ECLI:NL:RBAMS:2026:1037

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
13-309204-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over aanhouding en overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel met detentiegarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 januari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Frankrijk gericht op de overlevering van een persoon verdacht van mensenhandel. De opgeëiste persoon was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. De rechtbank stelde vast dat de identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon correct waren vastgesteld.

De Franse justitiële autoriteit verzocht overlevering wegens strafbare feiten die in Nederland als lijstfeiten gelden, waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. De rechtbank nam het algemene gevaar van schending van grondrechten in Franse detentieomstandigheden mee, met name vanwege overbevolking en onvoldoende leefruimte in meerpersoonscellen.

Ondanks herhaalde verzoeken ontving de rechtbank geen detentiegarantie van de Franse autoriteiten. Gezien het reële individuele gevaar van onmenselijke behandeling houdt de rechtbank de beslissing aan en stelt een termijn van 30 dagen voor ontvangst van nadere informatie. De uitspraak is op 3 februari 2026 gedaan door de rechtbank, die tevens de termijn voor uitspraak met 60 dagen verlengde.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan vanwege het ontbreken van een detentiegarantie en stelt een termijn van 30 dagen voor ontvangst van nadere informatie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-309204-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 24 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2025 door
the Public Prosecutor at the Judicial Court of Dunkirk,Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] (Syrië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal.
Op 18 december 2025 is de opgeëiste persoon door de officier van justitie in vrijheid gesteld, vanwege het verstrijken van de bewaringtermijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Syrische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
arrest warrantvan 14 november 2025, uitgevaardigd door een onderzoeksrechter van
the Judicial Court of Dunkirk. Prosecution file n°: 25317000081 and Investigation file n°: JI JI225000013.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
mensenhandel.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW Pro: Franse detentieomstandigheden

Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. [4] Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan drie m². Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk.
Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 1 december 2025 gevraagd waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn.
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen gevolg dient te worden gegeven aan het EAB, omdat er al diverse keren om een detentiegarantie is gevraagd en er geen enkele reactie van de Franse autoriteiten is gekomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of de behandeling van de zaak moet worden aanhouden om de detentiegarantie af te wachten of dat er, wegens het ontbreken van detentiegarantie, geen gevolg dient te worden geven aan het EAB. Op 12 december 2025 is de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd om een detentiegarantie. Er is gerappelleerd bij de Franse autoriteiten op 11 december 2025, op 16 december 2025 via de liaisonofficier, op 29 december 2025 en op 12 januari 2026. De rappels zijn gestuurd naar het emailadres waarvan het Openbaar Ministerie ook de vertaling van het EAB heeft ontvangen. Er is geen reactie gekomen.
Oordeel van de rechtbank
Van de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit is geen reactie gekomen op het verzoek en de rappels daarop om informatie over waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden daar zijn. Het vastgestelde algemene gevaar is dan ook niet weggenomen en de rechtbank stelt daarom vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat.
Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan, omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden optreedt.
De rechtbank stelt hierbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn van 30 dagen waarbinnen dergelijke informatie dient te worden ontvangen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze redelijke termijn (4 maart 2025) en veertien dagen voor het verstrijken van de beslistermijn, dus tussen 5 maart 2026 en 2 april 2026, zodat nagegaan kan worden of een wijziging in de omstandigheden binnen de termijn van 30 dagen is opgetreden. Op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen.
Wanneer binnen de hierboven gestelde redelijke termijn geen wijziging in de omstandigheden is opgetreden, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting
tussen 5 maart 2026 en 2 april 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk voor de Arabische taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751)