Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Amtsgericht Wuppertal in Duitsland. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1980 in Duitsland, die zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland gedetineerd is. De rechtbank heeft op 24 december 2025 de behandeling van het EAB gestart, waarbij de officier van justitie, mr. A. Keulers, aanwezig was en de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters. Tijdens deze zitting werd de termijn voor de uitspraak verlengd en werd de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de zaak op 14 januari 2026 opnieuw behandeld, waarbij de opgeëiste persoon zijn identiteit bevestigde en verklaarde de Duitse nationaliteit te hebben. De raadsman betoogde dat de feitomschrijving in het EAB niet genoegzaam was, omdat deze dertien verdenkingen van handel in verdovende middelen niet specifiek genoeg omschreef. De officier van justitie stelde echter dat het EAB voldoende duidelijk was en dat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd was. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden waren voor de overlevering.
Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten de overlevering van de opgeëiste persoon toe te staan, omdat het EAB voldeed aan de eisen van artikel 2 OLW en er geen belemmeringen waren om aan het verzoek gevolg te geven. De uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer als voorzitter, samen met mrs. O.P.M. Fruytier en D.M.S. Gribling, en is openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.