ECLI:NL:RBAMS:2025:5751

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
13-108643-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Frankrijk

Op 5 augustus 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Franse autoriteiten. De opgeëiste persoon, geboren in Irak en momenteel gedetineerd in Nederland, is niet verschenen op de zittingen, maar wordt vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB geschorst om aanvullende informatie van de Franse autoriteiten te verkrijgen over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling in Franse detentie-instellingen, met name voor mannelijke gedetineerden, vanwege overbevolking en slechte omstandigheden. De rechtbank heeft de beslistermijn voor de overlevering verlengd en het onderzoek geschorst om de officier van justitie in staat te stellen verdere vragen aan de Franse autoriteiten te stellen. De zaak zal binnen een maand opnieuw worden behandeld, waarbij de rechtbank de opgeëiste persoon zal oproepen en een tolk zal inschakelen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/108643-25
Datum uitspraak: 5 augustus 2025
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 24 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2025 door de
Procureur de la République près le
Tribunal Judiciaire de Lille, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Irak),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 11 juni 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juni 2025. in
aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is - conform de
door hem ondertekende afstandsverklaring van 10 juni 2025 - niet verschenen. De opgeëiste
persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. L.D. Lubrano, advocaat te
Rotterdam.
De rechtbank heeft ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd om het antwoord van de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit op de vraag waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst zal worden, af te wachten.
Zitting van 1 juli 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB met instemming van de raadsvrouw en de
officier van justitie in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 1 juli 2025, in
aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is - conform de door hem ondertekende afstandsverklaring van 30 juni 2025 - niet verschenen en is
vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw. [2]
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW)
uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [3] Daarnaast heeft de rechtbank de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW nogmaals met dertig dagen verlengd - ingaand op het moment waarop de termijn van negentig dagen verstrijkt - onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Tussenuitspraak van 15 juli 2025
De rechtbank heeft op 15 juli 2025 een tussenuitspraak gewezen, [4] waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst, om partijen in de gelegenheid te stellen zich op de volgende zitting uit te laten over de in overweging 5 van de tussenuitspraak genoemde statistische gegevens.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van
artikel 22, vijfde lid, OLW nog eens met dertig dagen verlengd en gelijktijdig de
gevangenhouding verlengd met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 22 juli 2025
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 juli 2025, in aanwezigheid van mr. W. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. D.J. Troost, die waarneemt voor haar kantoorgenoot
mr. L.B. Lubrano, beiden advocaat te Amsterdam.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Iraakse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 15 juli 2025

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 15 juli 2025 reeds is
geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en de strafbaarheid van de feiten. Hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW; Franse detentieomstandigheden

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 15 juli 2025 ten aanzien van de detentieomstandigheden, die hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Op 1 juli 2025 is van de Franse autoriteiten de volgende aanvullende informatie ontvangen.
"I can assure you that [opgeëiste persoon] will not be held in the SEQUEDIN penitentiary but will be incarcerated in the LILLE-ANNOEULLIN penitentiary."
De rechtbank is in een andere zaak bekend geraakt met statistische gegevens van de
Direction de l’Administration Pénitentiaire Bureau de la donnée, de la recherche et de l’évaluationvan het Franse
Ministère de la Justice [5] betreffende de bezettingsgraad in Franse detentie-instellingen. De rechtbank heeft een deel van deze gegevens laten vertalen en deze voorafgaand aan de zitting aan partijen doen toekomen met het verzoek om hierover een standpunt in te nemen.
4.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de voornoemde statistische gegevens op het standpunt gesteld dat een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon bij overlevering wordt blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), omdat veel detentie-instellingen in Frankrijk overbevolkt zijn. In het Huis van Bewaring in Lille-Annoeullin is de bezettingsgraad 157,6 procent. De Franse autoriteiten hebben geen garantie geboden dat de opgeëiste persoon in Lille-Annoeuillin minimaal 3 m² persoonlijke ruimte exclusief sanitaire voorzieningen binnen een cel zal hebben en de activiteiten buiten de cel hebben niet voldoende compenserende werking. Aan het overleveringsverzoek moet geen gevolg worden gegeven op grond van artikel 11 OLW.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie constateert, onder verwijzing naar de voornoemde statistische gegevens, dat de bezettingsgraad in de detentie-instelling Lille-Annoeuillin te hoog is. Het openbaar ministerie heeft meer tijd nodig om vragen te stellen over de detentieomstandigheden in het Huis van Bewaring in Lille-Annoeuillin. De officier van justitie verzoekt om de zaak aan te houden en om de beslistermijn te verlengen met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de te hoge bezettingsgraad niet geldt voor elk Huis van Bewaring of afdeling daarvan binnen een penitentiaire inrichting (hierna gezamenlijk aangeduid als HvB) in Frankrijk, waardoor er geen algemeen gevaar kan worden aangenomen voor alle HvB’s in Frankrijk. Zo zijn er in de regio Straatsburg HvB’s met een bezettingsgraad van rond de 100 procent.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Toetsingskader
Voor de beoordeling van de detentieomstandigheden sluit de rechtbank aan bij een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 oktober 2019. [6] Uit dit arrest volgt onder meer dat wanneer een gedetineerde over minder dan 3 m2 aan persoonlijke ruimte beschikt in een meerpersoonscel, dit een sterk vermoeden van schending van het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich meebrengt. [7] Dit sterke vermoeden van schending van het in artikel 4 Handvest bedoelde verbod kan blijkens het arrest normaliter enkel worden weerlegd indien: [8]
- de persoonlijke ruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale 3 m2;
- hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel wordt geboden en buiten de cel passende activiteiten worden aangeboden;
- in de inrichting in het algemeen sprake is van decente detentieomstandigheden en de betrokkene niet wordt onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden.
Uit het voornoemde arrest volgt daarnaast dat wanneer een gedetineerde beschikt over een persoonlijke ruimte tussen 3 en 4 m2 in een meerpersoonscel, geconcludeerd kan worden dat sprake is van een schending van het in artikel 4 Handvest bedoelde verbod indien het gebrek aan ruimte gepaard gaat met andere slechte materiële detentieomstandigheden, in het bijzonder het ontbreken van toegang tot een binnenplaats of tot frisse lucht en daglicht, slechte ventilatie, te lage of te hoge binnentemperaturen, gebrek aan privacy op het toilet of slechte sanitaire en hygiënische omstandigheden. [9]
Wanneer een gedetineerde beschikt over meer dan 4 m2 aan persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel en dit aspect van zijn materiële detentieomstandigheden dus geen problemen oplevert, blijven de andere aspecten van deze omstandigheden relevant voor de beoordeling of de detentieomstandigheden van de betreffende gedetineerde adequaat zijn in het licht van artikel 4 Handvest. [10]
Bij de berekening van de beschikbare persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel mag de ruimte die wordt ingenomen door sanitaire voorzieningen niet worden meegerekend. [11]
Toepassing van het toetsingskader in deze zaak
Uit tabel 11 van de statistische gegevens van de
Direction de l’Administration Pénitentiaire Bureau de la donnée, de la recherche et de l’évaluationvan het Franse
Ministère de la Justicevan 1 mei 2025 (tabel hieronder ingevoegd), volgt dat op 1 mei 2025 alleen in HvB’s sprake was van overbevolking. In alle andere soorten instellingen was geen sprake van een gemiddelde bezettingsgraad van hoger dan 100 procent. De gemiddelde bezettingsgraad in de HvB’s per 1 mei 2025 is 163,2 procent..
Het probleem met overbevolking lijkt zich dan ook enkel in structurele mate voor te doen in HvB’s
De rechtbank constateert daarnaast dat de algemene detentiepopulatie in Frankrijk sinds mei 2020 in alle categorieën (in min of meerdere mate) steeds is gestegen. Dit blijkt uit
grafiek 3a,
: Maandelijkse ontwikkeling van de aantallen geregistreerde personen en geregistreerde gedetineerden, hieronder (uit de brontekst) ingevoegd.
Weliswaar kan uit de tabel niet zonder meer worden afgeleid dat deze stijging zich in de afgelopen jaren in de HvB’s heeft voorgedaan, maar de rechtbank acht dat wel waarschijnlijk nu de overbevolking zich vooral daar voordoet. Tabel 24 in de voornoemde statistische gegevens biedt een overzicht van alle Franse detentie-instellingen waar de bezettingsgraad hoger dan 120 procent is. De rechtbank constateert dat de overgrote meerderheid, namelijk 116 van de 127 (afdelingen van) van detentie-instellingen die in deze tabel zijn opgenomen, HvB’s zijn.
De statistische gegevens weerspiegelen wat de rechtbank betreft ook het beeld dat volgt uit de rapporten die
the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(hierna: CPT) in de loop der jaren ten aanzien van de detentieomstandigheden in Frankrijk heeft uitgebracht. In de rapporten naar aanleiding van de periodieke bezoeken in 2010 [12] , 2015 [13] en 2019 [14] wordt telkens aandacht gevraagd voor de ernstige overbevolking in de bezochte detentie-instellingen. Naar aanleiding van het periodieke bezoek in 2024 is nog geen rapport uitgebracht, maar in het nieuwsbericht dat het CPT heeft gepubliceerd naar aanleiding van dit bezoek staat wel dat de bezochte detentie-instellingen te maken hebben met
“severe challenges linked to overcrowding”. [15]
Voor bepaalde detentie-instellingen heeft de rechtbank al eerder een algemeen gevaar aangenomen. Voor deze specifieke instellingen constateerde de rechtbank dat de opgeëiste personen over minder dan 3 m² zouden beschikken en dat onvoldoende compenserende factoren aanwezig waren. [16]
Uit de voornoemde statistieken en rapporten blijkt dat deze overbevolking zich structureel, wijdverspreid en in ernstige mate voordoet in de HvB’s.
De statistieken bevatten een aparte tabel (tabel 36) waarin onder meer de bezettingsgraad van plaatsen voor vrouwen in de detentie-instellingen wordt weergegeven. Daaruit volgt dat er ook vrouwenafdelingen zijn die kampen met overbevolking, maar in significant mindere mate. [17] De rechtbank leidt hieruit af dat het structurele probleem van overbevolking zich met name voordoet in de afdelingen van HvB’s waar mannelijke gedetineerden zijn gehuisvest.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de problematiek van overbevolking in de mannenafdelingen van Franse HvB’s dermate ernstig, wijdverspreid en structureel is dat aanleiding bestaat om voor alle mannenafdelingen van HvB’s aan te nemen dat er een algemeen reëel risico bestaat dat opgeëiste personen die na overlevering daar worden gedetineerd, zullen worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 Handvest, omdat er een reëel risico bestaat dat zij gedetineerd worden in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m².
Uit de afkortingslijst bij de statistische gegevens volgt dat zowel verdachten, als personen met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar in HvB’s worden gedetineerd. [18] Nu de opgeëiste persoon – nog afgezien van het feit dat hij aanspraak kan maken op de gegeven verzetgarantie, waardoor de veroordeling nog niet onherroepelijk is – een reststraf heeft van niet meer dan twee jaar, is het hiervoor aangenomen algemeen reëel gevaar op hem van toepassing.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in voornoemde detentie-instellingen, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in deze detentie-instellingen, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de opgeëiste persoon bij overlevering onmenselijk of vernederend zal worden behandeld. [19]
Om te verzekeren dat artikel 4 van het Handvest in het concrete geval wordt geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens concreet en nauwkeurig na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Frankrijk een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van dat artikel wegens de omstandigheden waarin hij in de uitvaardigende lidstaat zal worden gedetineerd. [20]
Dit leidt ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1. Kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon zal beschikken over een individuele leefruimte (
personal space) van minstens dan 3 m² exclusief sanitaire voorzieningen in een meerpersoonscel, gelet op het arrest Dorobantu? [21]
2. Zo nee, dan heeft de rechtbank ook de volgende aanvullende vragen:
a. kan ten aanzien van de opgeëiste persoon gegarandeerd worden dat een dergelijke reductie van de individuele leefruimte ten opzichte van de vereiste minimale 3 m² enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate zal plaatsvinden?
b. wordt hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel geboden en worden hierbij buiten de cel passende activiteiten geboden?
c. is in deze penitentiaire inrichting verder sprake van decente detentieomstandigheden en wordt de opgeëiste persoon niet onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden?
In afwachting van het antwoord op voornoemde vragen, zal de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van 22, derde lid, OLW moet beslissen met 30 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen de verlengde termijn van 30 dagen wederom op zitting zal worden aangebracht.

5.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voornoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
VERLENGTde beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk twee weken vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 20 oktober 2025) opnieuw op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Koerdische (Sorani) taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 augustus 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Op de afstandsverklaring is 30-7-2025 opgeschreven als datum van ondertekening. De rechtbank gaat uit van
3.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Rb Amsterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4974.
5.https://www.justice.gouv.fr/documentation/etudes-et-statistiques/statistiques-mensuenes-population-detenue-
6.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (
8.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (
9.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (
10.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (
11.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (
12.CPT/Inf (2012) 13
13.CPT/Inf (2017) 7
14.CPT/Inf (2021) 14
15.https://www.coe.int/en/web/cpt/-/the-council-of-europe-s-anti-torture-committee-cpt-visits-france
16.Zie onder andere: rb Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3763 (ten aanzien van Nîmes); rb Amsterdam 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5123 (ten aanzien van Nanterre); rb Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:782 (ten aanzien van Bois d'Arcy); rb Amsterdam 20 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4047 (ten aanzien van Lille-Loos-Sequedin); rb Amsterdam 29 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5399 (ten aanzien van Toulouse en Montauban); rb Amsterdam 3 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6162 (ten aanzien van Metz).
17.In 14 van de 49 vrouwenafdelingen is de overbevolking groter dan 120 procent.
19.HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, punten 91 en 93).
20.HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, punten 92 en 94).
21.HvJ EU 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (