4.4Oordeel van de rechtbank
Voor de beoordeling van de detentieomstandigheden sluit de rechtbank aan bij een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 oktober 2019.Uit dit arrest volgt onder meer dat wanneer een gedetineerde over minder dan 3 m2 aan persoonlijke ruimte beschikt in een meerpersoonscel, dit een sterk vermoeden van schending van het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich meebrengt.Dit sterke vermoeden van schending van het in artikel 4 Handvest bedoelde verbod kan blijkens het arrest normaliter enkel worden weerlegd indien:
- de persoonlijke ruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale 3 m2;
- hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel wordt geboden en buiten de cel passende activiteiten worden aangeboden;
- in de inrichting in het algemeen sprake is van decente detentieomstandigheden en de betrokkene niet wordt onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden.
Uit het voornoemde arrest volgt daarnaast dat wanneer een gedetineerde beschikt over een persoonlijke ruimte tussen 3 en 4 m2 in een meerpersoonscel, geconcludeerd kan worden dat sprake is van een schending van het in artikel 4 Handvest bedoelde verbod indien het gebrek aan ruimte gepaard gaat met andere slechte materiële detentieomstandigheden, in het bijzonder het ontbreken van toegang tot een binnenplaats of tot frisse lucht en daglicht, slechte ventilatie, te lage of te hoge binnentemperaturen, gebrek aan privacy op het toilet of slechte sanitaire en hygiënische omstandigheden.
Wanneer een gedetineerde beschikt over meer dan 4 m2 aan persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel en dit aspect van zijn materiële detentieomstandigheden dus geen problemen oplevert, blijven de andere aspecten van deze omstandigheden relevant voor de beoordeling of de detentieomstandigheden van de betreffende gedetineerde adequaat zijn in het licht van artikel 4 Handvest.
Bij de berekening van de beschikbare persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel mag de ruimte die wordt ingenomen door sanitaire voorzieningen niet worden meegerekend.
Toepassing van het toetsingskader in deze zaak
Uit tabel 11 van de statistische gegevens van de
Direction de l’Administration Pénitentiaire Bureau de la donnée, de la recherche et de l’évaluationvan het Franse
Ministère de la Justicevan 1 mei 2025 (tabel hieronder ingevoegd), volgt dat op 1 mei 2025 alleen in HvB’s sprake was van overbevolking. In alle andere soorten instellingen was geen sprake van een gemiddelde bezettingsgraad van hoger dan 100 procent. De gemiddelde bezettingsgraad in de HvB’s per 1 mei 2025 is 163,2 procent..
Het probleem met overbevolking lijkt zich dan ook enkel in structurele mate voor te doen in HvB’s
De rechtbank constateert daarnaast dat de algemene detentiepopulatie in Frankrijk sinds mei 2020 in alle categorieën (in min of meerdere mate) steeds is gestegen. Dit blijkt uit
grafiek 3a,
: Maandelijkse ontwikkeling van de aantallen geregistreerde personen en geregistreerde gedetineerden, hieronder (uit de brontekst) ingevoegd.
Weliswaar kan uit de tabel niet zonder meer worden afgeleid dat deze stijging zich in de afgelopen jaren in de HvB’s heeft voorgedaan, maar de rechtbank acht dat wel waarschijnlijk nu de overbevolking zich vooral daar voordoet. Tabel 24 in de voornoemde statistische gegevens biedt een overzicht van alle Franse detentie-instellingen waar de bezettingsgraad hoger dan 120 procent is. De rechtbank constateert dat de overgrote meerderheid, namelijk 116 van de 127 (afdelingen van) van detentie-instellingen die in deze tabel zijn opgenomen, HvB’s zijn.
De statistische gegevens weerspiegelen wat de rechtbank betreft ook het beeld dat volgt uit de rapporten die
the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(hierna: CPT) in de loop der jaren ten aanzien van de detentieomstandigheden in Frankrijk heeft uitgebracht. In de rapporten naar aanleiding van de periodieke bezoeken in 2010, 2015en 2019wordt telkens aandacht gevraagd voor de ernstige overbevolking in de bezochte detentie-instellingen. Naar aanleiding van het periodieke bezoek in 2024 is nog geen rapport uitgebracht, maar in het nieuwsbericht dat het CPT heeft gepubliceerd naar aanleiding van dit bezoek staat wel dat de bezochte detentie-instellingen te maken hebben met
“severe challenges linked to overcrowding”.
Voor bepaalde detentie-instellingen heeft de rechtbank al eerder een algemeen gevaar aangenomen. Voor deze specifieke instellingen constateerde de rechtbank dat de opgeëiste personen over minder dan 3 m² zouden beschikken en dat onvoldoende compenserende factoren aanwezig waren.
Uit de voornoemde statistieken en rapporten blijkt dat deze overbevolking zich structureel, wijdverspreid en in ernstige mate voordoet in de HvB’s.
De statistieken bevatten een aparte tabel (tabel 36) waarin onder meer de bezettingsgraad van plaatsen voor vrouwen in de detentie-instellingen wordt weergegeven. Daaruit volgt dat er ook vrouwenafdelingen zijn die kampen met overbevolking, maar in significant mindere mate.De rechtbank leidt hieruit af dat het structurele probleem van overbevolking zich met name voordoet in de afdelingen van HvB’s waar mannelijke gedetineerden zijn gehuisvest.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de problematiek van overbevolking in de mannenafdelingen van Franse HvB’s dermate ernstig, wijdverspreid en structureel is dat aanleiding bestaat om voor alle mannenafdelingen van HvB’s aan te nemen dat er een algemeen reëel risico bestaat dat opgeëiste personen die na overlevering daar worden gedetineerd, zullen worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 Handvest, omdat er een reëel risico bestaat dat zij gedetineerd worden in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m².
Uit de afkortingslijst bij de statistische gegevens volgt dat zowel verdachten, als personen met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar in HvB’s worden gedetineerd.Nu de opgeëiste persoon – nog afgezien van het feit dat hij aanspraak kan maken op de gegeven verzetgarantie, waardoor de veroordeling nog niet onherroepelijk is – een reststraf heeft van niet meer dan twee jaar, is het hiervoor aangenomen algemeen reëel gevaar op hem van toepassing.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in voornoemde detentie-instellingen, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in deze detentie-instellingen, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de opgeëiste persoon bij overlevering onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.
Om te verzekeren dat artikel 4 van het Handvest in het concrete geval wordt geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens concreet en nauwkeurig na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Frankrijk een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van dat artikel wegens de omstandigheden waarin hij in de uitvaardigende lidstaat zal worden gedetineerd.
Dit leidt ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1. Kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon zal beschikken over een individuele leefruimte (
personal space) van minstens dan 3 m² exclusief sanitaire voorzieningen in een meerpersoonscel, gelet op het arrest Dorobantu?
2. Zo nee, dan heeft de rechtbank ook de volgende aanvullende vragen:
a. kan ten aanzien van de opgeëiste persoon gegarandeerd worden dat een dergelijke reductie van de individuele leefruimte ten opzichte van de vereiste minimale 3 m² enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate zal plaatsvinden?
b. wordt hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel geboden en worden hierbij buiten de cel passende activiteiten geboden?
c. is in deze penitentiaire inrichting verder sprake van decente detentieomstandigheden en wordt de opgeëiste persoon niet onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden?
In afwachting van het antwoord op voornoemde vragen, zal de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van 22, derde lid, OLW moet beslissen met 30 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen de verlengde termijn van 30 dagen wederom op zitting zal worden aangebracht.