ECLI:NL:RBAMS:2026:119

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13/284652-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel van Duitsland

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Amtsgericht Wuppertal in Duitsland. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1980 in Duitsland, die zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland gedetineerd is. De rechtbank heeft op 24 december 2025 de behandeling van het EAB gestart, waarbij de officier van justitie, mr. A. Keulers, aanwezig was en de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters. Tijdens deze zitting werd de termijn voor de uitspraak verlengd en werd de gevangenhouding bevolen.

De rechtbank heeft de zaak op 14 januari 2026 opnieuw behandeld, waarbij de opgeëiste persoon zijn identiteit bevestigde en verklaarde de Duitse nationaliteit te hebben. De raadsman betoogde dat de feitomschrijving in het EAB niet genoegzaam was, omdat deze dertien verdenkingen van handel in verdovende middelen niet specifiek genoeg omschreef. De officier van justitie stelde echter dat het EAB voldoende duidelijk was en dat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd was. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden waren voor de overlevering.

Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten de overlevering van de opgeëiste persoon toe te staan, omdat het EAB voldeed aan de eisen van artikel 2 OLW en er geen belemmeringen waren om aan het verzoek gevolg te geven. De uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer als voorzitter, samen met mrs. O.P.M. Fruytier en D.M.S. Gribling, en is openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/284652-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 februari 2025 door het
Amtsgericht Wuppertal, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] (Duitsland),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp en door een tolk in de Duitse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting onderbroken tot de zitting van 14 januari 2026, waar het onderzoek – met toestemming van partijen enkelvoudig – wordt gesloten en direct uitspraak wordt gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt
een aanhoudingsbevel met het oog op voorlopige hechtenisvan 26 november 2024 van het
Amtsgericht Wuppertal, dossiernummer: 9 Gs 2159/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
De raadsman heeft betoogd dat de feitomschrijving niet genoegzaam is. Het gaat om dertien verdenkingen van handel in onder andere cocaïne en heroïne in een periode van ruim een jaar, waarbij meerdere – inmiddels veroordeelde – personen zijn betrokken. Deze dertien verdenkingen zijn niet gespecificeerd in de feitomschrijving en evenmin is duidelijk aangegeven om welke verdovende middelen het per geval gaat en wie de mededaders zijn. Het is dus niet duidelijk waartegen de opgeëiste persoon zich moet verdedigen waardoor ook het specialiteitsbeginsel niet is gewaarborgd. De zaak moet daarom worden aangehouden om hierover nadere informatie te vragen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Duidelijk is waar de verdenking op ziet en het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd. Bovendien loopt het strafrechtelijk onderzoek nog, waardoor de verdenking naar vaste jurisprudentie van de rechtbank nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek - met de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Blijkens die omschrijving gaat het namelijk om een verdenking van betrokkenheid bij het dertien keer medeplegen van handel in verdovende middelen, waaronder heroïne en cocaïne, in Wuppertal in de periode tussen april 2022 en juli 2023. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding daarom af.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Wuppertal(Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.