ECLI:NL:RBAMS:2026:2641

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
13/347461-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLWArt. 47 Handvest van de grondrechten van de EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen, gericht op de overlevering van een Poolse verdachte die een vrijheidsstraf van negen maanden en een dag moet uitzitten voor illegale handel in verdovende middelen. De verdediging voerde aan dat er onvoldoende garanties zijn voor een eerlijk proces en goede detentieomstandigheden in Polen.

De rechtbank oordeelde dat er weliswaar sprake is van structurele gebreken in de Poolse rechtsorde, maar dat de verdediging geen concrete aanwijzingen heeft geleverd dat deze gebreken de zaak van de verdachte individueel hebben beïnvloed. Ook is vastgesteld dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat voor onmenselijke detentieomstandigheden in Polen.

De rechtbank besloot daarom geen aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten en geen overlevering te weigeren op grond van artikel 11 van Pro de Overleveringswet. Omdat de rechtbank in alle zaken met betrekking tot deze verdachte gelijktijdig uitspraak wil doen, werd de behandeling van deze zaak heropend en voor onbepaalde tijd aangehouden.

De zaak wordt uiterlijk op 19 maart 2026 opnieuw op zitting gepland, samen met twee andere EAB-zaken. De verdachte blijft voorlopig in Nederland en zal worden opgeroepen voor de nieuwe zitting, waarbij ook een Poolse tolk aanwezig zal zijn.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst de behandeling van het Europees aanhoudingsbevel en houdt de zaak aan om gelijktijdig met andere zaken uitspraak te doen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/347461-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 5 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 augustus 2025 door
the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court for the Capital City of Warsaw in Warsaw (Sad Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie)van 4 oktober 2022 met kenmerk V K 1246/22.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en een dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemd vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon een eerlijk proces van een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gehad. De raadsman heeft op 19 februari 2026 per e-mail aan het Openbaar Ministerie verzocht om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. over de benoemingsprocedure van de betrokken rechters, de eventuele betrokkenheid van de huidige KRS en of tegen deze rechters disciplinaire procedures aanhangig zijn geweest of dat zij hebben gefunctioneerd binnen kamers waarvan de onafhankelijkheid onderwerp is geweest van Europese rechtsstatelijke procedures. Deze vragen heeft het Openbaar Ministerie niet gesteld. Zonder deze informatie kan geen individuele toets plaatsvinden aan artikel 47 Handvest Pro .
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het stellen van vragen over de rechterlijke onafhankelijkheid, omdat dit niet tot de taak van het Openbaar Ministerie behoort. In andere Poolse overleveringszaken is dit ook niet gebeurd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
De rechtbank is van oordeel dat door of namens de opgeëiste persoon geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt – noch die doen vermoeden dat – voornoemde structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed gehad op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon na overlevering. Anders dan de raadsman stelt, is het aan de opgeëiste persoon om deze elementen aan te voeren en te onderbouwen.
In verband met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door de verdediging niet is aangetoond dat sprake is van een individueel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Daarom bestaat er geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [5]
Artikel 11 OLW Pro staat ten aanzien van de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsstaat niet aan de overlevering in de weg.
5.2
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende duidelijk en concreet is waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden. Onbekend is wat de minimale leefruimte per gedetineerde is, hoeveel personen op een cel worden geplaatst en of de opgeëiste persoon toegang heeft tot medische zorg. Daardoor kan het tweede deel van de tweestappentoets, die de rechtbank naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient uit te voeren, niet plaatsvinden. Er kan dan ook niet worden vastgesteld in hoeverre de opgeëiste persoon in detentie zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 4 Handvest Pro. De overlevering kan niet worden toegestaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van dit punt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. [6]
Nu van een dergelijk
algemeengevaar voor Poolse gedetineerden geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk
concreetgevaar voor de opgeëiste persoon. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de detentieomstandigheden en verwerpt het verweer van de raadsman.

6.Heropening van het onderzoek

De rechtbank ziet geen gronden voor weigering van de overlevering in deze zaak.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de twee andere EAB’s met de parketnummers 13/347413-25 (EAB I) en 13/042569-26 (EAB III). In twee tussenuitspraken van heden heeft de rechtbank ten aanzien van EAB I en EAB III vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en om die reden de onderzoeken in die zaken heropend en voor onbepaalde tijd aangehouden.
De rechtbank wil in alle zaken betreffende opgeëiste persoon gelijktijdig einduitspraak doen. Als in EAB II nu einduitspraak wordt gedaan waarbij de overlevering wordt toegestaan, dan moet de opgeëiste persoon in beginsel binnen 10 dagen na deze uitspraak feitelijk worden overgeleverd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, terwijl in de zaken die zien op EAB I en EAB III dan nog geen einduitspraak zal zijn gedaan. De rechtbank acht dit een onwenselijke situatie.
Daarom is het nodig dat de opgeëiste persoon op dit moment in Nederland blijft en zal de rechtbank de behandeling inzake EAB II eveneens heropenen en voor onbepaalde tijd aanhouden.

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om deze zaak gelijktijdig af te kunnen doen met de zaken met de parketnummers 13/347413-25 (EAB I) en 13/042569-26 (EAB III).
BEPAALTdat de zaak uiterlijk op 19 maart 2026 (vanwege het verstrijken van de beslistermijn in EAB I op 20 maart 2026) opnieuw op zitting wordt gepland, tezamen met de zaken met de parketnummers 13/347413-25 (EAB I) en 13/042569-26 (EAB III).
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (