ECLI:NL:RBAMS:2026:189

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
AMS 25/2708
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar aanvraag voor een WIA-uitkering af te wijzen wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0%. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste en zorgvuldige wijze heeft vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig is uitgevoerd, waarbij een dossierstudie in de bezwaarfase volstond. Er was geen aanleiding voor een tweede spreekuur of het opvragen van aanvullende medische gegevens, mede omdat eiseres niet onder behandeling was bij een medisch specialist. De medische rapportages zijn begrijpelijk en bevatten geen tegenstrijdigheden.

Verder is vastgesteld dat de beperkingen van eiseres, waaronder psychische klachten en vermoeidheid, adequaat zijn meegenomen in de functionele mogelijkhedenlijst. Er is geen medische onderbouwing voor aanvullende beperkingen of een urenbeperking. De subjectieve klachtenbeleving van eiseres zonder medische onderbouwing is onvoldoende om het oordeel van de verzekeringsarts te weerleggen.

De arbeidsdeskundige beoordeling is eveneens juist en niet betwist. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering, geen griffierecht terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2708

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een WIA-uitkering [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 13 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiseres voor een WIA-uitkering per 1 december 2024 (datum in geding) afgewezen.
2.1.
In het besluit van 2 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft voor het laatst gewerkt als [functie] voor gemiddeld 32 uur per week. Op 25 juli 2022 heeft zij zich voor het eerst ziekgemeld. Op dat moment ontving zij een WW-uitkering. [2] Nadat eiseres een WAZO-uitkering had gekregen, [3] heeft zij zich op 1 juli 2023 opnieuw ziekgemeld. Na het doorlopen van de zogenoemde wachttijd van 104 weken, heeft eiseres op 15 augustus 2024 een WIA-uitkering aangevraagd.
4. Het Uwv heeft de WIA-aanvraag op 13 januari 2025 afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Met het bestreden besluit van 2 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. In beide gevallen heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage gesteld op 0%. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 21 maart 2025 en de rapportage van de arbeidsdeskundige b&b van 2 april 2025 ten grondslag gelegd.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres juist heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
6. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres juist heeft vastgesteld. Dat betekent dat het beroep van eiseres ongegrond is. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
Beoordelingskader
7. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn.
8. De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet de eisende partij dan wel aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de medische rapporten niet aan de genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om echter voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of een medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zich voelt en welke klachten zij ervaart, zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest?
9. Eiseres heeft ten eerste aangevoerd dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts b&b onzorgvuldig is geweest. Volgens haar had in bezwaar een tweede spreekuur moeten plaatsvinden. Het gesprek in het eerste spreekuur verliep namelijk moeizaam, met als gevolg dat daarin onvoldoende informatie is verkregen. Daarnaast had het Uwv medische informatie bij behandelaars moeten opvragen, omdat in de medische rapportage wordt gesproken over een stoornis.
9.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en overweegt daartoe het volgende.
9.2.
Eiseres is in de primaire fase op 23 oktober 2024 op een spreekuur onderzocht door een verzekeringsarts. Tijdens dat spreekuur vond een observerend psychisch en lichamelijk onderzoek plaats, waarbij de anamnese uitgebreid is uitgevraagd en het dagverhaal is besproken. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 9 december 2024 en op dezelfde datum een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarin de beperkingen van eiseres zijn weergegeven. De verzekeringsarts b&b heeft dossierstudie verricht. Ook heeft hij gemotiveerd dat van een tweede spreekuur is afgezien omdat het eerste spreekuur voldoende informatie opleverde en uit de dossierstudie geen onduidelijkheden naar voren kwamen. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat het eerste spreekuur op momenten goed verliep maar met name op het einde niet. Daarom was het goed mogelijk om tijdens het spreekuur voldoende relevante informatie te verkrijgen voor de medische beoordeling, waarbij het verloop van het gesprek ook is betrokken. Er waren volgens het Uwv ook geen medische stukken aanwezig die aanleiding gaven voor nader onderzoek. De verzekeringsarts b&b heeft alle relevante informatie, waaronder de bezwaren van eiseres, duidelijk en inzichtelijk bij zijn herbeoordeling betrokken, zoals blijkt uit het rapport van 21 maart 2025 onder de kop ‘7. Heroverweging in bezwaar’. Omdat eiseres uitgebreid is onderzocht door de primaire verzekeringsarts en de rechtbank de motivering om af te zien van een tweede spreekuur en het standpunt van het Uwv op zitting kan volgen, heeft het Uwv wat betreft het medisch onderzoek in de bezwaarfase mogen volstaan met een dossierstudie.
9.3.
Anders dan eiseres heeft gesteld, bestond er ook geen aanleiding om aanvullende medische gegevens op te vragen bij de behandeld sector. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een verzekeringsarts (b&b) op zijn eigen oordeel kan afgaan bij het vaststellen van beperkingen. [4] De verzekeringsarts moet de behandelend sector wel raadplegen als er een lopende behandeling is die een belangrijke invloed zal hebben op de arbeidsgeschiktheid van de betrokkene, of als de betrokkene aangeeft dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn beperkingen. Geen van die gevallen doen zich hier echter voor. Eiseres heeft geen medische stukken ingebracht waaruit dit zou volgen. Daarnaast heeft haar gemachtigde ter zitting bevestigd dat zij niet onder behandeling is (geweest) voor haar klachten en dat er (daarom) ook geen behandelaars zijn bij wie de verzekeringsarts b&b nadere medische informatie had kunnen opvragen. Ook maakt de constatering van de verzekeringsarts b&b in zijn medische rapportage dat de wijze waarop eiseres communiceert op het niveau van een stoornis ligt, niet dat een verzekeringsarts uit zichzelf nader onderzoek daarnaar moet verrichten. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat dit op basis van het eigen onderzoek is vastgesteld en ook is meegenomen bij het bepalen van de beperkingen van eiseres. Dat is onder deze omstandigheden ook voldoende.
9.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de medische rapportages (zowel in de primaire fase als in bezwaar) op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Er zijn geen gronden voor het oordeel dat de verzekeringsarts b&b aanvullend (spreekuur)onderzoek had moeten verrichten of medische informatie had moeten opvragen. De rechtbank vindt de motivering begrijpelijk en voldoende en kan de daaropvolgende conclusies ook volgen. Het Uwv mocht zich dan ook op deze rapportages baseren. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de medische beoordeling juist?
10. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de medische beoordeling onjuist is. Volgens haar is onvoldoende rekening gehouden met haar beperkingen als gevolg van een gecompliceerde zwangerschap, hoge bloeddruk, stress klachten en ernstige vermoeidheid. Daarom had het Uwv (aanvullende) beperkingen op psychisch en op energetisch gebied, zoals een urenbeperking, moeten vaststellen. Daarnaast bevatten de medische rapportages volgens eiseres onwaarheden.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de beperkingen van eiseres op de datum in geding op juiste wijze heeft vastgesteld in de FML van 27 maart 2025. De verzekeringsarts b&b heeft in het rapport van 21 maart 2025 gemotiveerd uiteengezet dat de vastgestelde beperkingen zijn gebaseerd op het primaire rapport en de beschikbare medische informatie. Daarbij is vastgesteld dat eiseres is beperkt op het gebied van conflicthantering, staan en lopen. De verzekeringsarts b&b heeft toegelicht dat de psychische klachten en vermoeidheid, die reeds bekend waren en in het primaire rapport zijn benoemd, voldoende zijn meegenomen bij het vaststellen van deze beperkingen. Ter voorkoming van stresssituaties zijn bovendien aanvullende psychische beperkingen opgenomen. Voor aanvullende beperkingen in verband met hoge bloeddruk zag de verzekeringsarts b&b geen aanleiding, omdat hiervoor geen medische onderbouwing is overgelegd. Verder is gemotiveerd uitgelegd dat de primaire verzekeringsarts bij het vaststellen van de beperkingen rekening heeft gehouden met de communicatieproblemen en de onderliggende stoornis van eiseres. In dit kader heeft de verzekeringsarts b&b nog een extra beperking opgenomen voor het uiten van eigen gevoelens, vanwege haar verbale uitingen en contactverboden. De rechtbank kan de gegeven uitleg goed volgen en ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van de medische beoordeling te twijfelen.
10.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 27 maart 2025 juist zijn vastgesteld en ziet geen aanwijzingen dat deze zijn onderschat. Hoewel eiseres in haar beroepschrift heeft aangegeven dat zij haar beperkingen anders ervaart, heeft zij geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van meer of andere beperkingen dan in de FML zijn opgenomen. De (subjectieve) klachtenbeleving van eiseres kan op zichzelf niet leiden tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts b&b. Daarvoor zijn medisch geobjectiveerde gegevens noodzakelijk, en die ontbreken.
10.3.
Het voorgaande geldt specifieker ook voor de stelling van eiseres dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld. Het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat een urenbeperking alleen wordt aangenomen als de aangenomen beperkingen in het sociaal en persoonlijk functioneren onvoldoende zijn, maar dat daarvan geen sprake was. Daarnaast volgt uit de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid dat een urenbeperking alleen kan worden vastgesteld bij een stoornis in de energiehuishouding, op preventieve gronden of door verminderde beschikbaarheid. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is, en ook niet dat de FML van 27 maart 2025 verder onjuist of onvoldoende is. De rechtbank volgt daarom het standpunt van het Uwv dat het achterwege laten van een urenbeperking terecht is.
10.4.
Tot slot heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van eiseres dat de medische rapportages onwaarheden bevatten.
10.5.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om aan het medische oordeel van de verzekeringsarts b&b te twijfelen. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.
Is de arbeidskundige beoordeling juist?
11. Eiseres heeft geen specifieke, gemotiveerde arbeidsdeskundige beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan de juistheid van de toelichting van de arbeidsdeskundige b&b te twijfelen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk te achten.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van M. Kadis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
de griffier is buiten
staat te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
3.Een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg.
4.Vgl. CRvB 30 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1524.