ECLI:NL:RBAMS:2026:2640

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
13/347413-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over mogelijke overlap en adresinstructie bij Europees aanhoudingsbevel uit Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 maart 2026 een tussenuitspraak in een zaak over de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen. De zaak betreft een opgeëiste persoon die wordt verdacht van meerdere feiten van cannabisbezit, waarbij mogelijk sprake is van overlap tussen feiten in twee verschillende EAB’s (EAB I en EAB III). De rechtbank constateert dat het vonnis waarop EAB I is gebaseerd een uitvloeisel lijkt te zijn van een eerder vonnis dat ten grondslag ligt aan EAB III, waardoor onduidelijkheid bestaat over de grondslag en inhoud van EAB I.

Daarnaast is onduidelijkheid over de adresinstructie die aan de opgeëiste persoon is gegeven, met name of deze ook geldt voor de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 22 februari 2024. De rechtbank vraagt daarom aanvullende informatie over de relatie tussen de procedures, de strafmaat, en de adresinstructies. De verdediging voert aan dat het ne bis in idem-beginsel mogelijk wordt geschonden en dat de adresinstructie onvoldoende duidelijk is.

De rechtbank overweegt dat er geen aanwijzingen zijn voor een individueel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces of onmenselijke detentieomstandigheden in Polen. Daarom ziet zij geen aanleiding om aanvullende gegevens op dat punt op te vragen. De rechtbank besluit het onderzoek te heropenen en te schorsen voor onbepaalde tijd in afwachting van beantwoording van de gestelde vragen en plant een nieuwe zitting uiterlijk 19 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank schorst het onderzoek naar het Europees aanhoudingsbevel en verzoekt aanvullende informatie over mogelijke overlap en adresinstructies.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/347413-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 5 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 september 2025 door
the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Inleiding
Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Warsaw-Wola, Warsaw (Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie)van 22 februari 2024 met kenmerk IV K 1464/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
In onderdeel e) van het EAB is dit feit als volgt omschreven:
“On 26 August 2021, in Warsaw at [straatnaam] in a car, an Audi A3 registration no. [kentekennummer] , jointly and in concerned with another identified person, he was in possession of, in violation of the provisions of the Law on the prevention of drug abuse, a narcotic drug of non-fibrous cannabis in the volume of 41.095 grams.”
In de zaak met parketnummer 13/042569-26 is op 30 oktober 2025 een EAB uitgevaardigd dat eveneens strekt tot de overlevering van de opgeëiste persoon (EAB III). EAB III beschrijft in onderdeel e) het daarin genoemde derde strafbare feit als volgt:
“On 26th August, 2021, in Warsaw at [straatnaam] , in a car Audi A3 reg. no
[kentekennummer] , in concert with a determined person, he possessed some intoxicants such as
cannabis other than fibrous of the weight of 41,84 gram.”
Het Openbaar Ministerie heeft op 22 januari 2026 de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
"We have previously received and started processing an EAW issued by you on 02-09-2025, reference number VIII Kop 149/25, which includes one of the criminal acts that is also mentioned in the EAW of 30-10-2025, namely the possession of cannabis on 26-08-2021 in Warsaw. Could you please inform us of the connection between these two EAW’s? Does the EAW of 30-10-2025 replace the one of 02-09-2025?"
Bij e-mailbericht van 23 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt:
"In response to your inquiry dated 22.01.2026, I would like to kindly inform you that three European Arrest Warrants have been issued against convicted [opgeëiste persoon] :1. Reference number VIII Kop 149/25 issued on 02.09.20252. Reference number VIII Kop 249/25 issued on 30.10.20253. Reference number VIII Kop 161/25 issued on 25.08.2025The basis for issuing each of these EAW's are three different convictions for three different cannabis possession offences. These EAW's are unrelated and should be considered separately."
Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens op 10 februari 2026 opnieuw vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, die op 17 februari 2026 de volgende aanvullende informatie heeft verstrekt:
“ (…)
The case ref. no IV K 1464/23 was registered under that number as the Regional Court while recognizing the appeal against the judgment in the case rev.no III K 1350/21 under the reference X ka 867/23, regarding the offence of 26th August, 2021 against Art. 62 item Pro 1 of Law upon counteraction against drug addiction, reversed it to be re-examined. (….) he failed to make receipt of the correspondence addressed at him about the date and time of the trial with regard to the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23. (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake lijkt te zijn van een feitelijke overlap ten aanzien van het feit in onderdeel e) van EAB I en het derde feit in onderdeel e) van EAB III. Beide feiten zijn gepleegd op 26 augustus 2021 op hetzelfde adres in Warschau. Daarnaast vermelden beide EAB’s een vergelijkbare, maar niet gelijke hoeveelheid cannabis. Dit roept de vraag op of het
ne bis in idem-beginsel wordt nageleefd. De enkele mededeling dat het hierbij gaat om verschillende veroordelingen is onvoldoende om uit te sluiten dat sprake is van een dubbele executie voor (deels) identieke gedragingen en dat uiteindelijk twee straffen ten uitvoer worden gelegd voor hetzelfde strafbare feit. De raadsman heeft primair verzocht de overlevering voor dit EAB daarom te weigeren. Subsidiair heeft hij verzocht de behandeling aan te houden, zodat hierover aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kunnen worden gesteld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit in onderdeel e) van EAB I hetzelfde feit is als het derde feit in onderdeel e) van EAB III. Naar aanleiding van het hoger beroep tegen het vonnis met kenmerk III K 1350/21 is dit feit namelijk terugverwezen naar de rechtbank in eerste aanleg. Vervolgens is de opgeëiste persoon opnieuw in eerste aanleg voor dit feit veroordeeld in de zaak met kenmerk IV K 1464/23
.Dit vormt geen beletsel voor de overlevering. Het kan voorkomen dat meerdere rechters een beslissing hebben genomen over hetzelfde feit en dat dit feit daarom aan meerdere EAB’s onderliggend is. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanvullende vragen hoeven te worden gesteld, omdat de situatie wat betreft het strafbare feit hiermee opgehelderd is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat het vonnis met kenmerk IV K 1464/23 blijkens EAB I en de aanvullende informatie van 17 februari 2026 een uitvloeisel lijkt te zijn van het vonnis met kenmerk III K 1350/21 en het daartegen gewezen arrest in hoger beroep met kenmerk X Ka 867/23 die ten grondslag liggen aan EAB III. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat er een overlap lijkt te bestaan tussen het feit in onderdeel e) van EAB I en het derde feit in onderdeel e) van EAB III.
In de aanvullende informatie van 23 januari 2026 is weliswaar gesteld dat EAB I en EAB III geen verband houden met elkaar, maar de aanvullende informatie van 17 februari 2026 lijkt dit tegen te spreken.
In verband hiermee heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak van heden inzake EAB III (met parketnummer 13/042569-26) aanvullende vragen geformuleerd ten aanzien van de grondslag en de inhoud van EAB III.
Omdat samenhang lijkt te bestaan tussen het feit in onderdeel e) van EAB I en het derde feit in onderdeel e) van EAB III en mogelijk dus sprake is van een overlap ten aanzien van deze feiten, is de rechtbank van oordeel dat zij op dit moment over onvoldoende informatie beschikt om definitief te kunnen oordelen over de grondslag en inhoud van EAB I.
In verband met het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aanvullende vragen te stellen. De rechtbank verzoekt dan ook aan de officier van justitie om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te stellen:
1. Hoe verhouden enerzijds de procedure met kenmerk IV K 1464/23 en het bijbehorende feit in onderdeel e) van EAB I, en anderzijds de procedure met kenmerk III K 1350/21 en het derde feit in onderdeel e) van EAB III zich tot elkaar? Zien deze procedures op hetzelfde strafbare feit van 26 augustus 2021?
2. Indien het om hetzelfde strafbare feit gaat, hoe verhouden de in EAB I en in EAB III opgelegde gevangenisstraffen zich tot elkaar? Is er sprake van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit?
3. Indien het niet gaat om hetzelfde strafbare feit, hoe verhoudt de vernietiging van het vonnis in de procedure met kenmerk III K 1350/21 waar in de aanvullende informatie van 17 februari 2026 over wordt gesproken (
‘the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23’)zich dan tot het derde feit in onderdeel e) van EAB III.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de beantwoording van genoemde vragen, het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 10 februari 2026 heeft
the District Court for Warszawa-Wola in Warsaw [Sad Rejonowy dla Warszawy-Woli], VII Decision Enforcement Divisionop 17 februari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“Our reference numberVIII Kop 149/25, IV K 1464/23
(…)
The case ref. no IV 1464/23 was registered under that number as the Regional Court while recognizing the appeal against the judgment in the case ref. no III K 1350/21 under the reference number X Ka 867/23, regarding the offence of 26th August, 2021 (…), reversed it to be re-examined. During the examination of the case regarding this offence the convict did not receipt the correspondence addressed at him that returned with a note of being notified twice at the address provide by him in the course of the proceedings (…) The convict was instructed in the whole course of the proceedings about his rights and obligations (…) He was also instructed that in case of the failure to make the receipt of the correspondence the court could continue the proceedings in his absentia and the court could issue a judgment. The convict was instructed as well that he should provide a new address of his stay if there occurred any change of his address of residence. Such instructions were given to the convict in the preparatory procedure and he also obtained them in person during the court proceedings together with the indictment act sent to him. In the course of the proceedings in the case ref. no. III K 1350/21, he participated actively, participated in the court hearings and during the inter-instance procedure. The convict being aware about the pending court proceedings did not provide any other address of his stay, and moreover, he failed to make receipt of the correspondence addressed at him about the date and time of the trial with regard to the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23. Therefore, the convict was fully aware of the obligations regarding the receipt of the correspondence and providing his residence address if he changed his place of stay.”
Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie op 18 februari 2026 aanvullende vragen gesteld, waarop
the District Court for Warszawa-Wola in Warsaw [Sad Rejonowy dla Warszawy-Woli], VII Decision Enforcement Divisionop 19 februari 2026 het volgende heeft geantwoord:
"Our reference numberVIII Kop 149/25, IV K 1464/23 (III K 1350/21)
(…)
Regarding the case ref. no III K 1350/21 the convict was instructed about the address issues and his obligation to inform about its change both in the course of the preparatory, pre-trial proceedings and the court proceedings as well. The instructions about this obligation was receipted by him personally in the preparatory proceedings on 04.12.2020, and in the court proceedings- while receiving the certified copy of the indictment act, the copy of which with the instructions was receipted by him on 20th August, 2021. The instruction referred to the whole court proceedings."
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was van de zittingsdatum. Bovendien was de opgeëiste persoon er niet van op de hoogte dat hij zijn adres in Nederland door moest geven aan de Poolse autoriteiten. De adresinstructie is verstrekt nog voordat het feit was gepleegd. Daarnaast is geen verzetgarantie gegeven en is onduidelijk of een adresinstructie is gegeven in de procedure met kenmerk IV K 1464/23. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is van toepassing.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van toepassing van deze weigeringsgrond in verband met de gegeven adresinstructie. De adresinstructie is weliswaar gegeven in de procedure met kenmerk III K 1350/21, maar gold voor de hele procedure tot aan het moment van de strafexecutie en daarmee dus ook voor de procedure met kenmerk IV K 1464/23. Een expliciete omschrijving dat de adresinstructie ook geldt in het geval van een terugverwijzing naar de rechtbank in eerste aanleg is geen reële eis. Er kan bijvoorbeeld ook niet worden verwacht dat de adresinstructie expliciet omschrijft dat deze nog geldt na wraking van de rechtbank. Artikel 12 OLW Pro staat niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Zoals de rechtbank hiervoor onder punt 3 heeft overwogen, lijkt het vonnis met kenmerk IV K 1464/23 blijkens EAB I en de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 een uitvloeisel te zijn van het vonnis met kenmerk III K 1350/21 - dat ten grondslag ligt aan EAB III – en de daartegen gevoerde procedure in hoger beroep.
Op basis van die aanvullende informatie stelt de rechtbank voorts vast dat een adresinstructie is gegeven aan de opgeëiste persoon in de procedure met kenmerk III K 1350/21 en dat deze adresinstructie heeft gegolden voor “
the whole court proceedings”. De rechtbank stelt daarnaast op grond van de aanvullende informatie van 19 februari 2026 vast dat deze adresinstructie is gegeven aan de opgeëiste persoon op 4 december 2020 en 20 augustus 2021, terwijl het strafbare feit pas daarna is gepleegd, namelijk op 26 augustus 2021.
In verband hiermee is het voor de rechtbank onduidelijk of de adresinstructie ook van toepassing was op de procedure met kenmerk IV K 1464/23 die heeft geleid tot het vonnis van 22 februari 2024 die is genomen na een terugverwijzing. Voorts is het voor de rechtbank onduidelijk hoe een adresinstructie die is gegeven op 4 december 2020 en 20 augustus 2021, van toepassing is op een procedure ten aanzien van een strafbaar feit dat op 26 augustus 2021 is gepleegd.
In verband met het voorgaande verzoekt de rechtbank aan de officier van justitie om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te stellen:
Uit de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen op 4 december 2020 en 20 augustus 2021 in de procedure met kenmerk III K 1350/21. Het strafbare feit in onderdeel e) van EAB I heeft echter pas plaatsgevonden op 26 augustus 2021. De rechtbank wil daarom weten of:
- de opgeëiste persoon ten aanzien van het strafbare feit van 26 augustus 2021 opnieuw is gehoord;
- de opgeëiste persoon voorafgaand aan de berechting van het strafbare feit van 26 augustus 2021 (opnieuw) een adresinstructie heeft ontvangen;
- deze adresinstructie gold voor de procedure met kenmerk IV K 1464/23, en;
- deze procedure heeft plaatsgevonden na een terugverwijzing naar aanleiding van de procedure in hoger beroep tegen het vonnis met kenmerk III K 1350/21 (EAB III)?
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de beantwoording van genoemde vragen, het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon een eerlijk proces van een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gehad. De raadsman heeft op 19 februari 2026 per e-mail aan het Openbaar Ministerie verzocht om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. over de benoemingsprocedure van de betrokken rechters, de eventuele betrokkenheid van de huidige KRS en of tegen deze rechters disciplinaire procedures aanhangig zijn geweest of dat zij hebben gefunctioneerd binnen kamers waarvan de onafhankelijkheid onderwerp is geweest van Europese rechtsstatelijke procedures. Deze vragen heeft het Openbaar Ministerie niet gesteld. Zonder deze informatie kan geen individuele toets plaatsvinden aan artikel 47 Handvest Pro .
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het stellen van vragen over de rechterlijke onafhankelijkheid, omdat dit niet tot de taak van het Openbaar Ministerie behoort. In andere Poolse overleveringszaken is dit ook niet gebeurd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
De rechtbank is van oordeel dat door of namens de opgeëiste persoon geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt – noch die doen vermoeden dat – voornoemde structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. Anders dan de raadsman stelt, is het aan de opgeëiste persoon om deze elementen aan te voeren en te onderbouwen.
In verband met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door de verdediging niet is aangetoond dat sprake is van een individueel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Daarom bestaat er geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [5]
Artikel 11 OLW Pro staat ten aanzien van de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsstaat niet aan de overlevering in de weg.
5.2
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende duidelijk en concreet is waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden. Onbekend is wat de minimale leefruimte per gedetineerde is, hoeveel personen op een cel worden geplaatst en of de opgeëiste persoon toegang heeft tot medische zorg. Daardoor kan het tweede deel van de tweestappentoets, die de rechtbank naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient uit te voeren, niet plaatsvinden. Er kan dan ook niet worden vastgesteld in hoeverre de opgeëiste persoon in detentie zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 4 Handvest Pro. De overlevering kan niet worden toegestaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van dit punt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. [6]
Nu van een dergelijk
algemeengevaar voor Poolse gedetineerden geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk
concreetgevaar voor de opgeëiste persoon. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de detentieomstandigheden en verwerpt het verweer van de raadsman

6.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording van de door de rechtbank onder punt 3 en 4 geformuleerde vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk op 19 maart 2026 (vanwege het verstrijken van de beslistermijn in EAB I op 20 maart 2026) opnieuw op zitting wordt gepland, tezamen met de zaken met de parketnummers 13/347461-25 (EAB II) en 13/042569-26 (EAB III).
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (