ECLI:NL:RBAMS:2026:1955

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
21/5326
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet openbaarheid van bestuurBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Wob-verzoek na volledige zoekslag door gemeente Amsterdam

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam over de openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat de zoekslag van verweerder onvoldoende was, omdat mogelijk documenten ontbraken die relevant waren voor het verzoek.

Verweerder heeft vervolgens een herstelpoging gedaan door aanvullende motivering en het doorzoeken van mailboxen van betrokken ambtenaren en dossiers. Eiseres bleef echter twijfelen aan de volledigheid, met name over mailboxen van bepaalde ambtenaren en de aanwezigheid van specifieke documenten.

De rechtbank concludeert dat verweerder inmiddels een volledige zoekslag heeft gemaakt, waarbij alle relevante mailboxen en dossiers zijn doorzocht en plausibele verklaringen zijn gegeven voor het ontbreken van bepaalde documenten. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat het gebrek is hersteld.

Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 26 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat de gemeente een volledige zoekslag heeft gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/5326

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. B.B. van Vliet),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel
Van Keulen Beheer B.V. en [persoon 1]te Amsterdam
(gemachtigde: mr. A.I. Tsheichvili).

Procesverloop

Met een besluit van 21 augustus 2020 heeft verweerder beslist op het verzoek van eisers om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Met het besluit van 23 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 21 augustus 2020 aangepast en alsnog de bij een nadere zoekslag gevonden documenten (deels) openbaar gemaakt.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, vergezeld door [persoon 2] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mr. H.D. Hosper. Ook [persoon 1] is verschenen, mede namens Van Keulen Beheer B.V. en bijgestaan door haar gemachtigde.
In de tussenuitspraak van 25 maart 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 14 april 2025 een aanvullende motivering ingediend (de herstelpoging). Eiseres heeft hier 14 mei 2025 schriftelijk op gereageerd.
Met een brief van 3 oktober 2025 heeft de rechtbank, naar aanleiding van het schrijven van eiseres, aan verweerder drie nadere vragen gesteld. Op 13 november 2025 heeft verweerder hierop gereageerd. Eiseres heeft te kennen gegeven dat zij geen aanvullende reactie indient.
De rechtbank heeft op 2 februari 2026 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [1]
2. In dit geval is sprake van zo een uitzonderlijk geval op het volgende punt. Anders dan de rechtbank in de tussenuitspraak heeft aangenomen, is het beroep alleen ingesteld door eiseres en niet ook door haar partner. De rechtbank komt daarom terug op de overweging in de tussenuitspraak onder 6, dat het beroep van de partner niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Voor het overige blijft de rechtbank bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en/of onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de zoekslag die verweerder gemaakt heeft niet volledig is geweest. Dat betekent dat mogelijk niet alle documenten waar het Wob-verzoek op ziet, naar boven zijn gekomen. Eiseres heeft concrete aanknopingspunten genoemd over documenten die aanwezig zouden moeten zijn en niet naar boven zijn gekomen: een verzoek tot aanpassing van het project van 11 augustus 2018 en tekeningen van 13 augustus 2018. Zolang geen volledige zoekslag is gemaakt, kan niet worden uitgesloten dat deze stukken alsnog worden aangetroffen bij een wel volledige zoekslag.
4. Verweerder heeft in de herstelpoging vermeld dat zowel de mailboxen van de vergunningverlener ( [persoon 3] ) als de mailboxen van de betrokken ambtenaren vanuit toezicht [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 6] ), in de bezwaarprocedure zijn doorzocht. Daarbij is gezocht op kenmerknummer (OLO-nummers) en het adres. Daarbij kunnen, aldus verweerder, geen e-mails gemist zijn, omdat bij de communicatie over de dossiers altijd het kenmerknummer en het adres worden genoemd. Verder zijn alle documenten die zich bevonden bij toezicht uit het toezichtdossier en vanuit vergunningen uit het vergunningdossier geopenbaard. Er zijn geen andere systemen, mailboxen of schijven waarop documenten kunnen zijn opgeslagen. Ook zijn alle documenten die zijn aangeleverd via de OLO geplaatst in PowerBrowser en geopenbaard. Volgens verweerder zijn er geen ontbrekende documenten. Het verzoek van 11 augustus 2018 is niet aangetroffen. Het is volgens verweerder goed mogelijk dat dit verzoek destijds telefonisch is gedaan. Het ontvangen aangepaste project van 13 augustus 2018 is reeds geopenbaard. Wat betreft het volgens eiseres ontbrekende inspectierapport, geldt dat het rapport ‘checklist B.O.M.’ het inspectierapport is. Er is geen andersoortig inspectierapport opgesteld. Verweerder acht het niet aannemelijk dat er nog andere documenten bestaan.
5. Eiseres heeft zich in reactie hierop op het standpunt gesteld dat (nog steeds) sprake is van een gebrekkige zoekslag. Verweerder heeft niet aangetoond dat de mailboxen van de heer [persoon 7] en de heer [persoon 8] zijn doorzocht. De heer [persoon 7] is betrokken geweest bij de vergunningverlening. Anders dan verweerder stelt, is de afschouw-inspectie uitgevoerd door de heer [persoon 8] en niet door de heer [persoon 6] . Dit heeft zij onderbouwd met een schriftelijke reactie van de heer [persoon 9] , getiteld ‘reactie Allard’.
6. De rechtbank heeft verweerder gevraagd hierop te reageren. Verweerder heeft geantwoord dat de heer [persoon 7] zowel bij het primaire besluit als in bezwaar is gevraagd in zijn mailbox te zoeken naar documenten. Anders dan eiseres stelt, is de heer [persoon 8] niet betrokken geweest bij de afschouw van de [adres 1] . Desgevraagd heeft de heer [persoon 8] aangegeven ook nooit op de [adres 1] te zijn geweest. Op de vraag hoe het kan dat zijn naam wordt genoemd door eiseres, heeft de heer [persoon 8] aangegeven dat het adres [adres 1] wel in zijn wijk valt, maar dat dit dossier destijds is opgepakt door de heer [persoon 5] wegens werkdruk. Wellicht dat daar de verwarring door is ontstaan. De heer [persoon 8] heeft dan ook geen documenten.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder inmiddels een volledige zoekslag heeft gemaakt. Verweerder is nagegaan welke ambtenaren betrokken zijn geweest bij de verlening van de omgevingsvergunningen en of deze nog werkzaam zijn bij de gemeente. Verweerder heeft hun mailboxen gecontroleerd. Verder heeft verweerder het toezicht- en het vergunningdossier doorzocht. Naar aanleiding van de herstelpoging van verweerder heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de mailbox van de heer [persoon 7] niet is doorzocht. Verweerder heeft hierop gereageerd dat dit wel het geval is. De rechtbank ziet dit ook bevestigd in het dossier. Op 1 juli 2020 heeft de heer [persoon 7] een e-mail gestuurd aan de gemachtigde van eiseres waaruit blijkt dat hij persoonlijk stukken aan eiseres heeft verstrekt. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen kan het aan de discretie van de ambtenaren die zijn bevraagd worden overgelaten dat zij hun zoekopdracht volledig hebben uitgevoerd, voor zover het de documenten betreft die zich direct onder hen bevinden, zoals in hun eigen mailbox. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder het standpunt van eiseres dat niet de heer [persoon 6] , maar de heer [persoon 8] de inspecteur bij de afschouw was, voldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Nu verweerder zowel de mailbox van de heer [persoon 6] , als het toezichtdossier heeft doorzocht, acht de rechtbank het aannemelijk dat ook ten aanzien van de afschouw een volledige zoekslag is verricht. Gelet op de nadere toelichting die verweerder na de tussenuitspraak over de gemaakte zoekslag heeft gegeven, acht de rechtbank het standpunt van verweerder dat het verzoek tot aanpassing van het project van 11 augustus 2018 mogelijk telefonisch is gedaan, aannemelijk. Verweerder heeft daarmee een aannemelijke verklaring gegeven voor het ontbreken van documenten over dit verzoek, ondanks de concrete aanknopingspunten die eiseres voor het bestaan daarvan heeft genoemd.
8. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. [2] De eindconclusie na de tussenuitspraak is dat eiseres hierin niet is geslaagd.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder hoeft geen nieuwe zoekslag uit te voeren en hoeft ook niet meer documenten openbaar te maken dan hij nu heeft gedaan.
10. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep van eiseres gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak en in de daarna gevoerde correspondentie het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiseres uiteindelijk niet in het gelijk wordt gesteld.
11. Omdat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiseres gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. S.D. Arnold en
mr. T.L. Fernig-Rocour, leden, in aanwezigheid van mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2689, onder 7.2.