Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2372

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
11931811 WM 25-18485
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard wegens ontbreken verkeersbesluit bij boete negeren bord D2 RVV 1990

Aan betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd wegens het negeren van het bord D2 RVV 1990 op een locatie in Amsterdam. De verbalisant legde een boete op zonder staandehouding, met als reden dat hij in een rij auto's stond te wachten voor een rood verkeerslicht.

Gemachtigde voerde aan dat het verkeersbesluit voor het betreffende bord D2 niet kon worden gevonden, waardoor niet kon worden vastgesteld of de boa bevoegd was om de boete op te leggen. De kantonrechter oordeelde dat het ontbreken van het verkeersbesluit een onderbouwde betwisting vormt, waardoor de bevoegdheid van de boa niet zonder meer kan worden aangenomen. Hierdoor kon de inleidende beschikking niet in stand blijven en werd het beroep gegrond verklaard.

Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend. Voor het telefonisch horen werd een halve procespunt toegekend, conform vaste rechtspraak, en niet een hele punt zoals gemachtigde had verzocht. De totale vergoeding werd berekend op basis van de verrichte proceshandelingen, een wegingsfactor van 0,5 en een Wahv-factor van 0,25, resulterend in een bedrag van € 358,38.

De kantonrechter vernietigde de bestreden beslissing en de inleidende beschikking, bepaalde dat het betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens ontbreken verkeersbesluit, boete vernietigd en proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. L. van Berkum
zaaknummer: 11931811 WM VERZ 25-18485
beslissing van: 19 februari 2026
func.: 43837
Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 19 februari 2026 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[betrokkene]

[adres]
(verder: betrokkene)
voor wie beroep is ingesteld door
mr. N.G.A. Voorbach van Verkeersboete.NL(verder: gemachtigde)
welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 3 januari 2025 en is gericht tegen de beslissing van 4 december 2024 van de
officier van justitie(verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te Amsterdam op 27 maart 1991.

CJIB-nummer: [nummer]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 24 juli 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep – na gemachtigde telefonisch gehoord te hebben - ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 19 februari 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Namens gemachtigde is mr. J. Piet bij de zitting verschenen.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep ongegrond is.
De kantonrechter heeft mondeling uitspraak gedaan, alleen ten aanzien van de proceskostenvergoeding zal de kantonrechter een schriftelijke beslissing nemen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met de motorfiets met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, is gereden in strijd met een gebod voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft (bord D2). Deze gedraging is geconstateerd op 3 juni 20245 om 16:36 uur op de [straatnaam 1] ter hoogte van [huisnummer] te [plaats] .
2. Het beroep is tijdig ingesteld.
3. Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat in de onderhavige zaak een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat ten onrechte op kenteken is bekeurd. Uit de verklaring van de verbalisant, zoals weergegeven in het zaakoverzicht, volgt dat de verbalisant heeft afgezien van een staandehouding vanwege – kort gezegd – ‘in rij auto’s voor rood licht’. Dit is op zichzelf geen toereikende reden om af te zien van een staandehouding. De verbalisant heeft nagelaten te vermelden of hij beschikte over stopmiddelen, alsmede optische- en geluidssignalen. Van de verbalisant mag in zijn verklaring worden verlangd dat hij beknopt schetst waarom staandehouding leidt tot een gevaarlijke of ondoenlijke situatie. Dat is hier niet het geval.
Verder brengt gemachtigde naar voren dat de boete is opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) ‘openbare ruimte’. Uit de Regeling Domeinlijsten Boa vloeit voort dat de boa ‘openbare ruimte’ alleen kan handhaven op het negeren van een C- of D- bord als het bord in het kader van het verbeteren van de leefbaarheid is geplaatst. Nu het verkeersbesluit ten aanzien van de instelling van het bord D2 op de [straatnaam 1] onvindbaar is, kan niet zonder meer wordt volgehouden dat aan de instelling van het bord D2 een rechtmatig belang ligt.
Gemachtigde verzoekt de kantonrechter om het beroep gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4. Op de zitting heeft gemachtigde het beroepschrift nader toegelicht. Volgens gemachtigde is ten onrechte geen staandehouding verricht, omdat de verklaring van de verbalisant op dat punt te summier is. De verbalisant zat waarschijnlijk in een dienstauto en waarom zou een rood verkeerslicht hem dan verhinderen een staandehouding uit te voeren.
Verder brengt gemachtigde in het geval van een eventuele toekenning van een proceskostenvergoeding het volgende naar voren. Nu de Wahv-factor wordt toegepast en de proceskostenvergoeding al wordt afgeroomd, kan niet worden volgehouden dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), op grond waarvan een halvering van een procespunt bij het telefonisch horen kan worden toegepast. Het dient 1 procespunt te zijn. Gemachtigde stelt dat Verkeersboete.NL dit ook bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder de aandacht zal brengen.
5. Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat zich in de onderhavige zaak geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan en er terecht op kenteken is bekeurd.
Wat betreft de bevoegdheid van de verbalisant verwijst verweerder naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 november 2024, Wahv 200.342.367/01. Het hof stelt in dit arrest voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de ambtenaar het uitgangspunt is. Dit brengt mee dat ervan wordt uitgegaan dat de ambtenaar blijft binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheden. Dit betekent dat uit het dossier niet hoeft te blijken met welk doel de betreffende bebording is geplaatst om te kunnen beoordelen of de boa in het voorliggende geval bevoegd was om de sanctie op te leggen. Dat is slechts anders als op onderbouwde wijze wordt betwist dat de bebording in relatie tot het in de domeinlijst vermelde doel is geplaatst (vgl. het arrest van het hof van 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3347).
Verder beslist het hof dat de enkele stelling dat het verkeersbesluit onvindbaar is, niet is aan te merken als een onderbouwde betwisting van de bevoegdheid van de ambtenaar en dat er daarom geen reden is af te wijken van het uitgangspunt dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is een sanctie op te leggen.
Gelet op het voorgaande verzoekt verweerder de kantonrechter om het beroep ongegrond te verklaren.
In het geval de kantonrechter besluit het beroep toch gegrond te verklaren, dan verzoekt verweerder bij de toekenning van de proceskostenvergoeding voor het bijwonen van de telefonische hoorzitting 0,5 procespunt toe te kennen en niet af te wijken van de lijn die het hof hanteert.
6. Naar aanleiding van het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder brengt gemachtigde naar voren dat nu hij geen verkeersbesluit kan vinden met betrekking tot het bord D2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990 op de [straatnaam 1] , hij niet kan toetsen of de verbalisant bevoegd was om de onderhavige boete op te leggen. Dat is kwalijk volgens gemachtigde. Daarbij merkt gemachtigde op dat het bord D2 RVV 1990 eigenlijk alleen in het kader van de verkeersveiligheid wordt gebruikt en niet in verband met de leefbaarheid. Dit kan de kantonrechter zien als een begin van de betwisting dat de bebording in relatie tot het in de domeinlijst vermelde doel is geplaatst.
7. Verweerder geeft desgevraagd aan dat zij geen verkeersbesluit kan overleggen van het bord D2 RVV 1990 op de [straatnaam 1] . Het is onbegonnen werk om een verkeersbesluit van de borden in alle zaken op te vragen.
8. Het volgende wordt overwogen.
9. De verbalisant verklaart in het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht:
“Ik, verbalisant, zag op bovengenoemde plaats, datum en tijdstip te [plaats] dat bovengenoemd voettuig de andere richting reed dan aangegeven door bord D2/16. Ik zag dat bord D2/16 RVV 1990 duidelijk zichtbaar voor het verkeer op de vluchtheuvel stond. Het bord stond ter hoogte van de [straatnaam 1] hoek [straatnaam 2] . Ik zag dat het bord op de vluchtheuvel aangaf dat de weggebruikers de vluchtheuvel aan de rechterkant moesten passeren. Ik zag dat de betrokkene dit niet deed. Ik zag namelijk dat de betrokkene het bord via de linkerkant passeerde en op deze manier diverse auto’s inhaalde. Hetzelfde deed hij nogmaals bij de vluchtheuvel die circa 25 meter verderop was gesitueerd (…)”.
“(..) Ik, verbalisant, kon de betrokkene niet staande houden omdat ik in de rij met auto’s stond die voor het verderop gesitueerde op rood staande verkeerslicht stond te wachten”.
10. De kantonrechter stelt vast dat het dossier geen verkeersbesluit bevat dat ziet op het betreffende bord D2 RVV 1990 op de [straatnaam 1] ter hoogte van [huisnummer] te Amsterdam. Aldus kan niet worden vastgesteld dat het onderhavige bord D2 is ingesteld in relatie tot de leefbaarheid. Nu dit door gemachtigde ter zitting gemotiveerd wordt betwist, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder meer worden vastgesteld dat de boa bevoegd was om voor de onderhavige gedraging een sanctie op te leggen. Bij die stand van zaken kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

11. Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu de inleidende beschikking wordt vernietigd, is er aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.
12. De vergoeding van kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair per proceshandeling vastgelegd. Gemachtigde heeft de volgende vergoedbare proceshandelingen verricht:
- het indienen van een administratief beroep bij verweerder;
- het telefonisch bijwonen van een hoorzitting;
- het indienen van beroep bij de kantonrechter;
- en het verschijnen tijdens de zitting van de kantonrechter.
13. Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan ieder van deze proceshandelingen 1 punt te worden toegekend. De waarde van 1 punt bedraagt met ingang van 1 januari 2026 in de fase van het bezwaar en administratief beroep € 666,00 en in de fase van het beroep en hoger beroep € 934,00.
14. Gelet op de door gemachtigde geleverde inspanning voor wat betreft het bijwonen van de (telefonische) hoorzitting bij verweerder zal de kantonrechter met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) dit hele punt halveren.
Dit betekent dat het verzoek van gemachtigde om een hele procespunt toe te kennen voor het bijwonen van de telefonische hoorzitting wordt afgewezen. Uit vaste rechtspraak van het hof volgt dat bij toekenning van een pkv voor het telefonisch horen een half punt moet worden gerekend (op grond van artikel 1 lid 3 Bpb Pro), en niet een heel punt. Een heel punt moet worden toegekend voor een fysieke hoorzitting, en volgens vaste rechtspraak kan een telefonische hoorzitting daarmee niet worden gelijkgesteld. Dat daarnaast de Wet herwaardering proceskostenvergoeding wordt toegepast, staat daar los van.
15. Gelet op het voorgaande worden in deze zaak voor de door gemachtigde verrichte proceshandelingen in de fase van het administratief beroep 1,5 punt ad € 666,00 toegekend en voor de verrichte proceshandelingen in de fase van het beroep bij de kantonrechter 2 punten ad € 934,00. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985). Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 358,38 ((1,5x666+ 2x934) x 0,5 (weging) x 0,25 (Wahv factor)).
16. Daarom wordt beslist als volg.

BESLISSING

De kantonrechter:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking;
- bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd;
- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een kostenvergoeding toe van € 358,38.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u
binnen zes wekenna de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk,
tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.