ECLI:NL:RBAMS:2026:2642

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
13/042569-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europese aanhoudingsbevelen en mogelijke overlap feiten in Poolse strafzaak

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 maart 2026 een tussenuitspraak in een zaak over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen. De zaak betreft de overlevering van een Poolse veroordeelde voor een vrijheidsstraf van een jaar en twee maanden wegens bezit van cannabis. Er bestaat mogelijk een overlap tussen feiten in twee verschillende EAB's, beide gerelateerd aan een incident op 26 augustus 2021.

De verdediging stelde dat sprake is van dubbele bestraffing (ne bis in idem) en dat de overlevering geweigerd moet worden. De officier van justitie betoogde dat de feiten weliswaar overlappen, maar dat dit geen beletsel vormt voor overlevering. De rechtbank constateerde onvoldoende informatie om definitief te oordelen en verzocht aanvullende vragen aan de Poolse autoriteiten.

Daarnaast is onduidelijk wie het hoger beroep heeft ingesteld en of de opgeëiste persoon voldoende op de hoogte was van adresinstructies en zittingsdata, wat relevant is voor de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro. De rechtbank verzocht ook hierover nadere informatie.

De rechtbank oordeelde verder dat er geen concreet individueel gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces of onmenselijke detentie in Polen, zodat geen aanvullende gegevens hierover worden opgevraagd.

Het onderzoek wordt heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, met een nieuwe zitting gepland uiterlijk 19 maart 2026, waarbij de zaak wordt samengevoegd met gerelateerde zaken.

Uitkomst: De rechtbank schorst het onderzoek en verzoekt aanvullende informatie over mogelijke overlap feiten en adresinstructies.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/042569-26 (EAB III)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 11 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2025 door
the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court for Warsawa-Wola in Warsawvan 21 juni 2023 met kenmerk III K 1350/21, gewijzigd met het arrest van
the Regional Court in Warsawvan 12 oktober 2023 met kenmerk X Ka 867/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
In onderdeel e) van het EAB is het derde strafbare feit als volgt omschreven:
“On 26th August, 2021, in Warsaw at [adres 1] , in a car Audi A3 reg. no
[nummer] , in concert with a determined person, he possessed some intoxicants such as
cannabis other than fibrous of the weight of 41,84 gram.”
In de zaak met parketnummer 13/347413-25 is op 2 september 2025 een EAB uitgevaardigd dat strekt tot de overlevering van de opgeëiste persoon (EAB I). EAB I beschrijft in onderdeel e) het strafbare feit als volgt:
“On 26 August 2021, in Warsaw at [adres 1] in a car, an Audi A3 registration no. [nummer] , jointly and in concerned with another identified person, he was in possession of, in violation of the provisions of the Law on the prevention of drug abuse, a narcotic drug of non-fibrous cannabis in the volume of 41.095 grams.”
Het Openbaar Ministerie heeft op 22 januari 2026 de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
"We have previously received and started processing an EAW issued by you on 02-09-2025, reference number VIII Kop 149/25, which includes one of the criminal acts that is also mentioned in the EAW of 30-10-2025, namely the possession of cannabis on 26-08-2021 in Warsaw. Could you please inform us of the connection between these two EAW’s? Does the EAW of 30-10-2025 replace the one of 02-09-2025?"
Bij e-mailbericht van 23 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt:
"In response to your inquiry dated 22.01.2026, I would like to kindly inform you that three European Arrest Warrants have been issued against convicted [de opgeëiste persoon] :1. Reference number VIII Kop 149/25 issued on 02.09.20252. Reference number VIII Kop 249/25 issued on 30.10.20253. Reference number VIII Kop 161/25 issued on 25.08.2025The basis for issuing each of these EAW's are three different convictions for three different cannabis possession offences. These EAW's are unrelated and should be considered separately."
Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens op 10 februari 2026 opnieuw vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, die op 17 februari 2026 de volgende aanvullende informatie heeft verstrekt:
“(…)
The case ref. no IV K 1464/23 was registered under that number as the Regional Court while recognizing the appeal against the judgment in the case rev.no III K 1350/21 under the reference X ka 867/23, regarding the offence of 26th August, 2021 against Art. 62 item Pro 1 of Law upon counteraction against drug addiction, reversed it to be re-examined. (…) he failed to make receipt of the correspondence addressed at him about the date and time of the trial with regard to the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake lijkt te zijn van een feitelijke overlap ten aanzien van het feit in onderdeel e) van EAB I en het derde feit in onderdeel e) van EAB III. Beide feiten zijn gepleegd op 26 augustus 2021 op hetzelfde adres in Warschau. Daarnaast vermelden beide EAB’s een vergelijkbare, maar niet gelijke hoeveelheid cannabis. Dit roept de vraag op of het
ne bis in idem-beginsel wordt nageleefd. De enkele mededeling dat het hierbij gaat om verschillende veroordelingen is onvoldoende om uit te sluiten dat sprake is van een dubbele executie voor (deels) identieke gedragingen en dat uiteindelijk twee straffen ten uitvoer worden gelegd voor hetzelfde strafbare feit. De raadsman heeft primair verzocht de overlevering voor dit EAB daarom te weigeren. Subsidiair heeft hij de rechtbank verzocht de behandeling aan te houden, zodat hierover aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kunnen worden gesteld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit in onderdeel e) van EAB I hetzelfde feit is als het derde feit in onderdeel e) van EAB III. Naar aanleiding van het hoger beroep tegen het vonnis met kenmerk III K 1350/21 is dit feit namelijk terugverwezen naar de rechtbank in eerste aanleg. Vervolgens is de opgeëiste persoon voor dit feit veroordeeld in de zaak met kenmerk IV K 1464/23
.Dit vormt echter geen beletsel voor de overlevering. Het kan voorkomen dat meerdere rechters een beslissing hebben genomen over hetzelfde feit, en dat dit feit daarom aan meerdere EAB’s onderliggend is. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanvullende vragen hoeven te worden gesteld, omdat de situatie wat betreft het strafbare feit hiermee verhelderd is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat het vonnis met kenmerk IV K 1464/23 blijkens EAB I en de aanvullende informatie van 17 februari 2026 een uitvloeisel lijkt te zijn van het vonnis met kenmerk III K 1350/21 en het daartegen gewezen arrest met kenmerk X Ka 867/23, die ten grondslag liggen aan EAB III. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat er een overlap lijkt te bestaan tussen het feit in onderdeel e) in EAB I en het derde feit in onderdeel e) van EAB III.
In de aanvullende informatie van 23 januari 2026 is weliswaar gesteld dat EAB I en EAB III geen verband houden met elkaar, maar de aanvullende informatie van 17 februari 2026 lijkt dit tegen te spreken. Omdat samenhang lijkt te bestaan tussen het feit in onderdeel e) van EAB I en het derde feit in onderdeel e) van EAB III, en mogelijk dus sprake is van een overlap ten aanzien van deze feiten, is de rechtbank van oordeel dat zij op dit moment over onvoldoende informatie beschikt om definitief te kunnen oordelen over de grondslag en inhoud van EAB III.
In verband met het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aanvullende vragen te stellen. De rechtbank verzoekt dan ook aan de officier van justitie om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te stellen:
1. Hoe verhouden enerzijds de procedure met kenmerk IV K 1464/23 en het bijbehorende feit in onderdeel e) van EAB I, en anderzijds de procedure met kenmerk III K 1350/21 en het derde feit in onderdeel e) van EAB III zich tot elkaar? Zien deze procedures op hetzelfde strafbare feit van 26 augustus 2021?
2. Indien het om hetzelfde strafbare feit gaat, hoe verhouden de in EAB I en in EAB III opgelegde gevangenisstraffen zich tot elkaar? Is er sprake van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit?
3. Indien het niet gaat om hetzelfde strafbare feit, hoe verhoudt de vernietiging van het vonnis in de procedure met kenmerk III K 1350/21 waar in de aanvullende informatie van 17 februari 2026 over wordt gesproken (
‘the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23’)zich dan tot het derde feit in onderdeel e) van EAB III.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de beantwoording van genoemde vragen, het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 10 februari 2026 heeft
the District Court for Warszawa-Wola in Warsaw [Sad Rejonowy dla Warszawy-Woli], VII Decision Enforcement Divisionop 17 februari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“Our reference numberVIII Kop 149/25, IV K 1464/23
(…)
The case ref. no IV 1464/23 was registered under that number as the Regional Court while recognizing the appeal against the judgment in the case ref. no III K 1350/21 under the reference number X Ka 867/23, regarding the offence of 26th August, 2021 (…), reversed it to be re-examined. During the examination of the case regarding this offence the convict did not receipt the correspondence addressed at him that returned with a note of being notified twice at the address provide by him in the course of the proceedings (…) The convict was instructed in the whole course of the proceedings about his rights and obligations (…) He was also instructed that in case of the failure to make the receipt of the correspondence the court could continue the proceedings in his absentia and the court could issue a judgment. The convict was instructed as well that he should provide a new address of his stay if there occurred any change of his address of residence. Such instructions were given to the convict in the preparatory procedure and he also obtained them in person during the court proceedings together with the indictment act sent to him. In the course of the proceedings in the case ref. no. III K 1350/21, he participated actively, participated in the court hearings and during the inter-instance procedure. The convict being aware about the pending court proceedings did not provide any other address of his stay, and moreover, he failed to make receipt of the correspondence addressed at him about the date and time of the trial with regard to the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23. Therefore, the convict was fully aware of the obligations regarding the receipt of the correspondence and providing his residence address if he changed his place of stay.”
Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie op 18 februari 2026 aanvullende vragen gesteld, waarop
the District Court for Warszawa-Wola in Warsaw [Sad Rejonowy dla Warszawy-Woli], VII Decision Enforcement Divisionop 19 februari 2026 het volgende heeft geantwoord:
"Our reference numberVIII Kop 149/25, IV K 1464/23 (III K 1350/21)
(…)
Regarding the case ref. no III K 1350/21 the convict was instructed about the address issues and his obligation to inform about its change both in the course of the preparatory, pre-trial proceedings and the court proceedings as well. The instructions about this obligation was receipted by him personally in the preparatory proceedings on 04.12.2020, and in the court proceedings- while receiving the certified copy of the indictment act, the copy of which with the instructions was receipted by him on 20th August, 2021. The instruction referred to the whole court proceedings."
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. De behandeling in hoger beroep dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest bij de behandeling in hoger beroep en heeft niet ondubbelzinnig afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Op basis van de stukken kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was van de zittingsdatum. Bovendien was de opgeëiste persoon er niet van op de hoogte dat hij zijn adres in Nederland moest doorgeven aan de Poolse autoriteiten. Daarnaast is geen verzetgarantie gegeven. De overlevering moet worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van toepassingen van de weigeringsgrond in verband met de gegeven adresinstructie. Uit de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 blijkt dat de adresinstructie voor de hele procedure heeft gegolden en dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de consequenties van het niet naleven van de adresinstructie. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat geen aanvullende vragen hoeven te worden gesteld over wie het hoger beroep heeft ingesteld, omdat dat niet relevant is. Artikel 12 OLW Pro staat niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat het arrest van
the Regional Court in Warsawvan 12 oktober 2023 met kenmerk X Ka 867/23 dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de stukken niet worden vastgesteld wie het hoger beroep heeft ingesteld.
Op grond van de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 stelt de rechtbank vast dat een adresinstructie is gegeven aan de opgeëiste persoon in de procedure met kenmerk III K 1350/21 en dat deze adresinstructie heeft gegolden voor “
the whole court proceedings”. De rechtbank stelt daarnaast op grond van de aanvullende informatie van 19 februari 2026 vast dat deze adresinstructie is gegeven aan de opgeëiste persoon op 4 december 2020 en
20 augustus 2021,
In verband met het voorgaande verzoekt de rechtbank aan de officier van justitie om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te stellen:
1. Wie heeft het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van
the District Court for Warsawa-Wola in Warsawvan 21 juni 2023 met kenmerk III K 1350/21?
2. In het geval een advocaat dit hoger beroep heeft ingesteld: was deze advocaat gemachtigd door de opgeëiste persoon om zijn verdediging in hoger beroep te voeren?
3. Uit de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen op 4 december 2020 en op 20 augustus 2021 in de procedure met kenmerk III K 1350/21. Had de opgeëiste persoon daadwerkelijk kennis van het feit dat de adresinstructie op de gehele procedure ziet, dus ook op een eventueel hoger beroep?
4. Het derde strafbare feit in onderdeel e) van EAB III heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2021 terwijl de adresinstructie al daarvoor is verstrekt, te weten op 4 december 2020 en op 20 augustus 2021. De rechtbank wil weten of:
- de opgeëiste persoon ten aanzien van het strafbare feit van 26 augustus 2021 opnieuw is gehoord;
- de opgeëiste persoon voorafgaand aan de berechting van het strafbare feit van 26 augustus 2021 (opnieuw) een adresinstructie heeft ontvangen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de beantwoording van genoemde vragen, het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon een eerlijk proces van een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gehad. De raadsman heeft op 19 februari 2026 per e-mail aan het Openbaar Ministerie verzocht om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. over de benoemingsprocedure van de betrokken rechters, de eventuele betrokkenheid van de huidige KRS en of tegen deze rechters disciplinaire procedures aanhangig zijn geweest of dat zij hebben gefunctioneerd binnen kamers waarvan de onafhankelijkheid onderwerp is geweest van Europese rechtsstatelijke procedures. Deze vragen heeft het Openbaar Ministerie niet gesteld. Zonder deze informatie kan geen individuele toets plaatsvinden aan artikel 47 Handvest Pro .
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het stellen van vragen over de rechterlijke onafhankelijkheid, omdat dit niet tot de taak van het Openbaar Ministerie behoort. In andere Poolse overleveringszaken is dit ook niet gebeurd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
De rechtbank is van oordeel dat door of namens de opgeëiste persoon geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt – noch die doen vermoeden dat – voornoemde structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. Anders dan de raadsman stelt, is het aan de opgeëiste persoon om deze elementen aan te voeren en te onderbouwen.
In verband met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door de verdediging niet is aangetoond dat sprake is van een individueel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Daarom bestaat er geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [6]
Artikel 11 OLW Pro staat ten aanzien van de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsstaat niet aan de overlevering in de weg.
5.2
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende duidelijk en concreet is waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden. Onbekend is wat de minimale leefruimte per gedetineerde is, hoeveel personen op een cel worden geplaatst en of de opgeëiste persoon toegang heeft tot medische zorg. Daardoor kan het tweede deel van de tweestappentoets, die de rechtbank naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient uit te voeren, niet plaatsvinden. Er kan dan ook niet worden vastgesteld in hoeverre de opgeëiste persoon in detentie zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 4 Handvest Pro. De overlevering kan niet worden toegestaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. [7]
Nu van een dergelijk
algemeengevaar voor Poolse gedetineerden geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk
concreetgevaar voor de opgeëiste persoon. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de detentieomstandigheden en verwerpt het verweer van de raadsman.

6.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder punt 3 en 4 geformuleerde vragen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk op 19 maart 2026 (vanwege het verstrijken van de beslistermijn in EAB I op 20 maart 2026) opnieuw op zitting wordt gepland, tezamen met de zaken met de parketnummers 13/347413-25 (EAB I) en 13/347461-25 (EAB II).
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (