ECLI:NL:RBAMS:2026:1764

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
13-259988-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 6a OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 11 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 februari 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een opgeëiste persoon geboren in 1975 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De zaak betreft strafbare feiten waaronder deelname aan een criminele organisatie en mensenhandel. De rechtbank beoordeelde de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander als voldaan, omdat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en gewerkt.

De rechtbank stelde vast dat de detentieomstandigheden in Polen, ondanks een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten, door een individuele garantie van de Poolse autoriteiten voldoende zijn om overlevering niet te weigeren. De opgeëiste persoon krijgt minimaal 3 m² persoonlijke ruimte en hoeft niet structureel 23 uur per dag in zijn cel te verblijven.

De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op te vragen over de verwachting of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland verliest als gevolg van een opgelegde straf. Tevens wordt een terugkeergarantie bij de uitvaardigende autoriteit opgevraagd. De zaak wordt tijdig opnieuw op zitting gepland.

Uitkomst: Onderzoek heropend voor opvragen IND-advies en terugkeergarantie; detentieomstandigheden in Polen voldoende bevonden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-259988-25
Datum uitspraak: 18 februari 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 8 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2024 door de
Provincial Court in Warsaw, VIII Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 februari 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een d
ecision of the District Court for Warsaw-Śródmieście in Warsaw on the application of a preventive measure against the wanted personvan 28 augustus 2020 met kenmerk No. II Kp 1640/20.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 6 niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
mensenhandel.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Gelijkstelling
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon van juni 2019 tot eind februari 2024 heeft gewoond en gewerkt in Nederland. Hoewel de opgeëiste persoon na februari 2024 geen inkomen heeft verworven, heeft hij wel in Nederland verbleven. Zoals blijkt uit de verklaring van de huurbaas, woonde hij samen met zijn partner en droeg zij de zorg voor het inkomen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om naar aanleiding hiervan een advies van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) op te vragen of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de stukken ten behoeve van het gelijkstellingsverweer buiten beschouwing gelaten moeten worden, omdat deze niet (binnen 10 dagen voor de zitting) tijdig zijn overgelegd. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander, omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is er geen duurzame relatie aangetoond met zijn partner over de periode na februari 2024.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank stukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling in beginsel tijdig zijn overgelegd als zij uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank zijn verstrekt. Dit stelt de rechtbank en de officier van justitie in staat de stukken te bestuderen, en stelt de officier van justitie in de gelegenheid om vragen te stellen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting dat de opgeëiste persoon al dan niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, zoals bepaald in artikel 6a, negende lid, OLW.
In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat, ondanks dat er aanvullingen op de stukken zijn gekomen twee dagen en één dag vóór de zitting, de stukken wel in behandeling worden genomen. De rechtbank acht daarvoor relevant dat het grootste gedeelte van stukken negen dagen voorafgaand aan de zitting zijn verstrekt en de latere aanvullende stukken van tamelijk beperkte omvang zijn. Daarnaast zijn de – eerder ingediende en aanvullende – stukken voorzien van een beknopte toelichting, waarin de inhoud van de aanvullende stukken voldoende wordt geduid.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon van 3 oktober 2019 tot 6 maart 2024 (vier en een half jaar) als ingezetene in Nederland ingeschreven heeft gestaan. Uit het overgelegde getuigschrift van zijn werkgever blijkt dat de opgeëiste persoon van 4 juni 2019 tot en met 23 februari 2024 in dienst is geweest. Dit wordt bevestigd door een overzicht van het UWV, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon van juni 2019 tot eind februari 2024 in Nederland heeft gewerkt. Gelet hierop gaat de rechtbank als begindatum van de vijfjaarsperiode uit van 4 juni 2019. Gelet op het door het UWV vermelde aantal gewerkte uren per jaar en de overgelegde aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting over die jaren is tevens aangetoond dat de opgeëiste persoon in die periode in Nederland voldoende inkomsten heeft gegenereerd. Het feit dat op de aanslagen Inkomstenbelasting van 2022 en 2023 een adres in Polen is opgegeven, doet daar niet aan af, nu uit het UWV-overzicht blijkt dat het aantal gewerkte uren zodanig hoog is, dat het niet anders kan dat de opgeëiste persoon gedurende die jaren wel in Nederland moet hebben verbleven. In de periode vanaf eind februari 2024 heeft de opgeëiste persoon geen inkomen verworven en stond hij niet langer ingeschreven in Nederland. De opgeëiste persoon heeft echter wel aangetoond dat hij wel (samenwonend met zijn partner die zorg heeft gedragen voor het gezamenlijke inkomen) in Nederland heeft verbleven. Aangetoond is bovendien dat de opgeëiste persoon in de aan 24 februari 2024 voorafgaande negen maanden wel voldoende inkomen heeft verworven, daarmee voldoet aan het vereiste dat hij ‘reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht’ en aldus zijn hoedanigheid van werknemer niet is kwijtgeraakt.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND).
Deze informatie, alsook een (mogelijke) garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, ontbreekt in het dossier.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om deze informatie op te vragen bij de IND. Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie ook aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (alvast) een terugkeergarantie op te vragen.

6.Artikel 11 OLW Pro

6.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.2
Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde
remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 [6] en 6 juni 2024 [7] .
De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft daarom navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en naar de omstandigheden aldaar.
De
Prison Servicevan de
Remand Prison in Warsaw-Służewiecheeft deze vragen, voor zover relevant, als volgt beantwoord:
"Pursuant to Article 110 § 2 of the Executive Regulations to the Criminal code, the living space of a residential cell allocated to one inmate amounts to no less than 3 square metres per person. The usable area of residential cells, which is taken into account when calculating their intended use and capacity, constitutes the floor area excluding door recesses, radiator recesses and the area of sanitary corners. […]
In accordance with Order No. 103.24 of the Director General of the Prison Service dated 27 December 2024 on detailed rules for conducting and organizing penitentiary work and on the scope of duties of officers and employees of penitentiary and therapeutic departments as well as penitentiary units, inmates in this facility are provided with the opportunity to participate in cultural, educational and sports activities organized within the residential unit in which they are accommodated, as well as in the central common room.
[…] Inmates use the common room in accordance with the schedule at least twice a week for one hour each time. If the common room is available and an inmate expresses the wish to use it outside the scheduled hours, it may also be made available; however, such consent may not necessarily be granted every day due to the need to ensure access to the common room for all inmates residing in the unit.
[..]
Activities are planned and organized in order to manage free time in accordance with the applicable plan and weekly schedule.
[…]
Furthermore, pursuant to Article 221 § 1 point 5 of the Executive Regulations to the Criminal Code, a remand prisoner may be granted a reward in the form of permission to participate more frequently in cultural and educational activities, as well as physical culture and sports activities. In conclusion, it is not possible to determine unequivocally the number of hours per day that a remand prisoner spends outside the cell. This depends on the inmate’s willingness to participate in cultural, educational, physical culture and sports activities, as well as the decision to exercise the entitlement to a daily one-hour walk.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [8] – op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Hoewel 3 m² persoonlijke leefruimte wordt gegarandeerd, er geen garantie wordt gegeven over de tijd die de opgeëiste persoon per dag buiten zijn cel kan spenderen. Uit de aanvullende informatie blijkt dat er activiteiten buiten de cel worden aangeboden, maar het is niet mogelijk om in te schatten hoeveel tijd de opgeëiste persoon gemiddeld dagelijks buiten de cel kan doorbrengen. Gelet op de eerdere jurisprudentie van deze rechtbank over deze specifieke detentie-instelling, acht de raadsman het stellen van een redelijke termijn voor het stellen van nadere vragen niet noodzakelijk.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie niet volstaat. De officier van justitie verzoekt de rechtbank dan ook om de zaak aan te houden zodat er nadere vragen gesteld kunnen worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Poolse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de ongedateerde aanvullende informatie. [9]
De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Poolse autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten omdat de opgeëiste persoon minimaal 3 m² persoonlijke ruimte heeft in een meerpersoonscel (exclusief sanitair) en hij niet structureel 23 uur per dag in zijn cel hoeft door te brengen. De rechtbank sluit hierbij aan bij haar uitspraak van 24 december 2025, waarbij een vergelijkbare afweging is gemaakt. [10] De detentieomstandigheden staan daarom niet aan overlevering in de weg.

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 genoemde informatie op te vragen bij de IND en de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALTdat de zaak tijdig vóór het verstrijken van de beslistermijn op 5 maart 2026 weer op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. L. Baroud en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
7.Rb. Amsterdam 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.
8.ECLI:N:RBAMS:2024:8204, ECLI:NL:RBAMS:2025:5824 en ECLI:NL:RBAMS:2025:823.
9.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.