ECLI:NL:RBAMS:2026:2226

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
13-393260-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering Europees aanhoudingsbevel met gelijktijdige strafovername in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Italiaanse justitiële autoriteit voor de overlevering van de opgeëiste persoon. Na een eerste zitting en een tussenuitspraak waarbij het onderzoek werd geschorst voor aanvullende documenten, werd het EAB opnieuw behandeld.

De rechtbank stelde vast dat het vereiste certificaat en het veroordelende arrest van het Italiaanse gerechtshof waren ontvangen, waarmee voldaan was aan de voorwaarden voor strafovername volgens artikel 6a van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank oordeelde dat de overlevering aan Italië geweigerd moet worden en dat Nederland de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf van drie jaar en acht maanden moet overnemen.

De raadsman verzocht om schorsing van de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging vanwege een voorgenomen gratieverzoek, maar de rechtbank wees dit af omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond. De rechtbank beval de voortzetting van de gevangenhouding tot aan de uitvoering van de straf in Nederland.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De beslissing is gebaseerd op de relevante artikelen van de Overleveringswet en het Wetboek van Strafrecht, en houdt rekening met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering aan Italië en beveelt de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-393260-24
Datum uitspraak: 25 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2025 door
the Office of the Prosecutor General of the
Republic attached to the Court of Appeal of Rome, Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële
autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna "de opgeëiste persoon".

1.Procesgang

Zitting 26 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 november 2025 in
aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen
en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 10 december 2025 [3]
Bij tussenuitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van
the Court of Appeal of Rome – 4th Criminal Divisionvan 22 september 2023 op te vragen, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Italië opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn met nog eens met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 11 februari 2026
De voorzetting van de behandeling van het EAB heeft – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – plaatsgevonden op de zitting van 11 februari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 10 december 2025 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro (onder 3.1) en de (dubbele) strafbaarheid (onder 4). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in de tussenuitspraak van 10 december 2025 (onder 5) die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Standpunten van de raadsman en de officier van justitie
Volgens de raadsman en de officier van justitie kan de overlevering op grond van artikel 6a
OLW worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf, omdat het vereiste certificaat en het onderliggende vonnis inmiddels zijn ontvangen.
Oordeel van de rechtbank
In overeenstemming met het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 in de zaak
C.J. [4] heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het certificaat van 14 januari 2026 zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het veroordelende arrest van 22 september 2023 van het gerechtshof van
the Court of Appeal of Rome – 4th Criminal Divisiontoegezonden. Dit betekent dat de beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen.

5.Verzoek om schorsing van het bevel gevangenhouding vanaf de uitspraak

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om – indien de overlevering wordt geweigerd onder gelijktijdige strafovername – het bevel tot gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging van de straf te schorsen vanwege de bijzondere omstandigheid dat de opgeëiste persoon direct na de uitspraak van de rechtbank over het overleveringsverzoek een gratieverzoek wil indienen. Uit onderdeel L) van het certificaat blijkt dat de opgeëiste persoon in Italië voor huisarrest in aanmerking had kunnen komen, indien hij hiermee binnen 30 dagen na het arrest had ingestemd. Nu hij dit niet heeft gedaan moet de opgeëiste persoon in Nederland de volledige gevangenisstraf uitzitten. Het verschil in strafmodaliteit is zo groot dat een gratieverzoek kansrijk is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen schorsing van de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging van de straf omdat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid. Uit onderdeel F) van het certificaat volgt ook dat de uitvaardigende justitiële autoriteit wil dat de opgeëiste persoon de gevangenisstraf gaat uitzitten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevelen tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de raadsman voornemens is om namens de opgeëiste persoon een gratieverzoek in te dienen geen reden om het schorsingsverzoek toe te wijzen. Een dergelijke schorsing is slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zodanige uitzonderlijke omstandigheid.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 141 Wetboek Pro van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Office of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Rome,Italië.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van deze rechtbank van 10 december 2025 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, te weten een vrijheidsstraf van drie jaren en acht maanden.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 10 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10067.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EUR:C:2025:665 (C.J.).