ECLI:NL:RBAMS:2026:125

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13/340989-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot strafrechtelijke veroordeling in Polen

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de regionale rechtbank van Toruń, Polen. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1990 in Polen, die wordt verdacht van het handelen in synthetische drugs. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 24 december 2025 gestart, waarbij de officier van justitie, mr. A. Keulers, aanwezig was. De opgeëiste persoon was bijgestaan door haar raadsman, mr. F.P. Slewe, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, maar deze schorste tot de uitspraak op 14 januari 2026.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de juiste persoonsgegevens heeft verstrekt en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. Het EAB is gebaseerd op een veroordeling tot een vrijheidsstraf van twee jaar, waarvan nog 729 dagen resteren. De rechtbank heeft de argumenten van de verdediging, die stelden dat er sprake was van een schending van het recht op een eerlijk proces in Polen, verworpen. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het hoger beroep en dat er geen schending van haar verdedigingsrechten was.

Uiteindelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden zijn. De rechtbank heeft daarom de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toegestaan, waarbij de relevante artikelen van de Opiumwet en de Overleveringswet zijn toegepast. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar uitgesproken, waarbij tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/340989-24
Datum uitspraak: 14 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 11 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 september 2024 door
the Regional Court of Toruń, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting onderbroken tot de zitting van 14 januari 2026, waar het onderzoek – met toestemming van partijen enkelvoudig – wordt gesloten en direct uitspraak wordt gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
final sentence of the Regional Court in Toruńvan 21 maart 2018 (II K 104/16).
Blijkens het EAB en aanvullende informatie van 4 december 2025 heeft
the Appellate Court in Gdańskbij uitspraak van 26 maart 2019 (kenmerk II Aka 299/18)het vonnis van 21 maart 2018 bevestigd.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 729 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van
4 december 2025.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Uit het EAB en de aanvullende informatie van 4 december 2025 blijkt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsten aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 4 december 2025 volgt dat de opgeëiste persoon bij een verhoor tijdens het vooronderzoek een adres in Polen heeft opgegeven als correspondentieadres. Zij is op dat moment eveneens gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven. De oproep voor het proces in hoger beroep is naar het opgegeven adres gestuurd en op 1 februari 2019 door de opgeëiste persoon zelf opgehaald. Het hoger beroep is ingesteld door haar advocaat en deze was aanwezig bij de zitting in hoger beroep.
Deze omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon wist dat een strafproces in hoger beroep tegen haar aanhangig was en heeft uit eigen beweging stilzwijgend afstand gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW

5.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 47 van het Handvest. De opgeëiste persoon is op 21 maart 2018 en 26 maart 2019 in eerste aanleg respectievelijk in hoger beroep veroordeeld voor handel in synthetische drugs en destijds is de Poolse regering onder het Pis-regime harder gaan optreden tegen drugsdelicten. Daarnaast is de veroordeling van de opgeëiste persoon slechts gebaseerd op indirect bewijs, heeft het feit plaatsgevonden in een schemergebied of deze drugs in Polen al dan niet legaal waren en is zij veel zwaarder gestraft dan haar medepleger die een veel grotere rol heeft gespeeld. De opgeëiste persoon heeft dus geen eerlijk proces gehad en daarom moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat niet is onderbouwd dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad in Polen. Dat een regering ervoor kiest om drugsdelicten zwaarder te straffen, is onvoldoende om aan te nemen dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat niet is aangetoond dat het algemeen gevaar ten aanzien van de Poolse rechtsstaat concreet heeft doorgewerkt in de behandeling van de individuele zaak van de opgeëiste persoon. Zij heeft alleen algemene stellingen geponeerd en heeft niet onderbouwd dat en op welke wijze haar recht op een eerlijk proces is geschonden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer .
5.2
Artikel 49, eerste lid, van het Handvest
De raadsman heeft verder aangevoerd dat de handel in designer drugs waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld, pas per 1 juli 2015 in Polen strafbaar is gesteld. De feiten zijn op
10 en 28 juli 2015 gepleegd. In die periode bestond er in Polen een grote juridische onzekerheid over designer drugs. Dit roept vragen op over de rechtszekerheid en voorzienbaarheid, die relevant zijn voor de beoordeling van de verwijtbaarheid en proportionaliteit. Daarom wordt er een beroep gedaan op artikel 49, eerste lid, van het Handvest.
De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet slaagt. Voor zover de rechtbank al zou kunnen toetsen of een gestelde schending van het legaliteitsbeginsel aan overlevering in de weg kan staan, was het feit volgens de raadsman al strafbaar in Polen op het moment dat het feit werd gepleegd.
5.3
Artikel 49, derde lid, van het Handvest
De raadsman heeft aangevoerd dat de zwaarte van de straf onevenredig is aan het strafbare feit. In Nederland had de opgeëiste persoon hooguit een taakstraf opgelegd gekregen. Er loopt thans een zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie die betrekking heeft op een drugsfeit waarin prejudiciële vragen [5] zijn gesteld die zien op de mogelijkheid om in het kader van de overleveringsprocedure een beroep te doen op het in artikel 49, derde lid, van het Handvest neergelegde evenredigheidsbeginsel. Het antwoord op deze vragen kan van belang zijn in deze zaak. Daarom heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden in afwachting hiervan.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de zaak.
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek van de raadsman af. De rechtbank heeft in voornoemde zaak prejudiciële vragen gesteld over – kort gezegd – haar bevoegdheid om de (on)evenredigheid van een opgelegde minimumstraf te mogen beoordelen. Die vragen zien op een situatie die verschilt van de omstandigheden van het geval van de opgeëiste persoon waarbij van een minimumstraf geen sprake is. Daarnaast gaat het in de zaak van de opgeëiste persoon om een ernstiger feit. De beantwoording van de prejudiciële vragen zijn dus niet relevant voor de beoordeling van het onderhavige overleveringsverzoek. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het antwoord daarop af te wachten en wijst het aanhoudingsverzoek af.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Toruń(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb Amsterdam 5 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5620.