ECLI:NL:RBAMS:2026:1395

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
13-297861-25 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet wapens en munitieArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 2 OverleveringswetArt. 5 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden en verblijfsgelijkstelling

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een verdachte geboren in 1989. De verdachte werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en wapens. De verdediging voerde een gelijkstellingsverweer aan op basis van een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar in Nederland, wat de rechtbank verwierp wegens onvoldoende bewijs en onduidelijkheden over verblijfplaatsen en inkomsten.

De rechtbank onderzocht ook de detentieomstandigheden in Polen, waar een algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten in het remand regime bestaat. Na uitgebreide correspondentie met Poolse autoriteiten en het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) werd een garantie verkregen dat de verdachte minimaal één uur per dag buiten zijn cel kan wandelen en daarnaast kan deelnemen aan culturele en educatieve activiteiten, wat volgens de rechtbank het algemene reële gevaar wegneemt.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering wordt toegestaan, waarbij het verweer van de raadsman wordt verworpen en geen nadere vragen aan de uitvaardigende autoriteit worden gesteld.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe, ondanks het verweer over verblijfsgelijkstelling en detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-297861-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 3 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 14 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 december 2024 door
the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Sąd Okręgowy W Bydgoszczy, III Wydział Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen),
feitelijk verblijfadres: [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 7 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 januari 2026 in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. Namens de opgeëiste persoon is aanwezig
mr. R.F.M. Gerritsen, die waarneemt voor mr. S. de Goede, beiden advocaat in Breda. De opgeëiste persoon is niet verschenen.
Zitting van 27 januari 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB opnieuw aangevangen in aanwezigheid van
mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of the District Court in Bydgoszcz, dated 29 May 2018, case ref. IX Kp 204/18, to impose the preventive measure of detention pending investigation for 14 days as of the arrest date on [de opgeëiste persoon] , in connection with the case investigated by the Regional Public Prosecutor's office in Bydgoszcz, ref. PO I Ds.18.2018.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1 en 2 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3 niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, nu over de jaren 2017 tot en met 2021 een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland is aangetoond. Indien de rechtbank van oordeel is dat de opgeëiste persoon inderdaad voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling, heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om informatie op te vragen bij de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). In geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, kan de opgeëiste persoon die straf vervolgens in Nederland ondergaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld. Hij heeft daarbij gewezen op de wirwar aan verschillende adressen, waarvan sommige in Polen, die op meerdere overgelegde stukken worden vermeld. Op basis hiervan kan geen ononderbroken verblijf gedurende vijf jaren worden vastgesteld. Daarbij komt dat uit het aantal gewerkte uren ook niet kan worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon in Nederland moet hebben verbleven. Bovendien heeft de opgeëiste persoon ook niet voldaan aan de inkomenseis.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
De rechtbank overweegt allereerst dat, ondanks dat de raadsman hier meermalen op is gewezen, ontbreekt een schriftelijke toelichting op en een conclusie op grond van de overgelegde stukken ontbreekt over waar de opgeëiste persoon zou hebben verbleven gedurende een ononderbroken periode van vijf jaren alsmede een berekening van de inkomsten uit rechtmatige werkzaamheden per jaar over die jaren.
Op grond van die stukken stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon in de Basisregistratie Personen nooit ingeschreven heeft gestaan op een adres in Nederland. Uit de overgelegde stukken volgt voor het eerst een adres in Nederland op de jaaropgave over 2017, waarbij als ingangsdatum van indiensttreding de datum 20 september 2017 staat vermeld. De rechtbank neemt daarom die datum als startdatum om een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te toetsen. De rechtbank stelt vervolgens vast dat, hoewel op sommige stukken een adres in Nederland wordt vermeld, concrete stukken waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op die adressen heeft verbleven, ontbreken. Dat klemt te meer, nu de opgeëiste persoon op de zitting heeft verklaard dat hij sommige woningen particulier heeft gehuurd, zodat het op zijn weg had gelegen om daarover stukken, zoals een huurovereenkomst of bewijzen van huurbetalingen te verstrekken. Bovendien kan op basis van het aantal gewerkte uren niet voor alle jaren binnen de vijfjaarsperiode worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon in Nederland moet hebben verbleven.
Nu niet aan het eerste vereiste voor gelijkstelling is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden in remand prisons

De rechtbank heeft eerder geoordeeld [6] dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (
hierna: IRC) op
19 november 2025 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“1. Could you please inform me whether [de opgeëiste persoon] , immediately after surrender, will most likely be detained in the remand regime in Poland?
If so, please also answer the following:
On 05.06.2024, in another surrender case, the Court of Amsterdam ruled that there is a general real risk of violation of fundamental rights for remand prisoners in Poland. The reason is prisoners in the remand regime have 3 – 4 m2 of personal space while they can spend up to 23 hours per day in their cell. Therefore, the Court of Amsterdam requires more information on the time that prisoners can spend outside of their cell. The Court has stated that this general real risk of ill-treatment can be repaired with a
guarantee that the wanted person will be able to spend at least 2 hours per day outside of his cell. The Court also understands that such a guarantee cannot always be given because the time spent outside of the cell is dependent on many different factors. If such a guarantee cannot be given, the Court will require more information on how much time the wanted person will be able to spend outside of his cell under normal circumstances and if he requests to participate in the activities offered by the prison.
Therefore, I would like to ask you to provide me with the following information:
2. In which remand prison will [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
3. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
4. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?
5. If not, how many hours per day on average would [de opgeëiste persoon] , under normal circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
- Which activities the wanted person can participate in;
- The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
- Whether the permission to participate in activities or access to common areas
is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which
conditions or procedural rules; and/or
-
Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general risk of ill-treatment has been discounted.”
De Poolse autoriteiten hebben deze vragen op 26 november 2025 als volgt beantwoord:
“1. Het is niet makkelijk vooraf te zien, of [de opgeëiste persoon] onverwijld na zijn overlevering in het huis van bewaring in Polen zal worden aangehouden, omdat hij in drie diverse strafzaken gezocht wordt en in elke van die zaken zal de behandelende officier van justitie over een eventuele vordering tot tijdelijke hechtenis van de verdachte gaan beslissen. Zeker zal hij enkele dagen vanaf het moment van de overlevering tot het moment van het verhoor door de afzonderlijke officieren van justitie zal [de opgeëiste persoon] in hechtenis verblijven.
2. [de opgeëiste persoon] zal waarschijnlijk in het huis van bewaring worden geplaatst [Areszt Śledczy] te Bydgoszcz in de straat Wały Jagiellońskie 4. De regel is, dat de autoriteit, ter beschikking waarvan de voorlopig gedetineerde blijft, in het bevel tot opname de plaats van zijn/haar detentie opgeeft
3. De oppervlakte van de wooncel, die op één gedetineerde toekomt, bedraagt tenminste 3 m2.
4. Het parket is niet in staat te waarborgen, dat de verdachte persoon tenminste 2 uur per dag buiten zijn/haar cel zal kunnen verblijven. Een gedetineerde heeft recht op tenminste 1 uur wandeling buiten per dag.
5. De voorlopig gehechten hebben toegang op cultureel-educatieve en sportactiviteiten georganiseerd in recreatieruimtes en op sportvelden. Op het terrein van het huis van bewaring worden onder meer virtuele e­sport activiteiten georganiseerd met gebruik van gaming consoles, sportactiviteiten op sportvelden, kunstactiviteiten, muziekactiviteiten, deelname aan historische en andere tentoonstellingen. De tijd voor gebruik van de cultureel-educatieve en sportactiviteiten is afhankelijk van het vastgestelde dagprogramma. Men dient ook denken aan de tijden bestemd voor maaltijden, persoonlijke hygiëne, medische spreekuren en andere voorzorg-activiteiten. De voorlopig gehechten melden hun wil tot deelname aan de activititeiten georganiseerd buiten de wooncel zelfstandig bij de penitentiair inrichtingswerker. De beslissing wordt genomen op de dag van melding van de wens - na hat vaststellen van de beschermingsregels voor de gedetineerden.”
Hierop heeft het IRC op 15 december 2025 de volgende nadere vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“1. Could you please confirm that the personal space of at least 3m2, as indicated in the additional information of 26.11.2025, is excluding sanitary facilities?
2. How many hours a day, at least, would [de opgeëiste persoon] be able to spend outside his cell in the detention centre in Bydgoszcz? Could you, in your answer, please elaborate more on the duration of daily activities and the possibilities for detainees to use the common room and/or other areas the requested person can access daily?”
De Poolse autoriteiten hebben deze vragen op 2 januari 2026 als volgt beantwoord:
“1. De oppervlakte van de wooncel, die op één gedetineerde toekomt en die tenminste 3 m2 bedraagt, is exclusief de afgezonderde delen van de sanitaire ruimtes, en daarnaast is exclusief de nis voor het raam en voor de radiator en exclusief de oppervlakte buiten de tralies van de binnenwand.
2. Zoals het blijkt uit de informatie van het huis van bewaring, is het niet mogelijk om precies vast te stellen, hoeveel uren per dag de verdachte persoon buiten zijn cel zal mogen verblijven. Er is op dat gebied geen gedetailleerde tijdschema, duur van de dagelijkse activiteiten, en de hoeveelheid uren buiten de cel kan gevolg zijn van de classificering toegedeeld aan de verdachte persoon door de penitentiaire commissie pas nadat hij in het detentiehuis wordt geplaatst.”
Vervolgens heeft het IRC op 19 januari 2026 aan de Poolse autoriteiten onderstaande garantie voorgelegd die in een andere overleveringszaak is verstrekt ten aanzien van de detentie-instelling in Bydgoszcz en die door de rechtbank destijds als afdoende is beschouwd. Het IRC heeft daarbij de vraag gesteld of de informatie ook voor de opgeëiste persoon geldt.
“Temporarily detained inmates have the right, in particular, to at least an hour's walk and the opportunity to participate in organized cultural and educational activities outside their housing cells, which, depending on the nature of the activities, may last from 40 to 90 minutes. In addition, the detainee can use the common room, which is
located in each residential unit, depending on the needs of the detainees, they can also stay in the common room using the available equipment/supplies. The time of use of the common room is restricted only by a break for administrative activities such as: eating meals, bathing, walking.”
Op 20 januari 2026 hebben de Poolse autoriteiten als volgt geantwoord:
“In response to the email of January 19, 2026, I would like to inform you that all information contained in the letter of November 26, 2025 and in the letter of January 2, 2026 also applies to [de opgeëiste persoon] .”
Op de vraag van het IRC van 20 januari 2026 of de garantie zoals vermeld op 19 januari 2026 ook op de opgeëiste persoon van toepassing is als hij na overlevering in de detentie-instelling in Bydgoszcz zal worden geplaatst, hebben de Poolse autoriteiten op 21 januari 2026 geantwoord:
“yes, the information provided applies to this situation.”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende is om voor de opgeëiste persoon het gevaar van schending van zijn grondrechten weg te nemen. De latere bevestiging dat de verstrekte garantie uit een andere overleveringszaak ook geldt voor de opgeëiste persoon, lijkt in tegenspraak te zijn met de eerder verstrekte informatie, waarin een dergelijke tijdsindicatie niet kon worden gegeven. De behandeling van de zaak moet daarom worden aangehouden om de Poolse autoriteiten hierover nader te bevragen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie voldoende is, zodat geen gevaar van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest meer bestaat voor de opgeëiste persoon. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Poolse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie van 21 januari 2026. [7]
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in
Areszt Śledczyin
Bydgoszczwordt gedetineerd en dat ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd.
Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, [8] wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2
in ieder gevalweggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig met betrekking tot de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden – wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen – gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn.
Uit de aanvullende informatie van 21 januari 2026, gelezen in samenhang met de vraagstelling van het IRC op 19 en 20 januari 2026, begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon ten minste één uur per dag kan wandelen en daarnaast de mogelijkheid krijgt om dagelijks deel te nemen aan culturele en educatieve activiteiten buiten zijn cel, met een duur van 40 tot 90 minuten. In aanvulling daarop kan de opgeëiste persoon dagelijks gebruik maken van de gemeenschappelijke ruimten, afhankelijk van zijn behoefte en met uitzondering van de tijd die nodig is voor administratieve activiteiten. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van deze garanties. In het feit dat de Poolse autoriteiten op 26 november 2025 en 2 januari 2026 hebben meegedeeld dat zij geen exacte uren kunnen vaststellen dat de opgeëiste persoon per dag buiten de cel zou mogen verblijven, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de nadien verstrekte garanties. Daarvoor vindt de rechtbank overigens ook steun in het feit dat het haar ambtshalve bekend is dat de garantie vaker is verstrekt ten aanzien van de detentie-instelling in Bydgoszcz. [9]
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 13, 26 en 55 Wet wapens en munitie en 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Sąd Okręgowy W Bydgoszczy, III Wydział Karny), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.
7.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
8.Rb Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.
9.Naast de zaak waarnaar het IRC in het bericht van 19 januari 2026 heeft verwezen (uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:9025)) verwijst de rechtbank bijvoorbeeld naar haar uitspraak van 5 december 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:7624).