ECLI:NL:RBAMS:2026:2634

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
13/336995-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 SrArt. 266 SrArt. 267 SrArt. 311 SrArt. 2 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen op grond van gelijkstelling en verjaring

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 maart 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon uit Polen op grond van twee vonnissen uit 2012 en 2016. De opgeëiste persoon was niet in persoon verschenen bij de processen die tot deze vonnissen leidden, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing was. De rechtbank zag echter af van toepassing van deze grond omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was gesteld van zijn verplichtingen en de oproepen niet had afgehaald.

De opgeëiste persoon is gelijkgesteld aan een Nederlander omdat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft en zijn verblijfsrecht niet verliest door de straf. De rechtbank constateerde dat de tenuitvoerleggingstermijn van het vonnis uit 2016 naar Nederlands recht is verjaard, maar zag af van weigering op grond van verjaring vanwege het belang van sociale re-integratie en het voorkomen van straffeloosheid binnen de EU.

De rechtbank oordeelde dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen kan worden overgenomen door Nederland, mede omdat de strafbaar gestelde feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en de opgelegde straffen niet onverenigbaar zijn met de Nederlandse strafwet. De overlevering wordt geweigerd, maar de tenuitvoerlegging van de straffen wordt in Nederland bevolen, inclusief gevangenhouding tot aan de uitvoering.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/336995-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 12 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 augustus 2018 door
Sąd Okręgowy w Lublinie, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 5 februari 2026De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 5 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB aangehouden tot de zitting van 24 februari 2026 om de officier van justitie de gelegenheid te bieden vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de reden van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf die aan de opgeëiste persoon was opgelegd.
Zitting van 24 februari 2026
Op deze zitting heeft de voortzetting van de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
een vonnis van
the District Court Lublin-Wschód in Lublin, with the seat in Świdnik, van 18 september 2012 met kenmerk III K 909/12 (hierna: vonnis I);
een vonnis van
the District Court Lublin-Wschód in Lublin, with the seat in Świdnik, van 16 november 2016 met kenmerk III K 965/15 (hierna: vonnis II).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd in vonnis I voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig.
Daarnaast wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd in vonnis II voor de duur van tien maanden, ook door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en 29 dagen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
InleidingNaar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie op 28 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 2 februari 2026 de volgende informatie verstrekt:
“1. With regard to case file reference no. II K 965/15: (…) the judgment of 16th November 2016 concerning [de opgeëiste persoon] became final and binding on the date 17th December 2016 and is no longer subject to appeal by ordinary legal remedies. [de opgeëiste persoon] in the course of the preparatory proceedings, during his interview as a suspect on 26th June 2015, was informed of his obligation to notify the authority conducting the proceedings of any change of residence (change of correspondence address), the obligation to appear whenever summoned by the authority conducting the proceedings, as well as the consequences of failing to comply with the above obligations, including the possibility of the hearing being conducted in his absence.
2. With regard to case file reference no. II K 909/12: [de opgeëiste persoon] in the course of the preparatory proceedings, during his questioning as a suspect on 18th March 2012, was informed of his obligation to notify the authority conducting the proceedings of any change of residence, (change of correspondence address), the obligation to appear whenever summoned by the authority conducting the proceedings, as well as the consequences of failing to comply with the above-mentioned obligations, including the possibility of the hearing being conducted in his absence.”
Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie op 9 februari 2026 nogmaals aanvullende vragen gesteld. Daarop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 17 februari 2026 het volgende geantwoord:
“II K 909/12. The execution of the suspended sentence was ordered with respect to [de opgeëiste persoon] by a decision of the District Court (Sąd Rejonowy) Lublin-Wschód in Lublin with a seat in Świdnik of 23 September 2019 in case ref. II Ko 2442/16, due to this evasion of payment of the fine. By a decision of the District Court (Sąd Rejonowy) Lublin-Wschód in Lublin with a seat in Świdnik of 1 September 2016 in case ref. III Ko 1974/16, the execution of a substitute custodial sentence was ordered against the convicted person.
During the preparatory proceedings, [de opgeëiste persoon] was questioned by Police officers on 18 March 2012. While being questioned as a suspect, the convicted person received written information about his rights and obligations, including the content of Article 139 of the Polish Code of Criminal Procedure, namely that if, without providing a new address, he changes his place of residence or does not stay at the address he indicated, a letter sent to that address during the ongoing proceedings shall be deemed served. He was additionally informed about the possibility of being sentenced without a trial and provided his residential address and an address for service within the country.
On 18 March 2021 (de rechtbank begrijpt: March 2012 [4] ), he consented to the penalty proposed by the Prosecutor and to being sentenced to 2 (two) years of imprisonment with conditional suspension of the execution of the sentence for a period of 5 (five) years, as well as a fine of 60 daily rates of 10 PLN each. Notices of the hearing date regarding the Prosecutor’s motion, as well as regarding the order to execute the suspended sentence, were sent to the address for service within the country that he had provided. He did not collect the correspondence addressed to him despite two delivery notices left at the post office.”.
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor beide vonnissen dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. Deze weigeringsgrond is op beide vonnissen van toepassing, omdat de dagvaardingen niet in persoon zijn betekend en uit de stukken niet op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zittingen of is bijgestaan door een gemachtigde advocaat. Daarnaast staat ten aanzien van beide vonnissen geen verzetsprocedure meer open. De opgeëiste persoon heeft bovendien niet ingestemd met de omzetting van de voorwaardelijke straf, die is opgelegd in vonnis I, in een onvoorwaardelijke straf. De rechtbank kan niet afzien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat de inhoud van de adresinstructie op basis van de verstrekte aanvullende informatie niet kan worden nagegaan. Bovendien was op het moment waarop de adresinstructie werd verstrekt nog geen sprake van een vervolgingsbeslissing.
4.3
Standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Deze weigeringsgrond is op beide vonnissen van toepassing, maar de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond. Uit de aanvullende informatie van 2 en 17 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in beide onderliggende zaken een adresinstructie heeft ontvangen, deze persoonlijk heeft ondertekend en is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. Uit de aanvullende informatie van 17 februari blijkt dat de straf in vonnis I aanvankelijk voorwaardelijk was opgelegd. Deze voorwaardelijk straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf in verband met het niet naleven van een gestelde voorwaarde, namelijk het betalen van een geldboete. Deze beslissing betreft een kale omzettingsbeslissing die niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro valt.
4.4
Oordeel van de rechtbank
4.4.1
Vonnis I (III K 909/12)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 2 en 17 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in de procedure een adres heeft opgegeven voor het ontvangen van officiële correspondentie en is geïnformeerd over zijn verplichting om een adreswijziging door te geven aan de Poolse autoriteiten en over de consequenties van het niet naleven van deze verplichting. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 februari 2026 blijkt verder dat dat de oproep voor de zitting naar het adres is gestuurd dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven, dat op dat adres twee keer een afhaalbericht is achtergelaten en dat de opgeëiste persoon de oproep niet heeft afgehaald. Bovendien vermeldt de aanvullende informatie van 17 februari 2026 dat de opgeëiste persoon op 18 maart 2012, de dag van zijn verhoor door de politie, heeft ingestemd met het voorstel van de officier van justitie om een voorwaardelijke straf op te leggen onder de voorwaarde van het betalen van een geldboete.
Voornoemde omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Blijkens de aanvullende informatie van 17 februari 2026 is de vrijheidsstraf aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the District Court (Sąd Rejonowy) Lublin-Wschód in Lublin with a seat in Świdnikvan 1 september 2016 met kenmerk III Ko 1974/16, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 1 september 2016 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [6] De rechtbank stelt voorts vast dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf niet het gevolg is geweest van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen dan vonnis I.
4.4.2
Vonnis II (III K 965/15)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet ook hier aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 2 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens de
preparatory proceedingseen adres heeft opgegeven voor het ontvangen van officiële correspondentie en is geïnformeerd over zijn verplichting om een adreswijziging door te geven aan de Poolse autoriteiten en de consequenties van het niet naleven van deze verplichting. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking en heeft er rekening mee moeten houden dat een strafrechtelijke procedure zou volgen. Het EAB vermeldt onder d) dat de oproep voor de zitting naar het adres is gestuurd dat de opgeëiste persoon op heeft opgegeven, dat er twee keer een afhaalbericht is achtergelaten op dat adres en dat de opgeëiste persoon de oproep niet heeft afgehaald.
Voornoemde omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
4.4.3
Conclusie
Artikel 12 OLW Pro staat voor zowel vonnis I als vonnis II niet aan overlevering in de weg.

5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
wederspannigheid;
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam.
6. Weigeringsgronden als bedoeld in artikel 6a OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef enonder f, OLW
6.1
Gelijkstelling
6.1.1
Standpunt van de partijen
Zowel de raadsman als de officier van justitie stellen zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander nu aan de twee vereisten voor gelijkstelling is voldaan, en dat de straf door Nederland kan worden overgenomen.
6.1.2
Oordeel van de rechtbank
Eerste voorwaarde
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straffen kunnen worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De opgeëiste persoon heeft over de jaren 2021 tot en met 2024 aanslagen Inkomstenbelasting van de Belastingdienst overgelegd waaruit zijn inkomen over die jaren blijkt. De opgeëiste persoon heeft voorts gegevens van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen overgelegd waarin is vermeld hoeveel uren hij vanaf 2017 in Nederland heeft gewerkt, wie zijn werkgevers zijn geweest en welk inkomen hij maandelijks heeft verdiend. Voorts heeft de opgeëiste persoon meerdere arbeidsovereenkomsten verstrekt en staat hij vanaf 14 maart 2019 ingeschreven in de Basisregistratie personen. De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van deze stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
Uit de brief van 17 februari 2026 van de Immigratie en Naturalisatiedienst volgt dat de strafrechtelijke feiten waarvoor de opgeëiste persoon in beide vonnissen is veroordeeld er niet toe kunnen leiden dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland verliest. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
6.2.
Samenhang met de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
6.2.1
Standpunt van de partijen
Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerleggingstermijn van vonnis II inmiddels naar Nederlands recht is verjaard.
6.2.2
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van de opgeëiste persoon kan op basis van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben.
Er is sprake van een zekere samenhang tussen de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6a OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW omdat, vanwege de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander, is voldaan aan het rechtsmacht vereiste. Dat vereiste is een voorwaarde voor toepassing van de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Verder is verjaring naar Nederlands recht van het recht op tenuitvoerlegging van de straf een factor die in het kader van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW moet worden getoetst bij de beoordeling of de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen in verband met hetgeen is opgenomen in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW. Deze verjaring komt als voorwaarde ook terug in de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande beoordelen of verjaring naar Nederlands recht van het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd in vonnis II aan de orde is alvorens te beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
6.3
Verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn
De rechtbank stelt vast dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd in vonnis II naar Nederlands recht is verjaard op 17 november 2024. [7] De rechtbank is daarom op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW bevoegd om de overlevering voor dit vonnis te weigeren.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht vrij recent is verjaard en dat binnen de Europese justitiële samenwerking zwaar gewicht toekomt aan het voorkomen van straffeloosheid. Daarnaast is het in het belang van de opgeëiste persoon om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden. Weigering van de overlevering op grond van verjaring betekent immers niet dat de opgeëiste persoon de in het vonnis opgelegde straf niet meer hoeft te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van die straf naar het recht van Polen niet is verjaard (wat volgens het EAB pas in 2040 aan de orde zou zijn), moet er rekening mee worden gehouden dat de opgeëiste persoon – wanneer hij zich buiten Nederland begeeft – vanuit een andere lidstaat kan worden overgeleverd aan Polen. Een dergelijke overlevering en de daarop volgende tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Polen zou de met tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen. [8]
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.
6.4
Beoordeling overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen
Op de onder 6.3 genoemde gronden ziet de rechtbank eveneens af van de weigeringsgrond van artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder g, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Ook de overige in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen.
De feiten zijn, zoals onder punt 5 al is vastgesteld, naar Nederlands recht strafbaar.
De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt bovendien dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [9] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Conform het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en de vonnissen waarbij de straffen zijn opgelegd toe te sturen.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 180, 266, 267, en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7, 9 en 12 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
Sąd Okręgowy w Lublinie(Polen)
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Gelet op de context is het jaartal ‘2021’ in de brief van 17 februari 2026 naar het oordeel van de rechtbank een kennelijke verschrijving. De rechtbank begrijpt dat bedoeld is te verwijzen naar het jaartal 2012.
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.
7.Gelet op de artikelen 70, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht juncto 6:1:22 en 6:1:23 van het Wetboek van Strafvordering.
8.Rb Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8620.
9.HvJ EU, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (