ECLI:NL:RBAMS:2026:1707

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
13-238923-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks niet-verschijnen verdachte

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 februari 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Roemenië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Roemeense autoriteiten. De opgeëiste persoon was niet persoonlijk verschenen bij de zittingen in hoger beroep, maar werd vertegenwoordigd door een advocaat die schriftelijk de verdediging voerde.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd omdat de verdachte niet in persoon was opgeroepen en de advocaat niet daadwerkelijk ter zitting was verschenen, waardoor het recht op verdediging was geschaad. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 12 OLW Pro niet vereist dat de advocaat daadwerkelijk ter zitting verschijnt; een schriftelijke verdediging volstaat.

Verder stelde de rechtbank vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, voldoet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid volgens artikel 7 OLW Pro. De detentieomstandigheden in Roemenië vormden geen beletsel voor overlevering, mede vanwege een individuele detentiegarantie die voldoende bescherming biedt tegen onmenselijke behandeling.

De rechtbank wees het verzoek om vertaling van de detentiegarantie af, omdat de Richtlijn 2010/64/EU niet vereist dat in overleveringsprocedures andere stukken dan het EAB zelf worden vertaald. Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en stond zij de overlevering toe.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Roemenië toe ondanks het ontbreken van persoonlijke verschijning, omdat schriftelijke verdediging volstaat en detentieomstandigheden acceptabel zijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-238923-25
Datum uitspraak: 17 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 september 2025 door de
Chișineu Criș District Court, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Roemenië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Chișineu Criș District Courtvan 28 november 2024 met kenmerk 305/28.11.2024, waarover in hoger beroep is geoordeeld door
the Timișoara Court of Appealop 19 mei 2025 met kenmerk 416/19.05.2025.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om de overlevering te weigeren. De oproepingen heeft de opgeëiste persoon niet in persoon ontvangen, zoals in de aanvullende informatie is gesteld door de Roemeense autoriteiten. Op de in het D-formulier genoemde data, waarop de oproepingen uitgereikt zouden zijn, woonde en werkte hij in Nederland. De opgeëiste persoon heeft weliswaar een advocaat gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren, maar die advocaat is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet op de zitting verschenen. Hierdoor is de opgeëiste persoon in zijn verdediging geschaad. De opgeëiste persoon heeft de Roemeense rechtbank om die reden verzocht zijn strafzaak te heropenen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon ten aanzien van het uitoefenen van zijn verdedigingsrechten kennelijk onzorgvuldig is geweest. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan de Roemeense autoriteiten nadere vragen te stellen ten aanzien van de kennisgevingen en of de advocaat ter zitting aanwezig was in hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie was de opgeëiste persoon op de hoogte van de strafzaak. De Roemeense autoriteiten hebben de opgeëiste persoon viermaal in persoon gedagvaard en bovendien heeft hij zelf hoger beroep ingesteld. De opgeëiste persoon is vervolgens in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee is het vonnis in eerste aanleg in stand gelaten en onherroepelijk geworden. De opgeëiste persoon wist van de zittingsdatum en was dan ook in de gelegenheid om op de zitting aanwezig te zijn om aldaar zijn verdediging te voeren.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Dit betekent dat de rechtbank de beslissing van
the Timișoara Court of Appealmet kenmerk 416/19.05.2025 zal toetsen aan artikel 12 OLW Pro. Deze beslissing wordt immers door de uitvaardigende justitiële autoriteit aangeduid als “
final decision” in antwoord op de door het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) gestelde vraag of met deze beslissing de zaak ten gronde definitief is afgedaan als hiervoor bedoeld.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 18 december 2025 een D-formulier voor de procedure in hoger beroep toegezonden. Hierin is onder 3.1a vermeld dat de opgeëiste persoon op 18 februari, 18 maart, 15 april en 29 april 2025 in persoon zou zijn gedagvaard. Daarnaast is de situatie van 3.2 aangekruist, te weten dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren en de gemachtigd advocaat ook tijdens het proces daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Tot slot staat onder punt vier van dit D-formulier de naam genoemd van de advocaat die de opgeëiste persoon heeft bijgestaan, alsmede dat de Roemeense autoriteiten een bevel medebrenging hebben uitgevaardigd, maar de opgeëiste persoon werd niet thuis aangetroffen, omdat hij zich al in Nederland bevond vanwege zijn werk.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of de oproepingen voor de zittingen in hoger beroep inderdaad in persoon aan de opgeëiste persoon zijn uitgereikt. Volgens de informatie uit het nagezonden D-formulier blijkt immers dat de opgeëiste persoon – die zelf hoger beroep heeft ingesteld en dus op de hoogte was van het voorgenomen proces – tijdens het proces in hoger beroep is vertegenwoordigd door een advocaat die daartoe door hem gemachtigd was. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de inhoud van het verzoek tot heropening van de strafzaak dat de raadsvrouw heeft overgelegd. Daarin staat onder meer:
“Bovendien had ik weliswaar een advocaat, maar hij heeft mij nooit geïnformeerd over de termijnen, over mijn verplichting om in te stemmen met taakstraf of over het risico van daadwerkelijke tenuitvoerlegging.
Een verdediging die alleen op papier bestaat, is geen verdediging – het is een schijngarantie die mij in werkelijkheid mijn fundamentele recht ontnam om mijn standpunt over de tegen mij ingebrachte beschuldigingen uiteen te zetten”.
Daaruit leidt de rechtbank af dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat in hoger beroep schriftelijk de verdediging heeft gevoerd. Anders dan de raadsvrouw in haar verweer lijkt te veronderstellen, vereist artikel 12, aanhef en onder b, OLW niet dat de advocaat de verdediging daadwerkelijk
ter terechtzittingheeft gevoerd. Ook een schriftelijk verweer kan onder de in dat artikellid bedoelde situatie vallen. [5] Dit betekent de uitzondering zoals bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW zich voordoet en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Het verweer van de raadvrouw wordt verworpen.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

6.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in Roemenië

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. [6]
Bij brief van 18 december 2025 heeft de
Director Generalvan de
National Administration of Penitentiariesde volgende garantie gegeven:
“(…) Considering the request submitted in case file no. 4291121012023 dated 17.12.2025, concerning the inquiry regarding the detention conditions that [opgeëiste persoon] (born on [geboortedatum] , domiciled in Arad County, sentenced to 1 year of imprisonment) would benefit from, should he be transferred to the Romanian authorities, we hereby inform you as follows: ln the event that the person deprived of liberty is handed over to the Romanian authorities at Henri Coandd International Airport, Bucharest, he will initially be placed in Bucharest-Rahova Penitentiary for the purpose of completing the quarantine period, for a duration of 21 days, in a cell ensuring a minimum personal space of 3 square meters. (…)
Considering the length of the sentence, it is most likely that the person will initially serve the custodial sentence under the open regime. (…) It is most likely that, initially, the sentence will be served at Timisoara Penitentiary. (…)
The person named [opgeëiste persoon] will benefit from a minimum individual space of 3 square meters throughout the execution of the sentence, except during allocation within the open regime, during which he will benefit from 4 square meters, including the bed and related furniture, excluding the space allocated to the sanitary facilities. (…)”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [7] De rechtbank is, gelet op de op 18 december 2025 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering van de opgeëiste persoon. Ook in de quarantaineperiode wordt immers een persoonlijke ruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel gegarandeerd.
Verzoek vertaling detentiegarantie
De raadsvrouw heeft verzocht om de verstrekte detentiegarantie ook in de originele (Roemeense) taal aan het dossier toe te voegen. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (Richtlijn 2010/64/EU). Uit deze richtlijn volgt volgens de raadsvrouw dat de opgeëiste persoon recht heeft op een vertaling van de essentiële stukken in de overleveringsprocedure, waaronder ook moet worden verstaan de aanvullende informatie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt verstrekt in het kader van de beoordeling van de detentieomstandigheden. Het IRC heeft een schriftelijk verzoek door de raadsvrouw om de niet-vertaalde versie van de detentiegarantie op te vragen bij de Roemeense autoriteiten afgewezen. De officier van justitie heeft op dit punt ter zitting geen standpunt ingenomen.
De rechtbank overweegt als volgt. De Richtlijn 2010/64/64 is in Nederland, voor wat betreft het deel daarvan dat ziet op vertaling van stukken in procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, geïmplementeerd in artikel 23, derde lid, OLW. In dat artikellid is bepaald dat de opgeëiste persoon recht heeft op een schriftelijke vertaling van ten minste de relevante onderdelen van het Europees aanhoudingsbevel in een voor hem begrijpelijke taal. Dit betreft een implementatie van artikel 3, zesde lid, Richtlijn 2010/64/EU, waarin staat:
“In procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel zorgt de lidstaat van tenuitvoerlegging ervoor dat zijn bevoegde autoriteiten aan eenieder tegen wie die procedure wordt gevoerd en die de taal waarin het Europese aanhoudingsbevel is gesteld of waarin het door de uitvaardigende lidstaat is vertaald niet verstaat, een schriftelijke vertaling van dat stuk verstrekken.”
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de Richtlijn 2010/64/EU niet dat de opgeëiste persoon in een overleveringsprocedure recht heeft op vertaling van andere stukken dan het EAB zelf. De raadsvrouw heeft in dat verband gewezen op, zo begrijpt de rechtbank, artikel 3, eerste tot en met derde lid, Richtlijn 2010/64/EU, waarin kort gezegd is bepaald dat
een verdachte of beklaagderecht heeft op vertaling van de essentiële processtukken om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. Deze laatste bepalingen zijn naar het oordeel van de rechtbank echter niet van toepassing op de overleveringsprocedure. In de Richtlijn wordt immers een onderscheid gemaakt tussen de strafprocedure, waarin de betrokkene steeds wordt aangeduid als
verdachte of beklaagde, en de overleveringsprocedure. Dat alle in de Richtlijn 2010/64/EU genoemde rechten niet onverkort van toepassing zijn op zowel verdachten in een strafprocedure als opgeëiste personen in een overleveringsprocedure, volgt ook uit overweging 15 van de preambule bij de Richtlijn, waarin staat dat de rechten waarin de Richtlijn voorziet ook moeten gelden voor de overleveringsprocedure
“binnen de bij deze richtlijn gestelde grenzen”. Met betrekking tot de vertaling van stukken zijn deze grenzen gesteld in artikel 3, zesde lid, Richtlijn 2010/64/EU.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Chișineu Criș District Court, Roemenië voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Vgl. Rechtbank Amsterdam 29 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1874.
6.Zie onder andere: Rb. Amsterdam 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en Rb. Amsterdam 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
7.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.