ECLI:NL:RBAMS:2026:2207

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11219697 \ CV EXPL 24-9023
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht bij leaseovereenkomst met oneerlijke bedingen

Eisende partij, een leasebedrijf, vordert betaling van onbetaalde leasetermijnen en schadevergoeding van gedaagde, een consument, op grond van een leaseovereenkomst. Gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter toetst ambtshalve de overeenkomst aan het consumentenrecht en de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen.

De rechter constateert dat eisende partij niet alle facturen heeft overgelegd en beveelt nadere toelichting en overlegging. De informatieplichten zijn nageleefd, maar enkele bedingen worden getoetst op oneerlijkheid. De leaseprijs is transparant, maar de verhoging daarvan moet worden toegelicht. Bedingen over eigen risico zijn niet oneerlijk, maar het rentebeding van 1,5% per maand (18% per jaar) wordt als oneerlijk aangemerkt vanwege de hoge rente.

Ook de bedingen over buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten zijn oneerlijk omdat zij de consument ongelimiteerd kunnen belasten, wat strijdig is met dwingend recht en jurisprudentie. De kantonrechter is voornemens deze bedingen buiten toepassing te laten, maar geeft eisende partij gelegenheid tot reactie. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere stukken en uitlatingen, waarna verdere beslissing volgt.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen voor nadere onderbouwing en uitlatingen over facturen, schade en oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11219697 \ CV EXPL 24-9023
Vonnis van 29 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEKKERLEASEN.NL B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: Bosveld,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 juni 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert uit hoofde van een met gedaagde partij gesloten leaseovereenkomst veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 2.558,26 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, verminderd met betalingen van gedaagde partij. Op de leaseovereenkomst zijn algemene voorwaarden en een mantelovereenkomst van toepassing. De vordering is gedeeltelijk gebaseerd op de algemene voorwaarden.
2.2.
De vordering bestaat, ook blijkens de facturen, uit onbetaald gelaten leasetermijnen en eigen risico vanwege geconstateerde schades bij inname, verminderd met (een restant van) de betaalde waarborgsom.
2.3.
Vooropgesteld wordt dat eisende partij niet alle facturen heeft overgelegd. Zij dient de ontbrekende facturen met factuurnummers [nummer 1] en [nummer 2] te overleggen, alsmede, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan, zich uit te laten over de inhoud van deze facturen, de bedingen te noemen die aan deze onderdelen van de vordering ten grondslag liggen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid daarvan.
2.4.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.5.
Eisende partij heeft gesteld op welke wijze de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Onder de gestelde omstandigheden zijn, anders dan eisende partij stelt in punt 4 van de dagvaarding, de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Nu alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is opgenomen in de leaseovereenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doorlezen alvorens deze in de verkoopruimte van eisende partij te ondertekenen, wordt het ervoor gehouden dat eisende partij heeft voldaan aan haar informatieplichten.
2.6.
Van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering moet worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als een beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
2.7.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Dat is het toetsingsmoment. Irrelevant voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg over de bedoeling.
2.8.
De leaseprijs en de prijs per meer gereden kilometer zien op het eigenlijke voorwerp van de overeengekomen prestaties. Ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn moeten dergelijke bedingen uitsluitend op oneerlijkheid worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu de prijs op transparante wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.9.
Wel dient eisende partij toe te lichten waarom zij een hogere leaseprijs per maand bij gedaagde partij in rekening brengt dan in de leaseovereenkomst staat. De bedingen die die aan deze verhoging ten grondslag liggen dient eisende partij te noemen. Daarnaast dient eisende partij een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van die bedingen.
2.10.
Eisende partij heeft meerdere keren een bedrag van € 300,00 en een bedrag van € 220,00 bij gedaagde partij in rekening gebracht, in verband met respectievelijk geconstateerde schades en het niet inleveren van de reservesleutel. De gestelde schades zijn echter niet onderbouwd door middel van een schaderapport. Eisende partij zal de schade moeten onderbouwen.
2.11.
De in rekening gebrachte bedragen aan eigen risico zijn gebaseerd op artikel 9.3 en 9.5 van de algemene voorwaarden. Deze bedingen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.12.
In de algemene voorwaarden staat in artikel 16.3 een rentebeding. Dat beding moet worden getoetst op oneerlijkheid, omdat eisende partij aanspraak maakt op wettelijke rente. Het beding luidt:
16.3.
Niet tijdige betaling van enig door Cliënt verschuldigd bedrag levert verzuim van Cliënt op. Deze is dan over het niet op tijd betaalde bedrag een rente verschuldigd van 1,5% per maand, waarbij een ingegane maand voor een volle wordt gerekend.
2.13.
Dit beding wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat de overeengekomen rente aanzienlijk hoger is dan het destijds in 2017 geldende wettelijke rentepercentage van 2% per jaar. Het overeengekomen rentepercentage komt neer op 18% per jaar. Dat wordt als een onevenredig hoge schadevergoeding aangemerkt.
2.14.
In de algemene voorwaarden staan ook bedingen over buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten (proceskosten). Deze staan in artikel 16.4 van de algemene voorwaarden:
16.4.
Ten laste van Cliënt komen alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten van welke aard dan ook, die de Lessor als gevolg van een niet-nakomen door de Cliënt van diens verplichtingen heeft moeten maken.
2.15.
Op grond van het beding kunnen, zonder limiet, alle gemaakte buitengerechtelijke kosten bij de consument in rekening worden gebracht. Een verwijzing naar de wettelijke regeling ontbreekt. Het beding sluit zich daar ook niet bij aan, terwijl die regeling van dwingend recht is. Als wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198). Nu eisende partij zichzelf met het beding de bevoegdheid heeft gegeven om ongelimiteerd kosten bij de consument in rekening te brengen, is sprake van een aanzienlijke verstoring van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst, ten nadele van de consument. Het beding is daarom oneerlijk.
2.16.
Voor wat betreft het beding over de gerechtelijke kosten geldt in essentie hetzelfde. Het beding geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocatenkantoor. Dat is normaal gesproken slechts voorbehouden aan zeer bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht. Een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht is als oneerlijk aan te merken. Dat is door de Hoge Raad bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820).
2.17.
De kantonrechter is voornemens de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt ambtshalve buiten toepassing te laten, zodat gedaagde partij daaraan niet is gebonden. Voordat de kantonrechter de bedingen buiten toepassing laat, mag eisende partij zich daarover uitlaten.
2.18.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating en overlegging stukken door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.3, 2.9, 2.10 en 2.17.
2.19.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 26 februari 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating en overlegging stukken door eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.19,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
991