ECLI:NL:RBAMS:2026:2335

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
13/086489-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening en aanhouding onderzoek Europees aanhoudingsbevel wegens onduidelijkheden over gelijkstelling en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Bulgarije voor een opgeëiste persoon die sinds 2020 rechtmatig in Nederland verblijft. De rechtbank verlengde de beslistermijn en schorste de gevangenhouding met het oog op nader onderzoek.

De rechtbank onderzocht de mogelijkheid om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, wat van belang is voor de uitvoering van een eventuele straf in Nederland. Hoewel aan de eerste voorwaarde van vijf jaar rechtmatig verblijf werd voldaan, kon de rechtbank niet uitsluiten dat het IND-advies over het verlies van verblijfsrecht op onjuiste aannames berust. Daarom werd het onderzoek heropend om nadere motivering bij de IND op te vragen.

Daarnaast werd de detentieomstandigheden in het Bulgaarse Huis van Bewaring in Haskovo beoordeeld. Ondanks garanties over medische zorg, bleken er ernstige tekortkomingen te zijn in de materiële omstandigheden, zoals gebrek aan daglicht, ventilatie en sanitaire voorzieningen. De rechtbank achtte aanvullende informatie noodzakelijk en besloot het onderzoek te schorsen en aan te houden om deze gegevens op te vragen.

De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen en bepaalde dat de zaak uiterlijk 22 april 2026 opnieuw op zitting moet worden behandeld. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het onderzoek naar het Europees aanhoudingsbevel wordt heropend en geschorst vanwege onduidelijkheden over gelijkstelling en detentieomstandigheden, met verlenging van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/086489-25
Datum uitspraak: 24 februari 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2025 (en de correctievordering van 2 december 2025) van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2024 door het Landelijk parket Haskovo, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Bulgarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 24 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, advocaat in ’s-Gravenhage, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 14 januari 2026 [3]
Bij tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen ten behoeve van de toetsing aan artikel 11 OLW Pro voor te leggen.
Zitting van 10 februari 2026
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 10 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 14 januari 2026

In de tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3) en de strafbaarheid van het feit (onder 4).
Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 6 OLW Pro: gelijkstelling

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 6 februari 2026 de volgende informatie verstrekt:
“Indien de gezochte persoon en Bulgaarse burger [opgeëiste persoon] met een Nederlandse burger kan worden gelijkgesteld en indien hij voor het strafbare feit waarvan hij wordt beschuldigd, tot een effectieve vrijheidsbenemende straf wordt veroordeeld, dan valt de uitvoering van de in de Republiek Bulgarije opgelegde straf in Nederland onder de bevoegdheid van de Bulgaarse rechtbank en de bevoegde autoriteit van de uitvoerende buitenlandse staat. Het Openbaar Ministerie van de Republiek Bulgarije en in het bijzonder het Landelijk parket van Haskovo, territoriale afdeling Dimitrovgrad, is niet bevoegd om de inhoud van toekomstige rechterlijke uitspraken te garanderen.”
4.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De opgeëiste persoon verblijft sinds september 2020 in Nederland en werkt sinds februari 2021 in Nederland. Op het moment van de zitting verblijft de opgeëiste persoon dan ook vijf jaar rechtmatig in Nederland. De raadsvrouw verwijst hierbij ter onderbouwing naar de eerder overgelegde stukken. Ten aanzien van de tweede voorwaarde voor gelijkstelling stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) zich in het advies baseert op aannames. De brief van de IND is bovendien algemeen. Het bevat enkel een verwachting en geen concreet en definitief advies over of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht kan verliezen in verband met de strafzaak in Bulgarije. De opgeëiste persoon kan gelijkgesteld worden met een Nederlander.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De toetsing dient
ex nuncplaats te vinden en de opgeëiste persoon verblijft op het moment van de zitting vijf jaar rechtmatig in Nederland. Aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling wordt niet voldaan, omdat uit de IND-bevraging blijkt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht kan verliezen in verband met de Bulgaarse strafzaak. Omdat de gelijkstelling niet kan slagen, kan de overlevering niet afhankelijk worden gemaakt van een terugkeergarantie.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
Mede gelet op wat de rechtbank reeds in haar tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij inmiddels ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van IND. In een brief van 15 januari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) een IND-bevraging gedaan, waarin onder meer de volgende informatie is verschaft over de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon:
“Omtrent de persoonlijke omstandigheden van [opgeëiste persoon] kan ik u het volgende
mededelen. [opgeëiste persoon] woont al sinds 2019 in Nederland. Hij is in februari 2021
begonnen met werken. Hij heeft echter een bedrijfsongeval gehad waardoor hij nu
niet meer kan werken. Echter heeft hij aangetoond dat hij wel beschikt over
voldoende middelen van bestaan.”
In de e-mail van de IND van 19 januari 2026 staat het volgende:
“In antwoord op uw adviesverzoek van 15 januari 2026 laat ik u weten dat de strafrechtelijke feiten die u beschrijft ertoe kunnen leiden dat [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest. (…) Het verblijfsrecht van een EU-burger kan ingevolge artikel 8.22, lid 1, van het Vreemdelingenbesluit worden beëindigd indien hij of zij een ‘actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’ is. (…) Aan uw verzoek ontleen ik dat de Bulgaarse Justitie betrokkene wegens een misdrijf vervolgt. Op 19 augustus 2018 zou [opgeëiste persoon] illegale hulp bij een binnenkomst hebben verleend. Naar Nederlands recht zou overtreding aan de orde zijn van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. De maximumstraf is zes jaar gevangenis. In een gelijk geval in Nederland eist het openbaar ministerie tussen 36 en veertig maanden.
Op basis van deze gegevens acht ik verblijfsbeëindiging in beginsel mogelijk. Om de precieze ernst te beoordelen is inhoudelijke informatie uit de strafzaak nodig. Uw omschrijving, de maximumstraf en de voorziene eis duiden niettemin op een ernstig feit. Ten aanzien van de actualiteit van de bedreiging is van belang dat het ruim zeven jaar oud is, maar daarmee is een actuele bedreiging nog allerminst uitgesloten. Afgaande op uw gegevens zou betrokkene na het misdrijf naar Nederland zijn gekomen en zich mogelijk aan vervolging onttrekken. Inherent aan een misdrijf als dit is dat het niet openlijk pleegt te gebeuren; dat sindsdien geen nieuw misdrijf aan het licht is gekomen is daarom op zichzelf niet alleszeggend. Over het doen en laten van [opgeëiste persoon] in Nederland heb ik onvoldoende gegevens. In de uiteindelijke besluitvorming zullen de persoonlijke feiten en omstandigheden worden betrokken. Beoordeeld moet worden of de leeftijd, de gezondheidstoestand, de gezinssituatie, de economische situatie, de sociale en culturele integratie en/of de binding met het land van herkomst wellicht tot een andere uitkomst leiden. Feiten en omstandigheden die al bij voorbaat aan intrekking en/of beëindiging van het verblijfsrecht in de weg staan, zijn mij vooralsnog niet bekend.”
De rechtbank stelt vast dat het advies van de IND deels is gebaseerd op door het IRC verschafte informatie die deels niet klopt. De opgeëiste persoon woont niet sinds 2019 in Nederland, maar sinds de tweede helft van 2020. Hij heeft zich na aankomst in Nederland op 24 september 2020 als niet-ingezetene geregistreerd in de Basisregistratie personen (Brp). Hij is, naar eigen zeggen, vanaf dat moment op zoek gegaan naar werk. Uit de stukken blijkt dat hij sinds 1 februari 2021 legaal in Nederland werkt en daaruit inkomen heeft gehad. In augustus 2022 heeft hij een ernstig arbeidsongeval gehad, waardoor hij sindsdien volledig arbeidsongeschikt is. Hij heeft echter tot op heden voldoende middelen van bestaan gehad, onder meer vanwege de voorschotten op de schadevergoeding die hij in verband met het arbeidsongeval van de verzekeraar heeft gehad. Sinds 31 oktober 2022 staat de opgeëiste persoon op een Nederlands adres ingeschreven in de Brp.
Blijkens de e-mail 19 januari 2026 lijkt aan het advies van de IND ten grondslag te liggen, voor zover het gaat om de actualiteit van de bedreiging, dat de opgeëiste persoon zich mogelijk aan vervolging heeft onttrokken. De rechtbank ziet in het dossier en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen echter geen aanleiding om aan te nemen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het strafrechtelijk onderzoek in Bulgarije dan wel de vervolging en dat hij zich daaraan heeft proberen te onttrekken. De rechtbank kan dan ook niet uitsluiten dat het advies van de IND op een onjuiste veronderstelling berust. Daarom zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen en aanhouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om een nadere motivering bij de IND op te vragen, waarbij de rechtbank verzoekt met name aandacht te besteden aan de actualiteit van de bedreiging, ervan uitgaande dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de opgeëiste persoon zich aan de vervolging heeft getracht te onttrekken.
Omdat de rechtbank niet kan uitsluiten dat de inhoud van het IND-advies zal veranderen, constateert de rechtbank – om proceseconomische redenen gelet op de beslistermijn - in deze tussenuitspraak al dat de uitvaardigende justitiële autoriteit met de aanvullende informatie van 6 februari 2026 geen onvoorwaardelijke terugkeergarantie heeft verstrekt. De rechtbank geeft daarom de officier van justitie in overweging om, voor het geval dat de IND tot een andere conclusie komt, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen of een onvoorwaardelijke terugkeergarantie kan worden verstrekt.

5.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden

5.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Naar aanleiding van de vragen in de tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 7 februari 2026 aanvullende informatie verstrekt waarin onder meer het volgende staat vermeld:
"(…) Wat betreft de mogelijke behoefte van de heer [opgeëiste persoon] tijdens zijn aanhouding in het centrum van voorlopige hechtenis in Haskovo aan een neuroloog, orthopedisch chirurg, fysiotherapeuten, die gespecialiseerd zijn in klachten aan de handen en de polsen, de benen en de heupgewrichten, alsook een psychiater, voorziet de Wet betreffende de tenuitvoerlegging van straffen en de vrijheidsberoving wettelijke waarborgen voor de bescherming van de lichamelijke en de mentale gezondheid van de gedetineerden en van de personen die van hun vrijheid zijn beroofd (...) De beschuldigde en de beklaagde personen worden minstens eenmaal per week door een arts bezocht. Indien het om een spoedgeval gaat, gebeurt dit onmiddellijk. De zieken met koorts, verwondingen of andere spoedeisende aandoeningen worden te allen tijde onmiddellijk door een arts opgenomen. Indien nodig, wordt de gedetineerde ondergebracht in een gespecialiseerde medische faciliteit, ook buiten de detentiecentra. Indien er sprake is van onenigheid met de vastgestelde diagnose of de voorgeschreven behandeling, kan de gedetineerde op eigen kosten een raadpleging aanvragen bij specialisten van andere gezondheidsinstellingen. In dit geval krijgt de specialist toegang tot de verzoeker. De doktersvoorschriften zijn verplicht voor de beveiligings- en administratieve medewerkers van de gevangenis of van het centrum voor voorlopige hechtenis. Indien er een vermoeden bestaat van een psychische stoornis, worden klinisch-psychologische en psychiatrische onderzoeken uitgevoerd om de diagnose te verduidelijken. Personen met psychische stoornissen die in een ziekenhuis moeten worden behandeld, worden opgenomen in het gespecialiseerde ziekenhuis voor actieve behandeling bij de detentiefaciliteiten. Bij het Directoraat-Generaal ‘Strafuitvoering is een medische commissie ingesteld die adviezen verleent over de eventuele aanwezigheid of afwezigheid van behandelingsmogelijkheden voor personen met gezondheidsproblemen ten aanzien van wie een vrijheidsbenemende straf ten uitvoer moet worden gebracht; conclusies trekt over verzoeken van gedetineerden die strekken tot hun behandeling buiten de gezondheidsinstellingen bij de detentiefaciliteiten, evenals tegen weigeringen om de opschorting van de vrijheidsbenemende voor te stellen of voort te zetten, of om de duur van de voorlopige hechtenis om gezondheidsredenen aan te passen. (...)"
5.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat overlevering een schending van artikel 4 van Pro het Handvest oplevert. De gegeven individuele detentiegarantie is, gelet op de specifieke en frequente medische zorg die de opgeëiste persoon nodig heeft, niet voldoende om het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw meerdere stukken overgelegd, waaronder een rapport van de ombudsman in Bulgarije uit 2024 en twee uitspraken van de rechtbank in Haskovo uit 2025. Hieruit blijkt volgens de raadsvrouw dat in de praktijk geen 4 m2 persoonlijke ruimte kan worden gegarandeerd in verband met overbevolking. Bovendien bestaan er in het Huis van Bewaring in Haskovo problemen met ongedierte en toegang tot daglicht, ventilatie en buitenruimte.
5.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen door de individuele detentiegarantie. In het licht van de expliciete vraagstelling van het openbaar ministerie dient de gegarandeerde 4 m2 “
living space”te worden gelezen als leefruimte exclusief sanitair. Verder is vast komen te staan dat de opgeëiste persoon medische problemen heeft en daarvoor medische hulp nodig heeft. De uitvaardigende justitiële autoriteit garandeert dat de opgeëiste persoon toegang heeft tot medische en psychische zorg en in een noodzakelijk geval naar het ziekenhuis kan worden gebracht. Het door de raadsvrouw overgelegde rapport van de ombudsman is twee jaar oud en de uitspraken van de rechtbank hebben betrekking op een individueel geval. De raadsvrouw heeft onvoldoende objectieve gegevens overlegd om aan te nemen dat de detentiegarantie niet voldoet. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering.
5.4
Oordeel van de rechtbank
Zoals de rechtbank al in de tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft overwogen heeft deze rechtbank eerder op grond van de Public statement van het European Committee for the
Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van
26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die
in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van
artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [4] Bij uitspraak
van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar
aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel
leidt. [5] Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022. [6] Dit algemene gevaar is aangenomen vanwege de volgende tekortkomingen:
physical ill-treatment, inter-prisoner violence, endemic corruption, overcrowding, ever worsening material conditions, no access to organised out of cell activities, poor accessibility and quality of medical services.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden in Bulgarije, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in het detentieregime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Bulgarije een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten.
Gelet op de hierboven weergegeven verstrekte aanvullende informatie van 7 februari 2026 is de rechtbank van oordeel dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen voor zover het gaat om de medische zorg die hij in detentie in Bulgarije kan krijgen. Met de aanvullende informatie is naar het oordeel van de rechtbank gegarandeerd dat de opgeëiste persoon de zorg die hij nodig heeft ook in Bulgarije in detentie kan krijgen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat blijkens de aanvullende informatie gedetineerden minstens één keer per week (onmiddellijk wanneer het om een spoedeisend geval gaat) door een arts worden bezocht, en dat gedetineerden met koorts, verwondingen of andere spoedeisende aandoeningen te allen tijde onmiddellijk door een arts worden opgenomen en dat, indien nodig, de gedetineerde wordt ondergebracht in een gespecialiseerde medische faciliteit, ook buiten de detentiecentra.
Dat het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen geldt echter niet voor zover het algemeen gevaar ziet op de materiële detentieomstandigheden. In het door de raadsvrouw overgelegde rapport van de Bulgaarse ombudsman uit 2024 constateert de ombudsman verschillende problemen ten aanzien van het huis van bewaring in Haskovo, waar de opgeëiste persoon terecht zal komen, waaronder geen directe toegang tot daglicht vanuit de cellen. In de twee uitspraken van de rechtbank van Haskovo uit 2025 [7] die door de raadsvrouw zijn overgelegd heeft de rechtbank van Haskovo een schending van artikel 3 EVRM Pro aangenomen vanwege de volgende omstandigheden in Haskovo: (1) gedetineerden hebben niet 24 uur per dag beschikking over sanitaire voorzieningen door een gebrek aan stromend water of toiletten in de cellen, (2) geen natuurlijke ventilatie in de cellen en (3) geen mogelijkheid tot verblijf in de buitenlucht nu het verblijf in de buitenlucht binnen plaatsvindt in een kamer met ramen die open kunnen. Gelet op deze informatie heeft de rechtbank aanvullende informatie nodig over de materiële detentieomstandigheden in Haskovo om te kunnen beoordelen of het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen.
De rechtbank zal daarom ook om deze reden het onderzoek heropenen en verzoekt de officier van justitie om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen om aanvullende informatie te verstrekken over de materiële detentieomstandigheden in Haskovo. Concreet verzoekt de rechtbank om aan de uitvaardigende justitiële te vragen of de uitspraken van de rechtbank van Haskovo uit 2025 inderdaad zien op de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon terecht zal komen en, zo ja, of de situatie op de drie genoemde punten inmiddels is verbeterd (en, zo ja, op welke wijze).

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in
de gelegenheid te stellen de onder overweging 4 en 5 opgenomen vragen aan de IND en de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
VERLENGTop grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 22 april 2026, uiterlijk veertien dagen voor die datum opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELTde oproeping tegen nader te bepalen datum en tijdstip van de opgeëiste persoon, met
tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Bulgaarse taal tegen een nader te bepalen datum en
tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb Amsterdam 14 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:120.
4.Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198. punten 88-90 en o.a. Rb. Amsterdam 28 november 2017, ECL1:NL:RBAMS:2O17:I269.
5.Rb Amsterdam 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097.
6.Rb. Amsterdam 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:62l7.
7.Uitspraak van de Administratieve Rechtbank Haskovo van 6 maart 2025 (https://dela.bg/Acts/374196bf-9ebd-4ccf-91ac-e9e848192d00) en