ECLI:NL:RBAMS:2026:21

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
13-226706-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met gelijktijdige bevel tot tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in Nederland

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door Polen. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1995 in Polen, die wordt verdacht van verschillende strafbare feiten, waaronder mishandeling en diefstal met geweld. De rechtbank heeft eerder in een tussenuitspraak op 28 oktober 2025 geoordeeld dat aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander is voldaan, en heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd om aanvullende informatie op te vragen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Op de zitting van 17 december 2025 is de behandeling van het EAB voortgezet, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft op 7 januari 2026 het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan. De rechtbank concludeert dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt geweigerd op basis van artikel 6a van de Overleveringswet, maar gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen in Nederland beveelt. De rechtbank oordeelt dat de opgeëiste persoon voldoende banden met Nederland heeft en dat zijn maatschappelijke re-integratie wordt bevorderd door de tenuitvoerlegging van de straffen in Nederland. De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-226706-25
Datum uitspraak: 7 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 26 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juli 2021 door de
Chairman of III Criminal Division – court judge of Sąd Okręgowy in Kielce, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 14 oktober 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting 14 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 28 oktober 2025
Bij tussenuitspraak van 28 oktober 2025 [3] heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoel in artikel 6a OLW is voldaan. De rechtbank overwoog dat het zeer goed denkbaar is dat de uitvraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) oplevert dat ook aan de tweede voorwaarde zal zijn voldaan en dus het certificaat en de arresten opgevraagd zullen moeten worden. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 in de uitspraak genoemde informatie op te vragen bij de IND (en, aansluitend zo nodig, bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een ingevuld certificaat en de vonnissen op te vragen).
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen verlengd, met gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 17 december 2025
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 28 oktober 2025 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, de (dubbele) strafbaarheid van de feiten en de Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW). Wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 28 oktober 2025. De overwegingen uit voornoemde uitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft bij die uitspraak geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde is voldaan.
Bij brief van 18 november 2025 is van de afdeling Regulier Verblijf en Nederlanderschap van de IND, voor zover hier relevant, het volgende bericht ontvangen.

In reactie op uw adviesverzoek van 13 november 2025 laat ik u weten dat de
strafrechtelijke feiten die u beschrijft er niet toe leiden dat de heer [de opgeëiste persoon]
zijn verblijfsrecht verliest.
De rechtbank is van oordeel dat met deze verklaring ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
medeplegen van mishandeling;
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak C.J. [5] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 30 september 2025 [6] heeft overwogen volgt uit het arrest van het HvJ EU
- kort samengevat - dat toestemming van de beslissingsstaat vereist is voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
In deze zaak heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 21 november 2025 laten weten toestemming te geven voor overname van de straffen. Voorts zijn op 28 november 2025 het certificaat en de (drie) veroordelende vonnissen toegezonden. Dit betekent dat de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straffen door Nederland. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 141, 300 en 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Chairman of III Criminal Division - Sąd Okręgowy in Kielce, Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van
28 oktober 2025 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.
HEFT OPde - geschorste - overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (