogt dat het college zijn auto niet had mogen wegslepen van de laad- en loshaven. Eiser voert aan dat hij in het bezit is gesteld van een RVV-ontheffing en er bij aankomst bij de laad- en loshaven, iets na 07:00 uur, geen lege (fiscale) parkeervakken in de buurt beschikbaar waren. Verder stelt eiser dat hij een aggregaat ging ophalen uit een straat in de buurt en hij zijn auto daarom op de laad- en loshaven heeft neergezet. Daarnaast betoogt eiser dat de handhavend ambtenaren niet tien minuten hebben gewacht voordat werd overgegaan tot het wegslepen van zijn auto. Tussen de door de handhavend ambtenaren eerst en laatst genomen foto van zijn auto zitten namelijk maar drie minuten. Daarnaast heeft eiser op zitting een tankbon laten zien waaruit blijkt dat hij om 06:43 uur nog heeft afgerekend bij het tankstation op de [locatie 1] . Pas toen is hij naar de [locatie 2] gereden waar zijn auto is weggesleept. Daaruit volgt volgens eiser dat zijn auto dus maar heel kort op de laad- en loshaven heeft gestaan.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de auto van eiser kunnen wegslepen. Het college heeft deugdelijk en controleerbaar vastgesteld dat het voertuig van eiser zonder voldoende zichtbare RVV-ontheffing stond geparkeerd op een laad- en loshaven en verwijdering van het voertuig noodzakelijk was om die laad- en loshaven vrij te maken. [5]
5.2.
Hoewel eiser terecht aanvoert dat hij in het bezit is van een RVV-ontheffing waardoor hij geen gevolg hoeft te geven aan een E7-verkeersbord (laad- en loshaven) [6] , heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat die RVV-vergunning onvoldoende zichtbaar was. Het college mag volgens vaste jurisprudentie, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller weergeven. In dit geval heeft de handhavend ambtenaar bij het besluit om de auto weg te slepen als reden opgegeven dat hij niemand bij het voertuig van eiser zag laden- en lossen en de RVV-ontheffing niet duidelijk zichtbaar was. De foto’s van de RVV-ontheffing bij het bestreden besluit en de aanvullende stukken van het college bevestigen dat. Daaruit blijkt dat het rechter deel van de RVV-ontheffing (vanuit de beschouwer bezien) niet zichtbaar was achter de voorruit van eiser en dat juist daar het E7-verkeersbord op de RVV-ontheffing is weergegeven. Het is aan eiser is om ervoor te zorgen dat zijn RVV-ontheffing goed zichtbaar is en wanneer dat niet het geval is, komt dat voor zijn risico. Ook kan uit de foto’s in het dossier niet worden afgeleid dat eiser aan het laden en lossen was en daarom gebruik mocht maken van de laad- en loshaven. De stelling van eiser dat hij een aggregaat aan het ophalen was uit een straat in de buurt, is onvoldoende om dat aan te nemen. Van laden en lossen in namelijk alleen sprake indien het laden en lossen waarneembaar is en wel in die zin dat degene die de auto observeert, voortdurend iemand met goederen van enige omvang of gewicht heen en weer ziet lopen. [7]
5.3.
Het college heeft op zitting toegelicht dat eiser terecht stelt dat tien minuten wordt gewacht voordat wordt overgegaan tot het wegslepen van een auto, maar eiser ten onrechte aanvoert dat dit in zijn geval niet is gebeurd. Pas na tien minuten wachten, om 07:14 uur, is de eerste foto van de auto gemaakt en om 07:17 uur is de auto van eiser weggesleept. Ook de handhavend ambtenaar heeft in het besluit om de auto weg te slepen opgenomen dat hij gedurende tien minuten geen activiteiten bij de auto zag. De rechtbank stelt vast dat de aangevoerde omstandigheid dat eiser om 06:43 uur nog heeft afgerekend op de [locatie 1] onvoldoende is om aan te nemen dat het college niet tien minuten heeft gewacht voordat de auto is weggesleept. Zoals de rechtbank ook op zitting samen met partijen op Google Maps heeft nagekeken, duurt het tussen de 19 en 25 minuten om van de [locatie 1] naar de [locatie 2] te rijden. Eiser zal dus tussen 07:02 uur en 07:08 uur op de laad- en loshaven hebben geparkeerd. Dit sluit niet uit dat het college tien minuten heeft gewacht toen de auto om 07:17 uur werd weggesleept.
5.4.
De beroepsgronden slagen niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de auto van eiser daarom mogen wegslepen en de kosten daarvan (van € 452,-) op hem mogen verhalen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
De griffier is verhinderd te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:68 van Pro de Awb.
3.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
4.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 1 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2039, onder 2.3 en 16 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC9615, onder 2.3 en 2.4.
5.Artikel 170, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 24, eerste lid, aanhef en onder f, en bijlage I van het Regelement verkeersregel en verkeertegen 1990 (RVV 1990).
6.Eiser is in het bezit van een Ministeriele vrijstelling die hem vrijstelling verleent van artikel 62 van Pro het RVV 1990 mede voor zover het verkeerstekens op een E7-verkeersbord betreft.
7.Zie het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445 en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8020, onder 6.