ECLI:NL:RBAMS:2026:1070

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
25-030260
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 36b SrArt. 552f SvArt. 254ba Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beklag tegen voortzetting beslag op telefoon in zedendelictonderzoek

Op 4 november 2025 deed de vrouw van de klager aangifte van mishandeling en een zedendelict tegen de klager. Naar aanleiding hiervan werd de telefoon van de klager in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv Pro. De officier van justitie kreeg toestemming van de rechter-commissaris om de telefoon te onderzoeken op mediabestanden die relevant zijn voor het onderzoek.

De klager verzocht om teruggave van de telefoon, stellende dat het beslag disproportioneel is vanwege de verstrekkende gevolgen van het verlies van een telefoon in het dagelijks leven. De officier van justitie verzette zich hiertegen, stellende dat het onderzoek nog niet is afgerond en dat mogelijk strafbaar beeldmateriaal op de telefoon staat, wat kan leiden tot onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, mede omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de telefoon later onttrokken zal worden aan het verkeer. De rechtbank vond de belangenafweging in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit in het voordeel van het voortzetten van het beslag, mede vanwege de aard van het mogelijke bewijs en het belang van de strafvordering.

Het beklag werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.

Uitkomst: Het beklag tegen het voortduren van het beslag op de telefoon wordt ongegrond verklaard vanwege het strafvorderlijk belang en mogelijke aanwezigheid van strafbare beelden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
raadkamernummer : 25-030260
datum : 27 januari 2026
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsman mr. H.E. Brink,
[adres] (postbus [nummer] , [plaatsnaam] ),
hierna te noemen: de klager (ook de beslagene).

Feiten en procesverloop

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de behandeling van het klaagschrift de volgende feiten en gang van zaken vast.
Op 4 november 2025 heeft [vrouw van klager] , de vrouw van de klager, aangifte tegen de klager gedaan, aanvankelijk ter zake van mishandeling en nadien van een zedendelict (verkrachting); zij beschuldigt de klager ervan dat zij tijdens de seks bepaalde dingen moest doen en dat de klager attributen gebruikte waar zij niet achter stond, dat zij is gepenetreerd door een komkommer en courgette, zowel vaginaal als anaal en dat zij dit niet wilde en dat de klager haar tijdens de seks sloeg en dat dat pijn deed.
Op 4 november 2025 is op grond van artikel 94 Sv Pro (waarheidsvinding) onder de klager zijn telefoon (Samsung Ultra 24) in beslag genomen. Op de kennisgeving van inbeslagneming staat als reden vermeld dat de telefoon mogelijk wordt gebruikt voor het vastleggen van strafbare feiten.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 13 november 2025 de vordering van de officier van justitie tot kort gezegd het verkrijgen voor onderzoek van de telefoon toegewezen.
De officier van justitie heeft op 14 november 2025 bevolen dat onderzoek wordt gedaan naar de mediabestanden (audio, video, afbeeldingen etc.) die op de telefoon staan betreffende de periode van 1 oktober 2025 tot en met 4 november 2025.
De officier van justitie heeft bij e-mail van 20 november 2025 de raadsman van de klager laten weten dat het politieonderzoek is gericht op het seksueel geweld en dat de telefoon dient te worden uitgelezen teneinde de afgelegde verklaringen van de vrouw van de klager als die van de klager te kunnen verifiëren.
Het klaagschrift is op 25 november 2025 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 9 januari 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 13 januari 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigde raadsman van de klager mr. H.E. Brink en de officier van justitie mr. D. Jironet-Loewe op zitting gehoord. De klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van de in beslag genomen telefoon.
Het klaagschrift houdt (samengevat) het volgende in. De klager wordt door de inbeslagname van zijn telefoon en het voortduren daarvan buitengewoon en disproportioneel belast. Een ‘telefoon’ is vandaag de dag niet langer louter een ‘telefoon’. Het is een computer waarin alles zit waarmee iemand zich verhoudt tot de hedendaagse samenleving. Het verlies van een telefoon ten gevolge van voortduring van beslag heeft verstrekkend beperkende consequenties op het gebied van identiteit, financiën, mobiliteit, sociale én professionele verhoudingen en zo meer. Ofschoon de politie binnen het kader van de opsporing ruimhartig gebruikmaakt van de haar toekomende bevoegdheid een telefoon in beslag te nemen, wordt daarbij zelden nog een zuivere belangenafweging toegepast met inachtneming van beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, afgezet tegen voormelde consequenties. De klager verzoekt de rechtbank deze afweging wél te maken met inachtneming van genoemde beginselen en te oordelen dat verdere voortduring van het beslag zich niet langer verhoudt tot enig strafvorderlijk te rechtvaardigen belang, weshalve opheffing van het beslag en teruggave van de telefoon aan de klager opportuun is.
De raadsman van de klager heeft in raadkamer het bezwaar herhaald en betoogd dat de klager moet worden beschermd tegen de overheid en opgemerkt dat de telefoon op 4 november 2025 in beslag genomen, dat de politie reeds meer dan twee maanden de tijd heeft gehad om de (video)beelden die op de telefoon zouden staan te onderzoeken en dat het nu mooi is geweest en dat de telefoon, die heel belangrijk is voor de klager, aan de klager moet worden teruggegeven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de in beslag genomen telefoon aan de klager en heeft daartoe (samengevat) het volgende aangevoerd. Naar aanleiding van de aangifte op 4 november 2025 van de vrouw van de klager ter zake van mishandeling en verkrachting tegen de klager is diens telefoon in beslag genomen voor onderzoek dat is gericht op het seksueel geweld. De rechter-commissaris heeft op 13 november 2025 op vordering van de officier van justitie beslist dat de telefoon mag worden onderzocht. De Digitale Opsporing heeft inmiddels toegang tot de telefoon verkregen. De mediabestanden (audio, video, afbeeldingen etc.) die op de telefoon staan, zijn veiliggesteld en gekopieerd. Het onderzoek aan de mediabestanden moet echter nog worden uitgevoerd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, omdat mocht op de telefoon schadelijk en/of strafbaar beeldmateriaal worden aangetroffen dan zal het Openbaar Ministerie te zijner tijd vorderen dat de telefoon wordt verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag – zoals hier het geval is – moet de rechtbank eerst beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave bevolen.
Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het gaan om het aan de dag brengen van de waarheid. Het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter die later in de strafzaak zal oordelen de verbeurdverklaring zal uitspreken of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal opleggen al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in samenhang met artikel 552f Sv.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken. Op 4 november 2025 heeft de vrouw van klager aangifte tegen hem gedaan van onder meer een zedendelict (verkrachting). In het verhoor van de klager wordt door de politie opgemerkt dat de vrouw van de klager heeft verklaard dat zij is gepenetreerd door een komkommer en courgette, zowel vaginaal als anaal en dat zij dit niet wilde. De klager heeft op vragen van de politie of ‘er ook filmpjes gemaakt met de attributen’ gemaakt zijn, geantwoord: ‘Ja ik heb wel films hiermee, ja.’ en dat die filmpjes op zijn telefoon staan. De klager heeft naar aanleiding van vragen van de politie verder verklaard dat hij en zijn vrouw de seks filmden en dat op dit moment nog seksfilmpjes op zijn telefoon staan.
In artikel 254ba lid 1 Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een visuele weergave van seksuele aard van een persoon en het beschikken over een dergelijke visuele weergave terwijl diegene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze door of als gevolg van bovengenoemde handeling is verkregen strafbaar gesteld.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1716 onder meer het volgende overwogen:
‘3.5.1. Op grond van artikel 36b tot en met 36d Sr kan onder de in die bepalingen genoemde omstandigheden de onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen voorwerp worden opgelegd als dat voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Hieruit volgt dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard, in strijd is met de wet of het algemeen belang (vgl. HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626).
3.5.2 Als een in beslag genomen gegevensdrager één of meer bestanden bevat waarop (bijvoorbeeld) ‘kinderporno’ of ‘dierenporno’ is afgebeeld, kan dat leiden tot de onttrekking aan het verkeer van die gegevensdrager op de grond dat het ongecontroleerde bezit van de gegevensdrager als zodanig in strijd is met de wet en het algemeen belang. Hierbij is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2244 heeft geoordeeld dat geen steun vindt in het recht de opvatting dat de afzonderlijke bestanden/gegevens op een gegevensdrager evenzoveel voorwerpen zijn waarop het beslag rust en zijn te beschouwen als afzonderlijke voorwerpen als bedoeld in artikel 36b Sr.
3.5.3 Als de rechter de onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen voorwerp oplegt, kan hij de effectuering van deze maatregel niet afhankelijk stellen van een voorwaarde (vgl. HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3309). Dat neemt niet weg dat de rechter op grond van artikel 33c lid 2 in samenhang met artikel 36b lid 2 Sr een geldelijke tegemoetkoming kan toekennen als dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen (vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156).’
Een telefoon (smartphone) als zodanig is geen voorwerp is dat bij normaal gebruik van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Als op een telefoon echter afbeeldingen en/of videobestanden staan waarop iemand is te zien die onvrijwillig seks heeft en/of onvrijwillig seksuele handelingen moet verrichten of ondergaan (‘een visuele weergave van seksuele aard’ die opzettelijk en wederrechtelijk is vervaardigd’) dan brengt dat mee dat het ongecontroleerde bezit daarvan wel in strijd is met de wet of het algemeen belang kan zijn. …
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat als de telefoon van de klager inderdaad beelden bevat van een zedendelict – hetgeen nog moet worden onderzocht – het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter die later zal oordelen al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid aanhef en onder 4°, Sr in samenhang met artikel 552f Sv, de in beslag genomen telefoon zal onttrekken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit van de telefoon in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.
De raadsman van de klager heeft verzocht een belangenafweging te maken met inachtneming van beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, kijkt de rechtbank naar de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het Openbaar Ministerie wordt ingebracht. Er komt verder betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. [1] De rechtbank is van oordeel dat mede gelet op de weinig concrete onderbouwing van de belangen van de klager, voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank betrekt hierbij dat als sprake is van een voorwerp waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en/of het algemeen belang de voortzetting van het beslag niet snel niet langer niet in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zal zijn.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Tegen de beslissing staat voor de klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van de beslissing.

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128,