ECLI:NL:RBAMS:2026:133

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13-130742-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden in Polen

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat door Polen was uitgevaardigd. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1980 in Polen, die wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 31 december 2025 gehoord, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon sinds 2012 in Nederland woont, maar dat niet is aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, wat noodzakelijk is voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, van de Overleveringswet (OLW), omdat er een individueel gevaar bestaat van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon in de Poolse detentieomstandigheden. De rechtbank heeft een redelijke termijn van 30 dagen gesteld voor het verkrijgen van aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden, en de zaak zal opnieuw worden ingepland na deze termijn. De rechtbank heeft ook de beslistermijn voor de overlevering verlengd met 30 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-130742-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 12 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 maart 2025 door
the Regional Court in Opole (Sąd Okręgowy w Opolu),Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
order of the District Court in Opole of 6th June 2024, court file number II Kp 294/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. De opgeëiste persoon staat sinds 2012 ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Daarnaast heeft hij in loondienst gewerkt, is hij later een eigen bedrijf gestart en heeft hij hier zijn leven opgebouwd. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman verschillende stukken overgelegd die zien op het inkomen van de opgeëiste persoon en [partner], die zijn partner is (hierna: [partner]), vanaf 2020. Uit de overgelegde huurovereenkomst blijkt dat de opgeëiste persoon samenwoont met [partner] en zij dus een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. De raadsman bepleit dat uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de opgeëiste persoon minstens vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De gelijkstelling met een Nederlander betekent dat een terugkeergarantie moet worden verstrekt.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan de opgeëiste persoon niet met een Nederlander worden gelijkgesteld, omdat niet aangetoond kan worden dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon heeft in de afgelopen jaren zelf onvoldoende inkomsten verworven. De inkomsten van [partner] laat de officier van justitie buiten beschouwing, omdat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat zij en de opgeëiste persoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. In dat kader is van belang dat zowel de opgeëiste persoon als [partner] meermalen in hun aangifte over de inkomstenbelasting hebben opgegeven dat zij géén huisgenoten hebben. Er hoeft dus geen terugkeergarantie te worden opgevraagd.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW onder meer zijn voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet aan dit vereiste is voldaan. Op grond van de overgelegde stukken kan weliswaar worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken in Nederland verblijft, maar niet is gebleken dat sprake was van een ononderbroken rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank licht dat toe.
Uit de registratiegegevens van het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) blijkt dat de opgeëiste persoon vanaf 2013 weliswaar voor een aantal jaren voldoet aan de eis dat hij 40 procent van de gebruikelijke arbeidstijd heeft gewerkt, maar niet in het jaar 2016. De termijn van vijf jaren wordt daarmee onderbroken.
Uit de overgelegde stukken over de periode 2020 tot en met 2024 blijkt dat de inkomsten van de opgeëiste persoon zelf onvoldoende zijn om een geslaagd beroep op gelijkstelling te kunnen doen. De rechtbank neemt deze periode van 2020 tot en met 2024 in aanmerking, omdat over het jaar 2025 geen objectieve stukken met betrekking tot het inkomen van de opgeëiste persoon zijn overgelegd. Gelet op de inkomensgegevens en het overzicht van het UWV is de rechtbank dan ook van oordeel dat in deze periode van reële en daadwerkelijke arbeid geen sprake is geweest.
Volgens opgeëiste persoon woont hij sinds 2012 samen met [partner] en is haar inkomen wel voldoende voor een rechtmatig verblijf van hen beiden. De opgeëiste persoon doet daarmee een beroep op een afgeleide gelijkstelling. Om in aanmerking te komen voor afgeleide gelijkstelling is vereist dat de opgeëiste persoon onderbouwt dat hij in de in aanmerking te nemen periode een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [partner] heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is geweest. Uit de overgelegde huurovereenkomst met ingangsdatum 1 februari 2012 blijkt weliswaar dat zij gezamenlijk de woning huurden, maar op de overgelegde aangifte inkomstenbelasting van de opgeëiste persoon over het jaar 2020, het fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting van het bedrijf van opgeëiste persoon over de jaren 2021 tot en met 2024, en de aangifte inkomstenbelasting van [partner] over de jaren 2021 tot en met 2024 is ingevuld dat zij géén huisgenoten waren. Bovendien is niet met objectieve stukken, zoals een gezamenlijke bankrekening, onderbouwd dat zij over de jaren 2020 tot en met 2024 een duurzame relatie hebben gehad. Het gelijkstellingsverweer slaagt daarom niet.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan. Het strafrechtelijk onderzoek is in Polen aangevangen, de bewijsmiddelen bevinden zich in Polen, de verdovende middelen zijn in Polen ingevoerd en verkocht en de Nederlandse autoriteiten zijn niet voornemens om de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen.
De raadsman heeft ten aanzien van dit punt geen standpunt ingenomen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten, het gegeven dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Artikel 11 OLW

7.1
Poolse rechtsstaat en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
7.2
Detentieomstandigheden in het Poolseremand regime
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde
remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het ‘
remand regime’ in Poolse detentie-instellingen terechtkomen. [7] Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het openbaar ministerie (hierna: IRC) vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Op 11 december 2025 heeft
the Deputy Director of the Remand Centre in Opolein een brief het volgende medegedeeld:
“(…) I hereby in form that in the Remand Centre in Opole, the space per one inmate in a shared cell is (…) not less than 3 m2. The maximum occupancy of cells intended for remand prisoners is 7 prisoners, and the average occupancy is 2 prisoners.
Pre-trial detainees are allowed to take a one-hour walk every day and participate in various activities. (…) There are four common rooms in the Remand Centre, located in each residential ward. The rooms are equipped with the necessary sports and recreational equipment (including table tennis tables, billiard tables, darts, professional table football) and audio-visual equipment. Inmates (both convicted and remand prisoners) participate in physical education and sports activities on the basis of weekly schedules (…). Inmates can participate in common room activities on average twice a week (depending on the number of groups). The activities last approximately 1.5 hours on average. (…)
In accordance with the internal regulations of the facility, every inmate staying at the Remand Centre in Opole also has the opportunity to use the library collection once a week, on a day designated for a specific unit. (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat de overlevering niet kan worden toegestaan en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de aanvullende informatie blijkt dat opgeëiste persoon ruim minder dan twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Hierdoor bestaat een individueel gevaar dat de grondrechten van de opgeëiste persoon worden geschonden. De Poolse autoriteiten hebben voldoende gelegenheid gehad om de garantie nader te onderbouwen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt om de zaak aan te houden en de Poolse autoriteiten een redelijke termijn te geven om aanvullende informatie te verstrekken. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon één uur per dag mag wandelen en gemiddeld drie uur per week kan deelnemen aan activiteiten. Dat is onvoldoende om het algemene gevaar weg te nemen, maar het is niet uitgesloten dat de omstandigheden nog zullen wijzigen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 11 december 2025 het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. De rechtbank licht dat toe.
De rechtbank stelt vast dat dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in
the Remand Centrein Opole en dat drie m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, neemt een garantie dat een opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg. De rechtbank heeft er begrip voor dat de Poolse autoriteiten een dergelijke garantie niet onder alle omstandigheden kunnen geven, bijvoorbeeld omdat zich noodsituaties kunnen voordoen in de detentie-instelling die ervoor zorgen dat een dergelijke garantie niet geëffectueerd kan worden.
De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak aanleiding gezien om haar rechtspraak op dit punt te preciseren. [8] Hieruit volgt dat het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de drie en vier m2
in ieder geval wordtweggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten zo een garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden - wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen - gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn.
Uit de aanvullende informatie van 11 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon dagelijks de mogelijkheid krijgt om één uur te wandelen. Daarnaast kan hij gemiddeld twee keer per week, gemiddeld anderhalf uur per keer, deelnemen aan diverse activiteiten in de gemeenschapsruimte, eenmaal per week gebruikmaken van de bibliotheek en kan hij deelnemen aan sportactiviteiten volgens een wekelijks vastgesteld schema.
Het is echter onvoldoende concreet gemaakt hoe vaak per week de opgeëiste persoon aan (sport)activiteiten kan deelnemen en wat de duur van die activiteiten is. Bovendien is geen informatie verstrekt waaruit blijkt waar deelname aan activiteiten in de gemeenschapsruimte en sportactiviteiten van afhankelijk is. De rechtbank kan aan de hand van de aanvullende informatie daarom niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden ongeveer buiten de cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. De gegeven informatie is op dit moment onvoldoende concreet om voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar uit te sluiten.
De rechtbank stelt dan ook vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Opole als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van 30 dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (die verstrijkt op 12 februari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 7 februari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij ook de beslistermijn verlengen met 30 dagen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 30 dagen.

8.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (
die verstrijkt op 12 februari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met
30 dagen(
eindigend op 8 maart 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met
30 dagen.
BEVEELTde
oproeping van de opgeëiste persoontegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn
raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een
tolkin
de Poolse taaltegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.
8.Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.