AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens rijden zonder rijbevoegdheid
De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kantongerecht Dortmund, Duitsland, voor de overlevering van een persoon geboren in 1996 zonder vaste verblijfplaats in Nederland.
De verdediging stelde dat het EAB ongenoegzaam was vanwege het ontbreken van specifieke straatnamen bij enkele feiten en betwistte de dubbele strafbaarheid van rijden zonder rijbevoegdheid op eigen terrein. De officier van justitie voerde aan dat het EAB voldoende duidelijk was en dat de feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OverleveringswetPro, waarbij de vermelding van Dortmund als plaats en de datum en tijd van de feiten voldoende duidelijkheid bieden. De rechtbank verwierp het verweer dat rijden zonder rijbevoegdheid op eigen terrein niet strafbaar zou zijn, omdat de opgeëiste persoon zonder geldige rijbevoegdheid heeft deelgenomen aan het wegverkeer, inclusief eigen terrein.
De rechtbank concludeerde dat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering wordt daarom toegestaan. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe wegens rijden zonder rijbevoegdheid en andere strafbare feiten.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/011807-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2026 door het Amtsgericht(Kantongerecht) Dortmund, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Duitsland),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Duitse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van het Amtsgericht(Kantongerecht) Dortmund van
24 juli 2025 met kenmerk 763 Ls – 114 Js 961/24 – 19/25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
4.Genoegzaamheid
4.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is, omdat bij een deel van de feiten niet vermeld is in welke straat en in welke plaats deze feiten zouden hebben plaatsgevonden.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat alle gegevens in de feitomschrijving staan en dat het EAB genoegzaam is.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank constateert dat in onderdeel e) van het EAB, bovenaan de concrete feitomschrijving, Dortmund als pleegplaats wordt genoemd. Vervolgens is van de feiten één tot en met zeven per feit concreet vermeld op welke datum, en soms ook op welk tijdstip, en in welk voertuig het strafbare feit heeft plaatsgevonden, waarbij bij een aantal feiten ook nog specifiek een straatnaam of terrein is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en is de naleving van het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het enkele feit dat bij een paar feiten niet specifiek de straatnaam is vermeld, doet hier niet aan af, omdat artikel 2 OLWPro dit niet vereist. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
5.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dubbele strafbaarheid ontbreekt. Naar Nederlands recht is alleen het rijden op de openbare weg zonder rijbewijs strafbaar gesteld. Het rijden zonder rijbewijs op eigen terrein, in dit geval het terrein van de groothandel van de opgeëiste persoon, valt buiten deze strafbaarstelling.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat het rijden zonder rijbevoegdheid op eigen terrein naar Nederlands recht per definitie niet strafbaar is. Daarvoor is blijkens jurisprudentie namelijk onder meer van belang wat de concrete omstandigheden van het geval zijn geweest. [4] In het geval van de opgeëiste persoon stelt de rechtbank op grond van de omschrijving van de feiten één tot en met zeven in onderdeel e) van het EAB vast dat de opgeëiste persoon zonder geldige rijbevoegdheid heeft deelgenomen aan het wegverkeer, waarbij hij ook op en vanaf zijn eigen terrein heeft gereden. Op grond van deze omschrijving is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Het is in dat verband niet aan de rechtbank om de concrete omstandigheden van het geval (nader) te onderzoeken.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens, overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
telkens, opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het openbaar gezag verzegeld zijn, verbreken;
wederspannigheid;
valsheid in geschrift.
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 9 en 179 Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 180, 199 en 225 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan het Amtsgericht(Kantongerecht) Dortmund, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.