ECLI:NL:RBAMS:2026:1391

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
13-153123-24 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLWArt. 47 Handvest van de grondrechten van de EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over detentieomstandigheden en overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel uit Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een opgeëiste persoon verdacht van diefstal met geweld door meerdere personen. De rechtbank stelde vast dat het feit ook onder Nederlands recht strafbaar is en dat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan.

De rechtbank onderzocht of er een individueel reëel gevaar bestaat dat de grondrechten van de opgeëiste persoon worden geschonden bij overlevering, met name vanwege de detentieomstandigheden in Polen. Hoewel er een algemeen reëel gevaar is vastgesteld voor gedetineerden in Poolse voorlopige hechtenis, ontbrak concrete informatie over de specifieke detentieplaats en het aantal uren dat de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven.

De uitvaardigende Poolse autoriteiten gaven aan dat de celruimte minimaal 3 m2 bedraagt en dat gedetineerden recht hebben op minimaal één uur buiten de cel, maar konden niet garanderen dat dit twee uur per dag zou zijn. Nadere vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum bleven onbeantwoord.

De raadsman betoogde dat overlevering moet worden geweigerd vanwege het reële gevaar van schending van grondrechten. De officier van justitie verzocht om aanhouding van de zaak voor aanvullende informatie. De rechtbank concludeerde dat het individuele gevaar niet is weggenomen en houdt de beslissing aan voor een termijn van 30 dagen, met verlenging van de beslistermijn met 60 dagen. De zaak wordt samen met een gerelateerde zaak opnieuw ingepland voor een zitting in maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan vanwege onvoldoende informatie over detentieomstandigheden en stelt een termijn van 30 dagen voor nadere gegevens.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-153123-24 (EAB II)
Datum uitspraak: 10 februari 2026
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 28 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 november 2023 door
the Criminal Division II of the Regional Court in Ostrołęka,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.F. Ormel, die waarneemt voor mr. F.D.W. Siccama, beiden advocaat in Amsterdam-Duivendrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 1 maart 2023 uitgevaardigd door
the District Court in Ostrołęka, met referentie II Kp 93/23 (PR 4024-0.Ds.1420.2022).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1.
Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
5.2.
Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden inremand prisons
De rechtbank heeft eerder geoordeeld [6] dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op
12 december 2025 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“1. In which remand prison will [opgeëiste persoon]most likelybe detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would [opgeëiste persoon] , under normal
circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all
opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
- Which activities the wanted person can participate in;
- The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
- The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
- Whether the permission to participate in activities or access to common areas
is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case,
which conditions or procedural rules; and/or
- Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general
risk of ill-treatment has been discounted.”
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft deze vragen op 13 januari 2026 als volgt beantwoord:
“1. Suspect [opgeëiste persoon] will be detained in a penal institution in the Republic of
Poland, as indicated by a decision of the Penitentiary Commission, which will carry
out a classification in order to create conditions conducive to individual needs during
pre-trial detention, it should be emphasised that any person admitted to a penitentiary unit shall immediately undergo preliminary medical examinations. -
2. The conditions of stay in the Penal Institution are specified in the Executive Criminal
Code, according to which the area of a residential cell per convict shall be not less
than 3 m2. The cell shall be equipped with appropriate accommodation facilities
providing the convict with a separate place to sleep. The cell shall be provided with
adequate hygiene conditions, sufficient air supply and temperature appropriate to
the season, as well as lighting in accordance with the standards specified for living
quarters and lighting suitable for reading. The penal institution administration shall·
be obliged to take appropriate measures to ensure the personal safety of persons
held in penitentiary isolation during their sentence. -
3. A person held in penitentiary isolation has the right to at least one hour of walking
and 8 hours of sleep per day. -
4. Prisons provide prisoners with conditions for appropriate leisure activities. To this
end, cultural and educational activities, physical education and sports activities shall
be organised, and the social activity of prisoners should be encouraged. Each penal institution shall operate a book and press lending service for prisoners and shall
provide access to audiovisual equipment in common rooms and living quarters.
Convicts may be allowed to form groups for cultural, educational, social and sporting
activities. For these reasons, they may also be allowed to establish contacts and
cooperate with relevant associations, organisations and institutions. In particular,
they may be allowed to undertake work for public purposes, as well as to pursue
other socially recognised goals. It is the responsibility of the penal institution
administration to ensure that prisoners have appropriate leisure activities, and the
rules for participating in the above-mentioned activities are determined by the
Director of the penal institution. --
5. Penal institutions provide compulsory primary education and also offer secondary
education and vocational courses. With the consent of Director of the penal institution convicts may attend schools outside the penal facility if they meet the general requirements of public education, behave appropriately and do not threaten the legal order. -
6. Convicts have the right to practise their religion and use religious services, as well as
to participate directly in religious services held in the prison on public holidays and
to listen to religious services broadcast by the media, and to possess the hooks,
writings and objects necessary for this purpose. The convicted person has the right
to participate in religious instruction conducted in the prison, to take part in the
charitable and social activities of the church or other religious association, as well as
to have individual meetings with a clergyman of the church or other religious
association to which he or she belongs; these clergymen may visit convicted persons
in the rooms where they are staying.”
Op 21 januari 2026 heeft het IRC de volgende aanvullende vragen gesteld:
“In a previous case, the Court of Amsterdam has considered information similar to the information you provided on 13-01-2026 insufficient, as it falls short of a guarantee that the wanted person can spendon averageat least 2 hoursper day outside his cellif he chooses to participate in all activities in which he can under normal circumstances.
Based on this, can you state how many hours per day [opgeëiste persoon] , on average and under normal circumstances, will be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?”
Hierop is geen antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW Pro moet worden geweigerd. Gelet op de detentieomstandigheden – en dan in het bijzonder het aantal uren dat cliënt per dag buiten zijn cel kan doorbrengen – bestaat er een reële kans op schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie onvoldoende is om het algemene gevaar weg te nemen. Hoewel uit deze informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering kan beschikken over een persoonlijke celruimte van 3 m2 blijkt niet dat hij twee uur per dag buiten de cel mag verblijven. De officier van justitie heeft daarom verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Hoewel voor de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd, is allereerst niet vermeld waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering (naar alle waarschijnlijkheid) zal worden gedetineerd. Daarnaast kan de rechtbank aan de hand van de verstrekte informatie niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank ook niet een bredere afweging van de invulling van een gemiddelde dag van de opgeëiste persoon in het Poolse
remand regimemaken. [7]
De rechtbank stelt dan ook vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van 30 dagen.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met parketnummer 13-314454-25 (EAB I). Die zaak betreft een executie-EAB. De rechtbank wil in beide zaken gelijktijdig uitspraak doen. Een feitelijke overlevering in de zaak van EAB I zou in de weg staan aan een inhoudelijke afdoening van EAB II. Gelet op de beslistermijn inzake EAB 1 heeft de rechtbank overwogen om in EAB II een (zeer) korte redelijke termijn van tien dagen te stellen. De rechtbank kiest daar echter niet voor, omdat in deze zaak de verwachting bestaat dat er nadere informatie zal worden verstrekt over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in een
remand prisonin Polen. Bovendien heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij een termijn van tien dagen bijzonder weinig tijd om informatie te verstrekken, mede gelet op de tijd die het kost om de uitvaardigende justitiële autoriteit daartoe in de gelegenheid te stellen. Daarbij komt dat na het verstrijken van die redelijke termijn de behandeling van EAB II op een nieuwe zitting voortgezet zal moeten worden om te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de termijn van 30 dagen (op 11 maart 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 25 februari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn verlengen met 60 dagen.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak (samen met de zaak met parketnummer 13-314454-25) opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode van 11 maart tot en met 20 maart 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 26 april 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311
7.Vgl. Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7310.