ECLI:NL:RBAMS:2026:1071

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
81-114315-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 552a SvArt. 181 lid 1 SvArt. 328ter lid 1 SrArt. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beklag ongegrond over filtering van digitaal verschoningsgerechtigd materiaal op laptop verdachte

De advocaten van verdachte [persoon] dienden een klaagschrift in tegen de wijze waarop de rechter-commissaris de digitale gegevens op de in beslag genomen laptop had laten filteren op verschoningsgerechtigde informatie. De laptop was in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen vanwege verdenkingen van passieve niet-ambtelijke omkoping en onjuiste belastingaangiften.

De rechter-commissaris had een filtering laten uitvoeren door een geheimhoudersfunctionaris van de FIOD, op basis van door de advocaten aangeleverde zoektermen. Na automatische filtering volgde een steekproef en een aanvullende zoekslag, waarbij bijzondere aandacht werd besteed aan documenten die mogelijk onder het verschoningsrecht vielen. De advocaten kregen gelegenheid om te reageren, maar maakten hiervan geen gebruik.

De rechtbank oordeelt dat de filtering zorgvuldig en in lijn met recente arresten van de Hoge Raad is uitgevoerd, waarbij het verschoningsrecht voldoende is gewaarborgd. De rechtbank wijst het klaagschrift af omdat de advocaten onvoldoende concreet hebben gemaakt welke stukken onterecht niet als verschoningsgerechtigd zijn aangemerkt. De rechtbank bevestigt dat stukken die niet expliciet aan de advocaten zijn toevertrouwd, niet zonder meer onder het verschoningsrecht vallen.

De beslissing van de rechter-commissaris wordt bekrachtigd en het beklag wordt ongegrond verklaard. De advocaten kunnen tegen deze beslissing beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.

Uitkomst: Het beklag van de advocaten over de filtering van verschoningsgerechtigde digitale gegevens op de laptop van hun cliënt wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 81-114315-23 ( [naam 1] )
raadkamernummer : 25-027149
datum : 13 januari 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98 in Pro verbinding met 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
mr. [klaagster] en mr. [klager 2] ,
kantoorhoudende aan het [adres] ,
hierna respectievelijk te noemen: klaagster en klager en gezamenlijk te noemen: klagers.

1.Feiten en procesverloop

1.1
De klagers, werkzaam bij [naam document 1] , zijn de advocaten van [persoon] (hierna: [persoon] ), en staan hem bij inzake zijn fiscaal dispuut met de Belastingdienst.
1.2
[persoon] wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan:
- passieve niet-ambtelijke omkoping, strafbaar gesteld in artikel 328ter lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), over de periode 1 mei 2009 tot en met 28 februari 2023, en
- het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2022, strafbaar gesteld in artikel 69 lid 2 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
1.3
Op 30 september 2024 heeft in de woning van [persoon] een doorzoeking plaatsgevonden waarbij digitale-gegevensdragers, waaronder een laptop van [persoon] (HP Elitebook 850G5), in beslag genomen zijn.
1.4
[persoon] heeft tijdens de doorzoeking de rechter-commissaris geïnformeerd dat er geheimhoudersinformatie op deze laptop staat. Het Forensisch IT-team van de FIOD heeft vervolgens een kopie van de gegevens op de laptop gemaakt. De laptop is aan [persoon] geretourneerd.
1.5
Op 29 oktober 2024 heeft de officier van justitie in onderzoek [naam 1] bij de rechter­commissaris ex artikel 181 lid 1 in Pro verbinding met 98 Sv een vordering ingediend om de (gekopieerde) inhoud van onder meer de laptop op verschoningsgerechtigde informatie te (laten) onderzoeken.
1.6
Op 30 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris de vordering van de officier van justitie toegewezen.
1.7
Op 4 december 2024 heeft het kabinet van de rechter-commissaris de klagers het volgende gemaild:
‘In het onderzoek [naam 1] naar uw cliënt [persoon] zijn tijdens de doorzoeking van zijn woning digitale-gegevensdragers in beslag genomen. Hierop bevinden zich mogelijk geheimhoudersstukken. De rechter-commissaris heeft bepaald dat de gegevensdragers pas aan het onderzoeksteam ter beschikking worden gesteld nadat er een filtering op geheimhoudersstukken heeft plaatsgevonden. De filtering zal worden uitgevoerd door een geheimhoudersfunctionaris van de FIOD die niet bij het onderzoek in deze strafzaak noch bij een overkoepelend onderzoek of daaraan gelieerde onderzoeken betrokken is. Om deze filtering uit te voeren, verzoeken wij u om informatie op te geven waarmee geheimhoudersstukken kunnen worden uitgefilterd. Wij vragen u daarom om de volgende gegevens van geheimhouders met wie uw cliënt contact heeft gehad:
- achternaam;
- rol (bijvoorbeeld, advocaat, notaris, arts, geestelijke of secretaresse van een advocaat);
- organisatie (bijvoorbeeld, advocatenkantoor x of notariskantoor y waarvoor de verschoningsgerechtigde (heeft ge)werkt);
- mobiel telefoonnummer (noodzakelijk voor het zoeken naar communicatie op de telefoons);
- vast telefoonnummer van kantoor (noodzakelijk voor het zoeken naar communicatie op de telefoons);
- e-mailadres;
- extra e-mailadres (bijvoorbeeld, het algemene e-mailadres van het kantoor)
(…)’
1.8
Op 18 december 2024 heeft klaagster de rechter-commissaris onder meer laten weten dat allereerst alle correspondentie van de klagers met [persoon] uit het dossier moet worden gefilterd; alle e-mails aan of van [mailadres ] , [mailadres ] , [mailadres ] , [mailadres ] , [mailadres ] en [mailadres ] alsmede al het telefonisch contact aan of van twee (door klaagster genoemde) geheimhoudersnummers. Tot slot heeft zij verzocht ook alle documenten waarin ‘ [naam document 1] ’, ‘ [naam document 1] ’ of ‘ [naam document 1] ’ worden genoemd, uit het dossier te filteren.
1.9
De klaagster heeft in haar e-mail van 18 december 2024 voorts het volgende opgemerkt:
‘Wij staan de heer [persoon] sinds juni 2023 bij inzake zijn fiscale dispuut met de Belastingdienst. Wij hebben van cliënt begrepen dat hij ten behoeve van onze bijstand in die fiscale zaak op zijn digitale-gegevensdragers diverse stukken heeft opgesteld, waaronder diverse Excelsheets. Van cliënt hebben wij het volgende overzicht gekregen, waaruit blijkt waar op zijn gegevensdragers deze bestanden staan opgeslagen. Of er mogelijk elders nog (kopieën van die) bestanden op zijn laptop staan, is onzeker. Maar het spreekt voor zich dat daarvoor hetzelfde geldt.’
1.1
Op 9 september 2025 heeft het kabinet van de rechter-commissaris de klagers (samengevat) het volgende gemaild:
‘In het strafrechtelijke onderzoek [naam 1] staat u [persoon] bij. In het kader van het onderzoek zijn tijdens de doorzoeking digitale-gegevensdragers in beslag genomen. Deze gegevensdragers zijn inmiddels aan de hand van de door u aangeleverde zoektermen gefilterd.’
Naar aanleiding van de onder 1.9 geciteerde opmerking van de klaagster wordt het volgende opgemerkt:
‘Deze stukken zijn op dezelfde wijze gefilterd als de overige data die op de gegevensdragers staat. Dat betekent dat ook op die stukken de zoektermen zijn toegepast. De filtering is reeds gecontroleerd. Naar aanleiding van de controle is de rechter-commissaris van oordeel dat de filtering correct is uitgevoerd. Wij zijn voornemens de data die niet geraakt is door de zoektermen vrij te geven aan het onderzoeksteam. Mocht u een afwijkend standpunt hebben, verzoeken wij u dit uiterlijk dinsdag 16 september voldoende onderbouwd naar voren te brengen door te reageren op deze e-mail.’
1.11
Bij e-mail van 25 september 2025 heeft de klaagster de rechter-commissaris bericht dat het de klagers niet geheel duidelijk is welke documenten er nu wel en niet aan het onderzoeksteam zullen worden verstrekt. Verder heeft zij gevraagd of uit de e-mail van de rechter-commissaris moet worden opgemaakt dat de stukken die zijn opgesteld in het kader van de bijstand van de klagers in de fiscale zaak (zoals afgebeeld op het door hen ingestuurde screenshot) onder het verschoningsrecht vallen en daardoor niet aan het onderzoeksteam verstrekt zijn.
1.12
Op 2 oktober 2025 heeft het kabinet van de rechter-commissaris de klaagster gemaild dat de inhoud van de map waar zij in haar e-mail van 18 december 2024 aan refereert, gefilterd is en dat voor zover de inhoud van die map is geraakt, die inhoud onder het verschoningsrecht valt en niet met het onderzoeksteam gedeeld zal worden.
1.13
Op 20 oktober 2025 is op de griffie van de rechtbank een brief van de klagers van 16 oktober 2025 binnengekomen, die ook per e-mail is verstuurd, waarin onder meer het volgende staat:
‘In het strafrechtelijk onderzoek [naam 1] (81.114315.23) heeft de FIOD diverse gegevensdragers van onze cliënt de heer [persoon] in beslag genomen. Op deze gegevensdragers staan diverse gegevens die onder het verschoningsrecht van de advocaat vallen. Het kabinet rechter­commissaris heeft de in beslag genomen gegevensdragers onderworpen aan een filtering en [ons] per e-mail van 2 oktober 2025 geïnformeerd hierover (bijlage 1). Voor zover deze e-mail beschouwd dient te worden als de beschikking ex artikel 98 lid 3 en Pro lid 4 Wetboek van Strafvordering, dienen wij hierbij als verschoningsgerechtigde een klaagschrift in de zin van artikel 552a Wetboek van Strafvordering in.’
1.14
De rechter-commissaris heeft op 30 oktober 2025 beslist over de ‘inbeslagneming geheimhouderstukken’ ex artikel 98 Sv Pro (zie hierna onder 2) en deze beslissing diezelfde dag aan de klager gemaild.
1.15
Op 20 november 2025 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt inzake het door de klagers ingediende klaagschrift schriftelijk kenbaar gemaakt, luidende:
‘(…) Nu het klaagschrift d.d. 16 oktober 2025 niet kan zijn gericht tegen de pas nadien gewezen beschikking van de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2025 (ex artikel 98 lid 4 jo Pro. 552a Sv), dient het klaagschrift formeel bezien niet-ontvankelijk te worden verklaard. Vanuit proceseconomische overwegingen geeft het OM de rechtbank evenwel in overweging om de zaak terug te wijzen naar de rechter-commissaris, teneinde;
“[…] de advocaat van de beslagene inzage te bieden in de bij zijn cliënt veiliggestelde niet-geraakte gegevens om deze te controleren op achtergebleven verschoningsgerechtigd materiaal.”
“Als de advocaat van mening is dat verschoningsgerechtigd materiaal is achtergebleven, meldt hij dit onderbouwd met argumenten aan de rechter-commissaris, die hierover zal beslissen.” (conform § 8.3 Werkwijze filtering).’
1.16
Op 26 november 2025 is namens de klaagster het klaagschrift nogmaals per e-mail naar de griffie van de rechtbank gestuurd. De officier van justitie heeft diezelfde dag in het kader van het plannen van de behandeling van het klaagschrift opgemerkt dat het Openbaar Ministerie zich kan voorstellen dat een hoorzitting achterwege blijft en dat de rechtbank de zaak naar de rechter-commissaris terugwijst. De klaagster heeft zich bij e-mail van diezelfde datum bij de opmerking van de zaaksofficier van justitie aangesloten.
1.17
Op 7 januari 2026 heeft het Openbaar Ministerie naar aanleiding van vragen van de rechtbank over de geplande behandeling van het klaagschrift op 13 januari 2026 laten weten dat ‘de rechter-commissaris zal persisteren bij haar beschikking van 30 oktober 2025 en geen extra onderzoekshandelingen meer zal verrichten.’
1.18
De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie en de klagers vervolgens laten weten dat zij voorafgaand aan de behandeling van het klaagschrift graag een eventueel aanvullend standpunt van het Openbaar Ministerie en een schriftelijke reactie daarop van de kant van de raadslieden zou willen ontvangen.
1.19
Op 9 januari 2026 heeft het Openbaar Ministerie bericht dat zijn standpunt er kort gezegd op neerkomt dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is omdat het is ingediend voordat de beslissing door de rechter-commissaris is genomen en subsidiair dat het klaagschrift ongegrond is omdat de rechter-commissaris de juiste procedure heeft gevolgd en de verdediging niet tijdig gebruikgemaakt heeft van het recht haar zienswijze in te dienen.
1.2
De rechtbank heeft op 13 januari 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Zij heeft de klaagster en de officier van justitie mr. F. Haak op zitting gehoord.

2.Beslissing rechter-commissaris 30 oktober 2025

De beslissing van de rechter-commissaris houdt voor zover relevant het volgende in
‘(...)
Bij de uitvoering van de digitale filtering op verschoningsgerechtigde informatie heeft de rechter-commissaris zich door geheimhoudersfunctionaris R. Lindeman, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD laten bijstaan. De geheimhoudersfunctionaris werkt onder regie van de rechter-commissaris en is voor zijn werkzaamheden in het onderhavig onderzoek enkel verantwoording verschuldigd aan de rechter-commissaris.
In het kader van de filtering zijn door de raadslieden van de verdachte zoektermen aangeleverd. Op basis van de door de raadslieden aangeleverde zoektermen zijn door de rechter-commissaris de zoektermenlijsten opgesteld en aan de geheimhoudersfunctionaris gezonden. De geheimhoudersfunctionaris heeft in overleg met de rechter-commissaris de zoektermenlijsten aangepast ten behoeve van de werkbaarheid.’
De geheimhoudersfunctionaris heeft de zoektermen op de data toegepast. Dit is gebeurd op de in de vordering genoemde data en op twee mailboxen van [persoon] die niet in de vordering zijn genoemd. De bestanden die geraakt zijn door de zoektermen zijn door de geheimhoudersfunctionaris aangemerkt als mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal en vervolgens uitgesloten van de dataset die na goedkeuring van de rechter-commissaris aan het onderzoeksteam beschikbaar gesteld zal worden. De oorspronkelijke datasets zijn niet toegankelijk voor het onderzoeksteam.
Na het afronden van de automatische filtering door de geheimhoudersfunctionaris heeft de rechter-commissaris op 14 augustus 2025 samen met senior gerechtsjurist mr. [jurist] een steekproef uitgevoerd op de gefilterde data.
Tijdens de steekproef is in het bijzonder aandacht besteed aan documenten waar de raadslieden van [persoon] in hun mail van 18 december 2024 aan refereren. Het betreffen documenten die op de laptop van verdachte [persoon] staan opgeslagen, zoals als volgt omschreven in de mail van de raadslieden:
“Wij hebben van cliënt begrepen dat hij ten behoeve van onze bijstand in die fiscale zaak op zijn digitale gegevensdragers diverse stukken heeft opgesteld, waaronder diverse Excelsheets. Van cliënt hebben wij het volgende overzicht gekregen, waaruit blijkt waar op zijn gegevensdragers deze bestanden staan opgeslagen.”
Omdat de herkomst van de bestanden voor de rechter-commissaris niet te achterhalen is, zijn de betreffende documenten eveneens gefilterd op zoektermen. Voor zover geraakt, zijn de bestanden gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De niet-geraakte bestanden zijn in beginsel niet aangemerkt als verschoningsgerechtigd materiaal. Als extra controle heeft de rechter-commissaris de geheimhoudersfunctionaris de opdracht gegeven een aanvullende zoekslag te doen naar de bestanden zoals hierboven weergegeven. De geheimhoudersfunctionaris heeft gekeken of de bestanden in bijlagen van geraakte e-mails voorkomen of in andere vorm worden geraakt door de zoektermen. Alle bijlagen bij geraakte e-mailbestanden zijn gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De bestanden die niet in verband gebracht kunnen worden met correspondentie met geheimhouders worden geacht geen verschoningsgerechtigde informatie te bevatten.
Alvorens over te gaan tot het nemen van een beslissing over de gefilterde data, heeft de rechter-commissaris op 9 september 2025 de raadslieden van verdachte [persoon] in de gelegenheid gesteld te reageren op de wijze waarop bovengenoemde bestanden zijn meegenomen in de filtering. De gerechtsjurist heeft de raadslieden hierover per mail geïnformeerd en daarvoor een termijn gesteld. De raadslieden hebben van de mogelijkheid om hun zienswijze per mail naar voren te brengen geen gebruik gemaakt. Voorts is door hen op 16 oktober 2025 een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam over de wijze waarop is gefilterd.
Naar het oordeel van de rechter-commissaris is met de doorlopen procedure gewaarborgd dat redelijkerwijs niet te verwachten valt dat de bewijsbestanden nog geheimhoudersgegevens bevatten.
De rechter-commissaris:
Beslist dat de als verschoningsgerechtigd materiaal gelabelde bestanden uitgegrijsd moeten worden. De niet geraakte databestanden kunnen toegankelijk gemaakt worden voor het onderzoeksteam, met in achtneming van de laatste zin van deze beslissing.
Indien het onderzoeksteam toch, niet onderkende, geheimhoudersgegevens tegenkomt, dient dit onverwijld gemeld te worden aan de rechter-commissaris, vergezeld van een vordering ter verdere filtering en dienen de bestanden opnieuw niet-toegankelijk te worden gemaakt voor het onderzoeksteam.
(…)’

3.Het beklag

3.1.
Het klaagschrift houdt (samengevat) het volgende in:
De klagers staan [persoon] sinds juni 2023 bij inzake zijn fiscaal dispuut met de Belastingdienst. Ten aanzien van dit dispuut heeft [persoon] diverse documenten verzameld en opgesteld ten behoeve van de bijstand van de klagers. Het betreffen documenten waarin hij zijn gedachten ordende en die hij vervolgens aan de klagers toezond ten behoeve van vertrouwelijk advocaat-cliëntoverleg. In deze documenten staat niet altijd expliciet de volledige naam van het kantoor of van de klagers zelf genoemd, maar het is evident dat deze documenten onder de vertrouwelijke advocaat-cliëntcorrespondentie vallen. De e-mails waarmee deze documenten gedeeld zijn tussen [persoon] en de klagers zijn immers als het goed is wel uitgesloten gelet op de aard van deze correspondentie (vertrouwelijke advocaatcorrespondentie). Het komt de klagers daarom voor dat de bijlagen zelf ook onder het verschoningsrecht vallen.
De klagers maken uit overweging 3.3.1 van de Hoge Raad in zijn arrest van 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302 op dat het verschoningsrecht niet altijd zo zwart wit is dat het beperkt kan worden tot enkele zoektermen, maar dat het gaat om alles wat een advocaat is toevertrouwd in het kader van diens juridische dienstverlening. Zij menen dat de hiervoor genoemde documenten hieronder vallen.
Uit de e-mail van het kabinet rechter-commissaris (van 2 oktober 2025) maken de klagers op dat de documenten niet geheel zijn uitgesloten van het dossier, nu niet in ieder document hun namen dan wel de naam van hun kantoor (volledig) voorkomt. Zij merken ook op dat het niet geheel duidelijk is welke documenten nu wel en welke documenten niet zijn gefilterd, omdat zij geen officiële beschikking in de zin van artikel 98 lid 3 en Pro lid 4 Sv van het kabinet rechter-commissaris ontvangen hebben.
De klagers menen dat de rechter-commissaris een onjuist besluit heeft genomen door deze documenten niet aan te merken als documenten die onder het verschoningsrecht vallen, ondanks het expliciete verzoek van de klagers hiertoe (bijlage 2 - de e-mail van 18 december 2024).
De klagers verzoeken het klaagschrift gegrond te verklaren en de opgesomde documenten in bijlage 2 (zie 1.9) uit te sluiten van het dossier nu deze documenten onder het verschoningsrecht vallen.
3.2.
De klaagster heeft in raadkamer ter toelichting op het klaagschrift aangevoerd dat er ‘concrete stukken op de laptop’ staan ‘die onder het verschoningsrecht vallen, maar (mogelijk) niet zijn uitgefilterd’ en dat zolang daarover geen duidelijkheid bestaat, het reële risico bestaat dat het Openbaar Ministerie of de FIOD van deze vertrouwelijke stukken kennisneemt.
3.3.
De klaagster heeft verder opgemerkt dat de rechter-commissaris heeft gekozen voor een trefwoordenfiltering op de laptop van [persoon] en dat dit op zichzelf een hulpmiddel is, maar dat het verschoningsecht zich laat niet reduceren tot een lijst trefwoorden. Vertrouwelijke stukken kunnen eenvoudig buiten die trefwoorden vallen (bijvoorbeeld interne notities, concepten of documenten zonder expliciete vermelding van de naam van de advocaat of het kantoor). In deze zaak gaat het om documenten die [persoon] op verzoek van of ten behoeve van zijn advocaten heeft opgesteld, in het kader van hun bijstand tijdens de fiscale procedure, aldus de klaagster. Zij heeft verzocht de rechter-commissaris te bevelen een nadere filtering uit te (laten) voeren om de geheimhouderstukken uit de in beslag genomen data te filteren.

4.Beoordeling

4.1.
Ontvankelijkheid
4.1.1.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat de klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 30 oktober 2025 omdat het te vroeg is ingediend, namelijk voordat de rechter-commissaris heeft beslist, dan wel te laat omdat het klaagschrift niet binnen twee weken na de beslissing van de rechter-commissaris is ingediend.
4.1.2.
De klaagster heeft in raadkamer aangevoerd dat gelet op de afzender en de bewoordingen van de e-mails van 9 september 2025 (zie 1.10) en 2 oktober 2025 (zie 1.12) van het kabinet van de rechter-commissaris het bericht van 2 oktober 2025 zich deed voorkomen als een definitieve beslissing over de filtering en de klagers dus wel ontvankelijk zijn.
4.1.3.
Belanghebbenden onder wie verschoningsgerechtigden kunnen op grond van artikel 552a Sv schriftelijk hun beklag doen over onder meer inbeslagneming en de kennisneming en het gebruik van de gegevens dan wel een verzoek te doen tot vernietiging daarvan.
4.1.4.
Als het gaat om inbeslagneming van informatie van een verschoningsgerechtigde waarbij niet relevant is of de informatie waar het om gaat zich al dan niet bij de verschoningsgerechtigde zelf bevindt, is artikel 98 Sv Pro van toepassing. De regeling van artikel 98 Sv Pro strekt ertoe dat bij inbeslagneming van voorwerpen het (professionele) verschoningsrecht wordt gerespecteerd. Het is de rechter-commissaris die beslist of inbeslagneming is toegestaan (artikel 98 leden Pro 1 en 3 Sv). Deze beslissing wordt door de rechter-commissaris neergelegd in een beschikking.
4.1.5.
Tegen de beschikking van de rechter-commissaris staat beklag open voor de verschoningsgerechtigde. Dit beklag richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat de inbeslagneming – of, als het gaat om de vastlegging van gegevens, de vastlegging en/of kennisneming van die gegevens – is toegestaan. Hiertoe moet een klaagschrift worden ingediend bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd (artikel 98 lid 4 Sv Pro). Op dit beklag is artikel 552a Sv van toepassing.
4.1.6.
In het geval door een verschoningsgerechtigde wordt geklaagd over inbeslagneming en de rechter-commissaris nog niet een beslissing als bedoeld in artikel 98 Sv Pro heeft gegeven, moet de rechtbank de behandeling van het klaagschrift aanhouden en de stukken in handen van de rechter-commissaris stellen zodat alsnog een beschikking zoals bedoeld in artikel 98 Sv Pro te geven. [1]
4.1.7.
Op 2 oktober 2025 heeft de senior gerechtsjurist werkzaam bij het kabinet van de rechter-commissaris de klaagster gemaild: ‘De inhoud van de map waar u in uw mail van 18 december 2024 aan refereert, is gefilterd. Voor zover de inhoud van die map is geraakt valt het onder het verschoningsrecht en zal het niet met het onderzoeksteam gedeeld worden. Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.’
4.1.8.
De klagers hebben hierop een brief naar de rechtbank gestuurd waarin staat dat voor zover de e-mail van 2 oktober 2025 beschouwd dient te worden als de beschikking ex artikel 98 lid 3 en Pro lid 4 Sv, zij als verschoningsgerechtigden hierbij een klaagschrift in de zin van artikel 552a Sv indienen.
4.1.9.
De rechtbank stelt vast dat op het moment dat de klagers zich schriftelijk beklaagden over de inbeslagneming van informatie die onder hun verschoningsrecht zou vallen, de rechter-commissaris nog niet een beslissing als bedoeld in artikel 98 Sv Pro had gegeven. De rechtbank begrijpt dat het klaagschrift van de klagers is gericht tegen de inbeslagneming, kennisneming en het gebruik van de gegevens die op de laptop van hun cliënt staan. De rechtbank stelt verder vast dat voor de behandeling van het klaagschrift op 13 januari 2026 de rechter-commissaris wel een beslissing als bedoeld in artikel 98 Sv Pro heeft gegeven en, nadat ook het Openbaar Ministerie een standpunt had ingenomen, heeft medegedeeld te persisteren bij haar beschikking van 30 oktober 2025 en dat zij geen extra onderzoekshandelingen meer zal verrichten.
4.1.10.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken, de klagers een klaagschrift hebben gericht tegen de inbeslagneming van informatie die met toestemming van de rechter-commissaris is geschied, en dat zij daarin kunnen worden ontvangen.
4.2.
Inhoudelijk oordeel
4.2.1.
De rechtbank stelt met betrekking tot het beroep op het verschoningsrecht het volgende voorop.
4.2.2.
Op grond van artikel 218 Sv Pro kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Aan dit verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. [2]
4.2.3.
Algemeen uitgangspunt daarbij is dat het voor een beroep op het verschoningsrecht niet van belang is of de informatie waar het om gaat zich al dan niet bij de verschoningsgerechtigde zelf bevindt. [3]
4.2.4.
Op grond van artikel 98 lid 1 Sv Pro is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van informatie die is opgeslagen op een gegevensdrager. [4] Als uitgangspunt geldt hierbij dat de verschoningsgerechtigde in staat gesteld moet worden zich uit te laten over de vraag of de informatie (stukken en/of gegevens) onder het verschoningsrecht vallen. [5] Het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. [6]
4.2.5.
Het beklag als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro samenhang met artikel 552a Sv is in beginsel alleen gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin is beslist dat de inbeslagneming dan wel de vastlegging en/of kennisneming is toegestaan. In het geval dat selectie van de (digitale) stukken en gegevens noodzakelijk is gebleken, kan ook de manier waarop de selectie heeft plaatsgevonden in de beoordeling van het beklag worden betrokken. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of bij de selectie onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd. [7]
4.2.6.
Het gaat in dit geval om een digitale-gegevensdrager (laptop) met een grote hoeveelheid digitale stukken en gegevens die in beslag genomen is onder een verdachte die heeft verklaard dat er geheimhoudersinformatie op die gegevensdrager staat. De officier van justitie heeft op grond van artikel 181 lid 1 jo Pro 98 |Sv gevorderd dat de rechter-commissaris de (gekopieerde) inhoud van de in beslag genomen gegevensdrager op verschoningsgerechtigde informatie laat onderzoeken voor het nemen van een beslissing als bedoeld in artikel 98 lid 3 Sv Pro. De advocaten van de verdachte, die verschoningsgerechtigd zijn, hebben een klaagschrift ingediend tegen de beschikking van de rechter-commissaris. De rechtbank moet aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer beoordelen of bij de filtering tussen stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd. [8]
4.2.7.
De rechtbank is van oordeel dat bij de filtering van de digitale gegevens/stukken onder leiding van de rechter-commissaris op de in beslag genomen laptop van de cliënt van klagers en welke filtering heeft plaatsgevonden op de wijze zoals benoemd in het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578 rov 3.3.1, met inachtneming van de uitgangspunten zoals verwoord in het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375 en overeenkomstig de op dat laatste arrest gebaseerde ‘Werkwijze filtering digitaal verschoningsgerechtigd materiaal’ [9] waarbij de veiliggestelde gegevens worden onderscheiden van gegevens die (mogelijk) onder het functioneel verschoningsrecht vallen, voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek wordt geschonden en dat geen grond bestaat voor een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris.
4.2.8.
De rechter-commissaris heeft zich door een geheimhoudersfunctionaris die werkzaam is bij de Belastingdienst/FIOD laten bijstaan die onder haar regie stond. De rechter-commissaris heeft de klagers gevraagd om in het kader van de filtering van de informatie op de laptop zoektermen aan te leveren. Vervolgens zijn op basis van de zoektermen die door de klagers zijn aangeleverd zoektermenlijsten opgesteld. De rechter-commissaris heeft na het afronden van de automatische filtering door de geheimhoudersfunctionaris een steekproef op de gefilterde data uitgevoerd en daarbij in het bijzonder aandacht besteed aan documenten waaraan de klagers in hun mail van 18 december 2024 refereren. Zij heeft als extra controle de geheimhoudersfunctionaris de opdracht gegeven een aanvullende zoekslag te doen naar de bestanden/documenten die op de laptop van [persoon] staan opgeslagen, zoals omschreven in de mail van de klagers. De rechter-commissaris heeft ten slotte alvorens over te gaan tot het nemen van een beslissing over de gefilterde data, de klagers in de gelegenheid gesteld te reageren op de wijze waarop bovengenoemde bestanden zijn meegenomen in de filtering.
4.2.9.
Uit de beschikking van de rechter-commissaris volgt dat bij de steekproef op 14 augustus 2025, na het afronden van de automatische filtering, nog bijzondere aandacht is besteed aan de stukken die op de laptop van de cliënt van de klagers staan en die zouden zijn opgesteld in het kader van de bijstand van de klagers in de fiscale zaak en die dus onder het verschoningsrecht van de klagers zouden kunnen vallen. Dit betreffen, blijkens de e-mail van 18 december 2024, de vertrouwelijke bestanden die op de laptop staan opgeslagen onder ‘ [naam document 2] files. De geheimhoudersfunctionaris heeft als extra controle gekeken of de genoemde bestanden in bijlagen van geraakte e-mails voorkomen of in andere vorm door de zoektermen worden geraakt. Alle bijlagen bij geraakte e-mailbestanden zijn gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de bestanden die niet in verband gebracht konden worden met correspondentie met geheimhouders geacht worden geen verschoningsgerechtigde informatie te bevatten.
4.2.10.
De klaagster heeft in algemene bewoordingen gesteld dat er ‘concrete stukken op de laptop’ staan ‘die onder het verschoningsrecht vallen, maar (mogelijk) niet zijn uitgefilterd’ en dat het gaat om documenten die hun cliënt op verzoek van of ten behoeve van de klagers, in het kader van hun bijstand tijdens de fiscale procedure, heeft opgesteld.
4.2.11.
Voor zover het hier stukken betreft die de cliënt van de klagers heeft opgesteld maar nog niet met hen had gedeeld en dus ook niet als bijlage zijn ge-e-maild, overweegt de rechtbank het volgende.
4.2.12.
Ook stukken waarvan de inhoud nog niet aan een advocaat is medegedeeld, kunnen in uitzonderingsgevallen object uitmaken van het verschoningsrecht van de advocaat. Daarvoor is van belang of op grond van in aanmerking komende feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de inhoud van die stukken daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd. Ook in zo een geval is het in beginsel aan de verschoningsgerechtigde om te beoordelen of, het voorgaande in aanmerking genomen, die geschriften object van zijn verschoningsrecht uitmaken, tenzij redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. [10] De rechter-commissaris is kennelijk en niet onbegrijpelijk van oordeel dat de stukken die niet aan de klagers zijn gestuurd en bij de filtering niet zijn geraakt door de zoektermen niet onder het verschoningsrecht van de klagers vallen en dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klagers dat dit wel zo is onjuist is.
4.2.13.
De cliënt van de klagers heeft zijn laptop teruggekregen. De klagers beschikken daarmee over alle bestanden. Het had dan ook op de weg van de klagers gelegen om concreet te maken welke bestanden op de laptop van [persoon] volgens hen ten behoeve van hun bijstand zijn opgesteld maar niet aan hen zijn toevertrouwd en waarom deze stukken onder hun verschoningsrecht vallen ondanks dat deze stukken niet zijn geraakt door de door de klagers opgegeven zoektermen. De klagers hebben dit niet gedaan.
4.2.14.
Zij hebben alleen aangevoerd dat er ‘concrete stukken op de laptop’ staan ‘die onder het verschoningsrecht vallen, maar (mogelijk) niet zijn uitgefilterd’ en dat het gaat om documenten die hun cliënt op verzoek van of ten behoeve van de klagers, in het kader van hun bijstand tijdens de fiscale procedure, heeft opgesteld maar nog niet aan hen in hun hoedanigheid als advocaat heeft toevertrouwd. De stukken waarover het zou kunnen gaan zijn gefilterd en gecontroleerd. Voor zover de stukken zijn geraakt door de door de klagers opgegeven zoektermen zijn de bestanden gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek wordt geschonden en dat geen grond bestaat voor een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beklag ongegrond is. [11] .

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Tegen de beslissing staat voor de klager(s) beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van de beslissing.

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268,
2.Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375 rov 6.2.1,
3.Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375 rov 6.2.2,
4.Hoge Raad 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193,
5.Hoge Raad 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004,
6.Hoge Raad 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193,
7.Hoge Raad 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578 rov 3.2.2,
8.Vgl. Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314,
9.https://www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Strafrecht/Paginas/Werkwijze-filteren-digitaal-verschoningsgerechtigd-materiaal.aspx
10.Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686,
11.Vgl. Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314,