ECLI:NL:RBAMS:2026:1633

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
13/249079-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLWArt. 29 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing over overlevering op grond van detentieomstandigheden in Le Havre gevangenis

De rechtbank Amsterdam behandelt het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Frankrijk. Tijdens de procedure is gebleken dat er onvoldoende concrete informatie is over de detentieomstandigheden in de Le Havre Penitentiary Center, met name over de persoonlijke leefruimte van de gedetineerden en de mate van overbevolking.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon mogelijk minder dan de vereiste 3 m² persoonlijke ruimte exclusief sanitaire voorzieningen zal hebben, wat een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan opleveren. De verstrekte informatie over compenserende factoren zoals bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel is onvoldoende concreet om het individuele gevaar weg te nemen.

Daarom wordt de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank stelt een redelijke termijn van 30 dagen vast om te beoordelen of de omstandigheden wijzigen. Tevens wordt de beslistermijn en de gevangenhouding verlengd met 60 dagen. Een verzoek tot schorsing van de gevangenhouding wordt afgewezen vanwege het aanhoudende vluchtgevaar.

De zaak wordt heropend en opnieuw ingepland voor een zitting na 20 februari 2026, waarbij zal worden onderzocht of de detentieomstandigheden zijn verbeterd en of de overlevering alsnog kan worden toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan vanwege onvoldoende informatie over detentieomstandigheden en stelt een redelijke termijn van 30 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/249079-25
Datum uitspraak: 22 januari 2026
op de vordering van 2 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juli 2025 door
the Public Prosecutor's Office of the Angers Judicial Court, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Frans-Guyana)op [geboortedag] 1967,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 27 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 11 december 2025 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder overweging 6 geformuleerde vragen omtrent de detentieomstandigheden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd en gelijktijdig de gevangenhouding verlengd met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 13 januari 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank voortgezet, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw,
mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 11 december 2025

De rechtbank stelt vast dat zij in deze tussenuitspraak al heeft geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en het gelijkstellingsverweer. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in voornoemde tussenuitspraak ten aanzien van de detentieomstandigheden. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 16 december 2025 onder meer de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
Regarding the Le Havre Fenitentiary [de rechtbank begrijpt Penitentiary) Center
1) Is the surface area in a cell inclusive or exclusive of sanitary facilities?
2) How many prisoners are housed per cell, considering the overcrowding?
3) If the personal space will be under3 m2, could you please answer the following questions as well:
a.
Can it be guaranteed for Mr [opgeëiste persoon] that the reductions in the required minimum personal space of 3 m2 will be short, occasional and minor?
b.
b) Are such reductions accompanied by sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities?
c.
c) Does this penitentiary unit generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions?”
Op 17 december 2025 is van de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie ontvangen:
“I can tell you that Mr [opgeëiste persoon] ’s incarceration will most likely take place in Le Havre Penitentiary Center.
(..)
Regarding the Le Havre Penitentiary Center, the surface in a cell includes that of the toilet facilities. The(de rechtbank begrijpt: there)
are currently no triple cells or mattresses, so detainees do not have a surface area of less than 3 m². In the event that detainees are affected by the failure to meet the 3m² space requirement, they may go for walks, as well as participate in activities or classes related to the teaching unit. Some of these individuals are also likely to work in workshops (consequently, they are not in their cells all morning), either during their work for those assigned to the general service (absence from the cell at different times depending on the shifts). There is also the possibility of accessing three one-hour slots during the week. This prison is still quite new, and the detention conditions there are decent.”
In een mailbericht van 30 december 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer nog het volgende meegedeeld:
“I contacted the Le Havre Prison, and they informed me that they do not have information on the area of the sanitary facilities”.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering niet kan worden toegestaan, omdat niet is aangegeven of de genoemde oppervlakte van 3 m2 exclusief of inclusief sanitair is. Ook is er geen antwoord gegeven op de vraag hoeveel personen op een cel verblijven. Tevens is onduidelijk hoeveel aanvullende activiteiten er worden aangeboden en hoe lang de opgeëiste persoon over minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte exclusief sanitair zal beschikken als die situatie zich voordoet.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van de verstrekte aanvullende informatie kan de rechtbank niet concluderen dat de opgeëiste persoon in detentie een persoonlijke leefruimte van ten minste 3 m2 exclusief sanitaire voorzieningen in een meerpersoonscel tot zijn beschikking zal krijgen. [4] Daarnaast blijkt uit al eerder verstrekte aanvullende informatie van 26 november 2025 dat de bezettingsgraad in
Le Havre Penitentiary Center142 procent bedraagt en wordt in de aanvullende informatie van
17 december 2025 ook gesproken over de situatie dat gedetineerden minder dan 3 m2 persoonlijke leefruimte hebben.
Wanneer een gedetineerde beschikt over minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) in een meerpersoonscel, kan het sterke vermoeden van schending van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie worden weerlegd als
1. de persoonlijke ruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate wordt gereduceerd ten opzichte van de vereiste minimale 3 m2,
2. hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel wordt geboden en buiten de cel passende activiteiten worden aangeboden en,
3. in de inrichting in het algemeen sprake is van decente detentieomstandigheden en de betrokkene niet wordt onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden (zoals overwogen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Dorobantu [5] ).
De rechtbank overweegt dat de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat wordt voldaan aan de hiervoor genoemde compenserende factoren. Zo is er geen informatie verschaft over de mate van reductie van de individuele leefruimte ten opzichte van de vereiste minimale 3 m², zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat deze alleen in geringe mate zal plaatsvinden. Ook is de informatie over de bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel te weinig concreet. Voorgaande overwegingen leiden ertoe dat het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen.
De rechtbank stelt daarmee vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling
Le Havre Penitentiary Centerals de overlevering zou worden toegestaan.
Nu een individueel gevaar wordt aangenomen, dient de rechtbank de beslissing aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Hoewel het in deze fase niet aan de rechtbank is om vragen te formuleren (maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om informatie te verstrekken waaruit een wijziging van de omstandigheden blijkt), acht de rechtbank het niet ondenkbaar dat aanvullende informatie mogelijk een dergelijke wijziging zou kunnen opleveren. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden is opgetreden.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. Ingevolge artikel 11, derde lid, OLW wordt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarvan onder opgave van redenen van de aanhouding in kennis gesteld door de officier van justitie
.Op de volgende zitting zal de rechtbank nagaan of een wijziging in de omstandigheden heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn in deze zaak vast op dertig dagen.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerste zittingsdag na het verstrijken van deze termijn (20 februari 2026) dan wel uiterlijk tien dagen na die datum, zodat nagegaan kan worden of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 26 januari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij ook de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen.

5.Voorwaardelijk schorsingsverzoek

De raadsvrouw heeft verzocht het bevel gevangenhouding te schorsen als de rechtbank aanleiding ziet om de behandeling van de zaak aan te houden in verband met de detentieomstandigheden..
De rechtbank wijst dit verzoek af. De opgeëiste persoon heeft op twee eerdere momenten in de procedure een schorsingsverzoek gedaan die door de rechtbank zijn afgewezen, omdat sprake is van vluchtgevaar dat niet ingeperkt kan worden met schorsende voorwaarden. Bij het schorsingsverzoek dat nu voorligt, heeft de raadsvrouw geen nieuwe omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat het vluchtgevaar met schorsingsvoorwaarden nu wel kan worden ondervangen.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland
op de eerste zittingsdag na 20 februari 2026 dan wel uiterlijk tien dagen daarna.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW
.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met
60 dagen(
eindigend op
27 maart 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met
60 dagen.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu), punten 72 en 77.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu), punt 73.