ECLI:NL:RBAMS:2026:1464

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
13/302962-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 10 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW-verweer

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 januari 2026 de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, geboren in 1994 en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van meerdere strafbare feiten waarvoor vrijheidsstraffen zijn opgelegd in Polen.

De raadsman van de opgeëiste persoon voerde aan dat overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), omdat onduidelijk was of de opgeëiste persoon in de procedure met referentie VIII K 378/22 een adresinstructie had ontvangen. De officier van justitie stelde dat de adresinstructie wel was gegeven en dat de opgeëiste persoon opgeroepen was op het opgegeven adres.

De rechtbank oordeelde dat hoewel formeel artikel 12 OLW Pro een weigeringsgrond vormt, zij afzag van toepassing daarvan omdat de opgeëiste persoon tijdens het eerste verhoor in de procedure met referentie VIII K 378/22 een adres had opgegeven en opgeroepen was op dat adres. Tevens bevestigde de opgeëiste persoon ter zitting dat hij was verhoord. Er was geen sprake van schending van verdedigingsrechten.

De rechtbank stelde vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht ook onder Nederlands recht strafbaar zijn en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. Ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde was geen concreet gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces aangetoond.

Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks het verweer op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/302962-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2025 door
the Regional Court of Toruń, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.W.J. Faber, advocaat in Eindhoven, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
I. een vonnis van
the District Court in Toruńvan 16 mei 2022 (met referentie: II K 554/22);
II. een vonnis van
the District Court in Toruńvan 23 september 2022 (met referentie: VIII K 378/22).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot het vonnis met referentie II K 554/22 heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van
I. één jaar, waarvan volgens het EAB nog elf maanden en twintig dagen resteren;
II. zes maanden,
door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het vonnis met referentie VIII K 378/22
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat uit de informatie in het EAB niet kan worden afgeleid wanneer het verhoor heeft plaatsgevonden waarin de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen voor de procedure met referentie VIII K 378/22. Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon slechts in de procedure met referentie
II K 554/22, die jaren eerder heeft plaatsgevonden, een adresinstructie heeft ontvangen. Dit geldt temeer nu uit het EAB blijkt dat er in de procedure met referentie VIII K 378/22 geen voorarrest is geweest. De raadsman doet subsidiair een verzoek tot aanhouding om aanvullende informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven, een adresinstructie heeft ontvangen en is opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Een verhoor kan ook plaatsvinden zonder dat sprake is van voorarrest. Dat er geen voorarrest is geweest in de procedure met referentie VIII K 378/22 vormt dan ook geen aanwijzing dat de adresinstructie slechts aan de opgeëiste persoon is verstrekt in de procedure met referentie II K 554/22.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De opgeëiste persoon heeft, zo blijkt uit onderdeel d) van het EAB, tijdens zijn eerste verhoor in de procedure met referentie VIII K 378/22 een adres opgegeven. Tijdens dat verhoor is hij gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en op de gevolgen indien hij dit niet zou doen. De oproep voor de zitting is vervolgens naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Gelet op het feit dat deze informatie in het EAB is vermeld ten aanzien van de procedure met referentie VIII K 378/22, volgt de rechtbank de raadsman niet in zijn standpunt dat de bedoelde adresinstructie mogelijk al jaren eerder in de andere procedure is verstrekt. Bovendien heeft de opgeëiste persoon op 14 november 2025 en 13 januari 2026 ten overstaan van de rechtbank bevestigd en verklaard dat hij in de procedure met referentie VIII K 378/22 is verhoord op het politiebureau.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Gelet op het voorgaande was de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte van de verdenking en van het strafproces en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
mishandeling.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285 en 300 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Toruń, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (