ECLI:NL:RBAMS:2026:1246

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
13/143372-23 (voorheen: 13/751686-19)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 OverleveringswetArt. 29 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Duitse autoriteiten tegen een opgeëiste persoon.

Tijdens de procedure informeerde de officier van justitie de rechtbank dat het oorspronkelijke EAB was ingetrokken en dat een nieuw EAB was uitgevaardigd, maar dit nieuwe bevel was niet aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank overwoog de procedure aan te houden, maar hield rekening met de belangen van de opgeëiste persoon en de lange duur van de procedure.

De rechtbank besloot de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot behandeling van het ingetrokken EAB. Tevens werd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie meegedeeld dat de prejudiciële vragen worden ingetrokken vanwege deze niet-ontvankelijkheid.

De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters, en is onherroepelijk omdat er geen gewoon rechtsmiddel tegen openstaat.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/143372-23 (voorheen: 13/751686-19)
Datum uitspraak: 21 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie van 1 augustus 2019 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2019 door het
Amtsgericht Heilbronn, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraken van 24 oktober 2024 [2] en 31 januari 2025 [3] .
Op 19 november 2025 heeft de officier van justitie een e-mail naar de rechtbank en de raadsvrouw gestuurd dat het EAB is ingetrokken en op 28 juli 2025 door de Duitse autoriteiten een nieuw EAB is uitgevaardigd tegen de opgeëiste persoon.
Er is geen vordering ex artikel 23 OLW Pro ingediend voor dit nieuwe EAB.
Gelet op het voorgaande is de behandeling van het onderhavige EAB voortgezet op de zitting van 21 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunten van partijen
Partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat uit het bericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit, bijgevoegd bij de e-mail van 19 november 2025 van de officier van justitie, volgt dat het EAB is ingetrokken. Dit moet ook leiden tot de beëindiging van de prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Oordeel van de rechtbank
Zoals onder 1 is weergegeven heeft de officier van justitie bij e-mail van 19 november 2025 de rechtbank en de verdediging geïnformeerd over een nieuw EAB dat is uitgevaardigd door de Duitse autoriteiten. Dit nieuwe EAB heeft betrekking op twee van de zestien feiten waarop het onderhavige EAB is gebaseerd. De rechtbank heeft overwogen om de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring aan te houden om proceseconomische redenen. Het nieuwe EAB is niet aangebracht bij de rechtbank, maar als dat alsnog zou gebeuren kan het zo zijn dat de prejudiciële vragen, althans een deel daarvan, relevant zijn voor de afdoening van het nieuwe EAB. Voortzetting van de huidige opgeschorte prejudiciële procedure zou dan de voorkeur verdienen boven het aanhangig maken van een nieuwe procedure omdat op die manier sneller antwoord kan worden verkregen op de vragen. De rechtbank heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat de behandeling van deze zaak al lang duurt en zeer belastend is voor de opgeëiste persoon.
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon laten blijken zich van het voorgaande bewust te zijn, maar van mening te zijn dat het in zijn belang is dat de lopende overleveringsprocedure, inclusief de prejudiciële procedure, thans wordt beëindigd.
Alles afwegende en rekening houdend met het belang van de opgeëiste persoon en de standpunten van zijn raadsvrouw en de officier van justitie zal de rechtbank daarom de officier van justitie direct niet-ontvankelijk verklaren.
Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zal worden meegedeeld dat de prejudiciële vragen worden ingetrokken, omdat de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard.

4.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. C.M.S. Loven en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. dr. V.H. Glerum en mr. C.W. van der Hoek, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.