ECLI:NL:RBAMS:2026:120

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13/086489-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees Aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door het Landelijk parket Haskovo in Bulgarije. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1997 in Bulgarije, die wordt verdacht van hulp bij illegale binnenkomst en verblijf. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 24 december 2025 gestart, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was met zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot de uitspraak. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat zijn persoonsgegevens correct zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft. De rechtbank heeft de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander beoordeeld, maar vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet kan aantonen dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Dit betekent dat de rechtbank niet verder kon gaan met de beoordeling van de tweede voorwaarde voor gelijkstelling.

Daarnaast heeft de rechtbank de detentieomstandigheden in Bulgarije beoordeeld, waarbij zij zich baseerde op rapporten van het European Committee for the Prevention of Torture (CPT). De rechtbank heeft vastgesteld dat er een algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling in Bulgaarse detentie-instellingen, vooral met betrekking tot de medische zorg. De opgeëiste persoon heeft intensieve medische zorg nodig, en de rechtbank heeft vragen geformuleerd aan de Bulgaarse autoriteiten over de beschikbaarheid van deze zorg na overlevering. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en de termijn voor uitspraak verlengd, met de verplichting om de zaak opnieuw te plannen voor 20 februari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/086489-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2024 door het Landelijk parket Haskovo, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Bulgarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, advocaat in ’s-Gravenhage, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting onderbroken tot de zitting van 14 januari 2026, waar het onderzoek – met toestemming van partijen enkelvoudig – wordt gesloten en direct uitspraak wordt gedaan.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel van het
Landelijk parket van Haskovo, territoriale afdeling Dimitrovgrad, van 19-11-2024, strekkende tot de aanhouding voor de duur van 72 uur; Beschikking nr. 496/02.12.2024 van de Regionale rechtbank van Dimitrovgrad in het kader van private strafzaak nr. 20245610200449/2024.(Blijkens het A-formulier is in deze beschikking het bevel van 19 november 2024 bevestigd.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Bulgaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Bulgarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Gelijkstelling

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken op dit moment niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Met de overgelegde stukken is weliswaar aangetoond dat de opgeëiste persoon vanaf 1 februari 2021 ononderbroken rechtmatig verblijf heeft in Nederland en ook kan de rechtbank uit de overgelegde huurovereenkomst afleiden dat de opgeëiste persoon in ieder geval vanaf 15 september 2020 in Nederland verblijft. Uit de stukken blijkt echter niet hoe hij tot aan 1 februari 2021 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Het standpunt van de raadsvrouw dat de opgeëiste persoon in die periode actief heeft gesolliciteerd en daarom op grond van artikel 8.12, eerste lid onder a, Vreemdelingenbesluit 2000 rechtmatig in Nederland heeft verbleven, doet daar niet aan af, alleen al vanwege het feit dat de opgeëiste persoon niet met stukken heeft onderbouwd dat daarvan in die periode sprake is geweest..
Nu niet aan de eerste voorwaarde is voldaan, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de tweede voorwaarde.

6.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft op grond van de Public statement van het
European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(hierna: CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [4] Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. [5] Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022. [6]
Op 1 december 2025 heeft het Hoofd van de Regionale Dienst Strafuitvoering Haskovo aanvullende informatie verstrekt met daarin de volgende individuele garanties ten aanzien van de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon:
Overeenkomstig de Bulgaarse wetgeving worden de personen aan wie een dwangmaatregel ‘aanhouding’ is opgelegd, geplaatst in een detentiecentrum in de regio waar het vooronderzoek plaatsvindt of waar de zaak wordt behandeld.
De detentiefaciliteiten in het detentiecentrum Haskovo voldoen aan de wettelijke eisen. (…) De gedetineerde zal beschikken over de benodigde leefruimte (minstens 4 vierkante meter), ruimte voor lichamelijke activiteiten en dag en nacht toegang tot sanitaire voorziening en warm water. (…)
Indien nodig kan [opgeëiste persoon] op medische hulp rekenen. Indien er sprake is van gezondheidsproblemen, is er toegang tot medisch personeel en zijn er mogelijkheden voor onderzoek door een arts.
Bij brief van 11 december 2025 heeft de Bulgaarse
Prosecutoraangegeven dat de gegarandeerde 4 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitair is.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat overlevering schending van artikel 4 van het Handvest oplevert. De opgeëiste persoon bevindt zich vanaf augustus 2022 in een zwaar en langdurig revalidatietraject naar aanleiding van een ernstig arbeidsongeval. Hij staat op dit moment in Nederland onder behandeling van een neuroloog, een orthopedisch chirurg, een fysiotherapeut gespecialiseerd in hand- en polsklachten, een fysiotherapeut gespecialiseerd in been- en heupklachten en een psychiater voor zijn PTSS en depressieklachten als gevolg van het arbeidsongeval. Uit de stukken blijkt onmiskenbaar dat de opgeëiste persoon op wekelijkse basis afhankelijk is van medische zorg door verschillende medisch-specialisten. In het rapport van het CPT van 18 oktober 2022 wordt melding gemaakt van de ondermaatse medische zorg in de bezochte Bulgaarse detentie-instellingen, waaronder die in Haskovo. Volgens de raadsvrouw zal de opgeëiste persoon aanvankelijk gedetineerd worden in de
police detention facilityin Haskovo die in het CPT-rapport wordt genoemd, aangezien er in Haskovo alleen maar een politiebureau is. De gegeven individuele detentiegarantie is, gelet op de specifieke en frequente medische zorg die de opgeëiste persoon nodig heeft, niet voldoende om het algemeen gevaar weg te nemen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen door de individuele detentiegarantie. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
Het algemeen gevaar dat is aangenomen voor de detentieomstandigheden in Bulgarije ziet onder meer op de medische zorg in de detentie-instellingen.
In het CPT-rapport van 18 oktober 2022 staat – voor zover hier van belang – daarover het volgende:

24. Access to a doctor was generally provided to persons detained by the police albeit in a manner excluding medical confidentiality (i.e., with medical examinations performed in the presence of police officers and with any medical documentation openly available to non-medical staff), with superficial medical examinations, poor recording of injuries and no mechanism in respect of the reporting of injuries to the competent authorities. (…) In some of the police establishments visited, especially in Dimitrovgrad and Haskovo, the delegation was – while consulting the relevant records – struck by the unusually high (over 50%) proportion of detained persons who had reportedly declined to be seen by a health-care professional.

(…)

51. In all the penitentiary establishments visited, the health-care services were severely understaffed. Further, as had been the case in the past, none of the penitentiary establishments visited had any health-care staff present after the regular working hours and on weekends. The delegation again observed severe problems with the supply of medication (including, in some instances, long delays and interruptions of supply) <> none of the establishments offered suitable material environment, adapted equipment, appropriate care and staff attention that those prisoners required. In practice, some of the prisoners concerned were forced to rely on the help of their cellmates and other fellow prisoners for the most basic life necessities such as eating, washing, and using the toilet. The CPT recommends that the Bulgarian authorities take steps to remedy this highly unsatisfactory state of affairs.(…)

‘54. (…) More generally, the quality of medical examinations on admission remained inadequate, the examinations being generally very superficial, with serious medical conditions (e.g. epilepsy) going undetected. Moreover, several prisoners interviewed at Sofia Prison and Kremikovtsi Prison Hostel stated that they had not been medically examined at all upon arrival. Access to psychiatric care was very insufficient for prisoners in the establishments visited, especially given (as acknowledged by Directors and staff) the presence of many inmates with mental health issues. <> As regards psychological assistance, each establishment visited employed one or more psychologists; that said, none of the psychologists was clinically trained. Furthermore, as had been the case in the past, the psychologists’ role was essentially limited to carrying out risk assessment of prisoners.’
De rechtbank moet - wanneer een garantie niet is verstrekt noch is goedgekeurd door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit – aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, beoordelen of het algemeen gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. [7] De rechtbank beschikt, naast de hiervoor genoemde brieven van de Bulgaarse autoriteiten van 1 en 11 december 2025, over de door de raadsvrouw overgelegde medische stukken. Daaruit blijkt dat de opgeëiste persoon intensieve medische zorg nodig heeft van verschillende zorgverleners, zowel fysiek als mentaal. In aanvulling daarop blijkt uit de stukken dat de opgeëiste persoon op korte termijn een specialistische stabiliserende polsoperatie zal moeten ondergaan om permanent functieverlies van de pols te voorkomen. Na deze operatie zal hij een revalidatietraject moeten volgen om te herstellen en om permanent functieverlies van de pols te voorkomen.
Gelet op het vastgestelde algemene gevaar, de hiervoor weergegeven bevindingen over de beschikbare medische zorg in voornoemd CPT-rapport en het feit dat de opgeëiste persoon specialistische en urgente medische zorg nodig heeft, wil de rechtbank – middels de officier van justitie – de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voorleggen:
Zal de opgeëiste persoon na overlevering worden gedetineerd in de
police detention facilityin Haskovo waarover de CPT in het rapport van 18 oktober 2022 heeft gerapporteerd, of in een andere detentie-instelling in Haskovo?
Is de medische zorg die de opgeëiste persoon nodig heeft (een neuroloog, een orthopedisch chirurg, een fysiotherapeut gespecialiseerd in hand- en polsklachten, een fysiotherapeut gespecialiseerd in been- en heupklachten en een psychiater) voor de opgeëiste persoon beschikbaar tijdens zijn verblijf in de detentie-instelling in Haskovo waar hij zal worden geplaatst?
Zijn er voor de voornoemde medische zorg wachtlijsten en, zo ja, voor hoe lang?
Zijn er restricties in de toegang tot de voornoemde medische zorg voor de opgeëiste persoon tijdens zijn detentie in Haskovo en, zo ja, welke?
Kan tijdens de detentie in Haskovo de specialistische stabiliserende polsoperatie worden uitgevoerd bij de opgeëiste persoon?
Is na deze operatie een revalidatietraject beschikbaar ten behoeve van zijn herstel en ter voorkoming van permanent functieverlies van de pols?

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder overweging 6 opgenomen vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op
20 februari 2026, uiterlijk veertien dagen voor die datum opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELTde oproeping tegen nader te bepalen datum en tijdstip van de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Bulgaarse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90 en o.a. rb. Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269.
5.Rb. Amsterdam 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097.
6.Rb. Amsterdam 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6217.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.