ECLI:NL:RBAMS:2026:2342

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
13/344877-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Europees aanhoudingsbevel ondanks niet-verschijnen verdachte in hoger beroep

De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 februari 2026 een verzoek tot overlevering van een verdachte uit Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van een jaar opgelegd door een Pools gerecht. De verdachte was niet persoonlijk verschenen bij het hoger beroep, wat een weigeringsgrond kan vormen volgens artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW).

De verdediging stelde dat de overlevering moest worden geweigerd omdat de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het hoger beroep en geen toestemming had gegeven voor het hoger beroep dat door zijn advocaat was ingesteld. De officier van justitie betoogde dat de verdachte op de hoogte was van de procedure, een adresinstructie had ontvangen en ondertekend, en dat hij zijn verdedigingsrechten niet was ontnomen.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de verdachte niet persoonlijk was verschenen bij het hoger beroep, hij wel degelijk op de hoogte was van de procedure en de adresinstructie had ondertekend. De verdachte had geen contact onderhouden met zijn advocaat en geen adreswijzigingen doorgegeven, wat wijst op onzorgvuldigheid. Er was geen sprake van schending van verdedigingsrechten. De rechtbank zag daarom aanleiding om af te zien van de weigeringsgrond en stond de overlevering toe.

Daarnaast werd vastgesteld dat het feit waarvoor overlevering werd verzocht, voldoet aan de dubbele strafbaarheidsvereisten en dat er geen concreet gevaar was voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. De overlevering werd daarom toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks zijn niet-verschijnen bij het hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/344877-25
Datum uitspraak: 24 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2025 door de
Sąd Okręgowy w Krakowie Wydzial III Karny (District Court in Krakow, Third Criminal Division), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 februari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een een vonnis van de
Sąd Rejonowy w Olkuszu Wydzial II Karny (Regional Court in Olkusz, Second Criminal Division)van 22 oktober 2021 (kenmerk: II K 187/21) en een arrest van de
Sąd Okręgowy w Krakowie IV Wydzial Karny Odwolawczy (District Court in Krakow, Fourth Division of Criminal Appeals)van 30 maart 2022 (kenmerk: IV Ka 2618/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
Naar aanleiding van vragen van het openbaar ministerie van 29 januari 2026 heeft de
Regional Court in Olkuszop 2 februari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"(…)(1) The summons to the appellate hearing was sent to the address provided by the defendant. The appellate hearing took place on 30 March 2022. [de opgeëiste persoon] failed to appear despite having been duly notified; the notice, having been unsuccessfully delivered after two delivery attempts, was returned with the postal note "Returned -not collected within the prescribed time." Attorney Anna Prochot appeared as his court-appointed defence counsel, acting as a substitute for Attorney Jolanta Cebo. The Court delivered its judgment in case file no. IV Ka 2618/21.
(2) The defendant, [de opgeëiste persoon] , was interviewed as a suspect on 24 February 2021. On that date, he was informed of his obligation to notify the Polish authorities of any change of address, as well as the consequences of failing to do so. He also received a written "Guidance of the Rights and Obligations of a Suspect in Criminal Proceedings," which he signed personally and received a copy of. He provided his registered address, residential address, and address for service within the country. According to the case file, the defendant did not inform the authorities of any change of address. The notices received by [de opgeëiste persoon] during the investigation, although titled "Guidance on the Rights and obligations of a Suspect in Criminal Proceedings," applied to the entire criminal process, as follows from their content. (...) On 22 October 2021, the Court pronounced its judgment in case no. II K187/21. The defendant, accompanied by his defence counsel, was present at the hearing. The Court duly informed the parties of the time limit and procedure for lodging an appeal.
(3) On 28 October 2021, the defendant, [de opgeëiste persoon] , submitted a request to the Regional Court in Olkusz for the written reasoned judgement of 22 October 2021, case no. II K l87/21, for the purpose of filing an appeal. The appeal against the judgment was submitted by the defence counsel. [de opgeëiste persoon] was subsequently informed that the appeal had been allowed. On 16 December 2021, he personally received the Notice confirming that the appeal had been allowed."
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon de raadsman, die hoger beroep heeft ingesteld, heeft gemachtigd. De opgeëiste persoon heeft de rechtbank in Polen weliswaar verzocht om de schriftelijke uitwerking van de uitspraak in eerste aanleg en aangegeven dat hij het niet eens was met dit vonnis, maar vervolgens heeft de advocaat het hoger beroep zelf, en zonder medeweten of instemming van de opgeëiste persoon, ingesteld. Daarnaast blijkt niet uit de aanvullende informatie van 2 februari 2026 dat de gegeven adresinstructie voor de hele procedure gold. Nu de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in hoger beroep niet heeft kunnen uitoefenen moet de overlevering worden geweigerd.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij de procedure in eerste aanleg. De opgeëiste persoon had dus op de hoogte moeten of kunnen zijn van de procedure in hoger beroep. Bovendien blijkt uit de aanvullende informatie van 2 februari 2026 dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, dat hij die adresinstructie heeft ondertekend en dat de adresinstructie gold voor de hele procedure. Daarbij is duidelijk medegedeeld wat de consequenties zouden zijn van het niet naleven van de adresinstructie. Hiermee is hij kennelijk onzorgvuldig geweest en is hij niet in zijn verdedigingsrechten geschaad. Artikel 12 OLW Pro staat niet aan overlevering in de weg.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom het arrest van 30 maart 2022 met kenmerk IV Ka 2618/21 toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 2 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 24 februari 2021 tijdens het vooronderzoek is verhoord en dat hij tijdens dat verhoor een adresinstructie heeft ontvangen die gold voor de hele procedure. De opgeëiste persoon is daarbij op de hoogte gesteld van de consequenties van het niet naleven van de adresinstructie en heeft de adresinstructie persoonlijk ondertekend. De opgeëiste persoon was verder op de hoogte van de procedure in hoger beroep. De rechtbank wijst er in dit kader op dat de opgeëiste persoon zelf om een schriftelijke uitwerking van het vonnis heeft gevraagd om hoger beroep in te kunnen stellen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij in het bijzijn van zijn advocaat heeft aangegeven dat hij het niet eens was met het vonnis. Nadat die advocaat hoger beroep had ingesteld – en onder de geschetste omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat dit niet zonder toestemming althans buiten medeweten van de opgeëiste persoon zal zijn gebeurd – is de opgeëiste persoon er op 16 december 2021 in persoon van op de hoogte gesteld dat het hoger beroep in behandeling was genomen. De opgeëiste persoon heeft vervolgens geen adreswijzigingen doorgegeven en heeft geen contact onderhouden met zijn advocaat.
Deze omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
belediging van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;bedreiging met zware mishandeling en met enig misdrijf tegen het leven gericht.
6. Artikel 11 OLW Pro: Poolse rechtsstaat en artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 266, 267 en 285 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy w Krakowie Wydzial III Karny (District Court in Krakow, Third Criminal Division), Polen, voor het feit dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).