ECLI:NL:RBAMS:2026:275

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
1326231225
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel van Roemenië met betrekking tot de opgeëiste persoon

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Roemeense autoriteiten. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat op 30 september 2025 is uitgevaardigd. De opgeëiste persoon, geboren in 1977 in Roemenië, is momenteel gedetineerd in Nederland. Tijdens de zitting op 17 december 2025 heeft de rechtbank de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat zijn persoonsgegevens correct zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

De rechtbank heeft de grondslag en inhoud van het EAB beoordeeld, waarbij het EAB verwijst naar eerdere vonnissen en arresten van Roemeense rechtbanken. De verdediging heeft aangevoerd dat het arrest van 21 juli 2025 niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is, omdat er verzet is aangetekend. De officier van justitie heeft echter gesteld dat het EAB niet is ingetrokken en dat er een beslissing moet worden genomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen bewijs is dat het arrest niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

De rechtbank heeft ook de weigeringsgronden van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet van toepassing zijn, omdat de opgeëiste persoon op meerdere data in persoon is gedagvaard. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van de OLW en dat er geen weigeringsgronden zijn. De overlevering is toegestaan, en de rechtbank heeft de beslissing openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-262312-25
Datum uitspraak: 7 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2025 door de
Rădăuți Court,Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] (Roemenië),
inschrijvingsadres in de basisregistratie personen:
[BRP-adres] ,
thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen) enkelvoudig gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van de
Radauti Courtvan 10 mei 2024 met kenmerk No. 363, in hoger beroep beoordeeld in het arrest van het
Suceava Court of Appealvan 21 juli 2025 met kenmerk No. 841. Uit het EAB blijkt dat bij dit vonnis en arrest ook de tenuitvoerlegging is bevolen van een (gedeelte van een) straf die is opgelegd bij een vonnis van de
Regional Court of Praguevan 16 mei 2011 met kenmerk 1T25/2011. Uit de aanvullende informatie van 16 december 2025 blijkt in deze zaak in hoger beroep is geoordeeld in een arrest van
the High Court in Praguevan 31 augustus 2011 met kenmerk 8 To 74/2011. Deze Tsjechische straf is – zo blijkt uit het EAB – bij
criminal sentencevan
the Bucharest Court of Appealvan 5 juli 2012 overgenomen om verder ten uitvoer gelegd te worden in Roemenië. Ook blijkt uit het EAB dat de opgeëiste persoon – na een gedeelte van de straf van 10 jaar te hebben uitgezeten – op 23 mei 2017 voorlopig in vrijheid is gesteld. Bij vonnis en arrest van de Roemeense instanties is deze voorlopige invrijheidsstelling herroepen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en vier maanden plus 1281 dagen door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van het
Suceava Court of Appeal. Het betreft een straf van 1 jaar en 4 maanden voor feiten, beoordeeld door het
Suceava Court of Appeal, alsook het restant van de straf van 10 jaar die aan opgeëiste persoon was opgelegd door de
Regional Court of Prague, in hoger beroep beoordeeld door
the High Court in Pragueen waarvan dus alsnog de tenuitvoerlegging van het restant van 1281 dagen is bevolen.
Deze arresten betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
Standpunt van de raadsman
De raadsman voert aan dat de grondslag van het EAB niet juist is, omdat het arrest van de
Suceava Court of Appealvan 21 juli 2025 niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Het arrest is namelijk nog niet onherroepelijk. De opgeëiste persoon heeft verzet aangetekend tegen het arrest van 21 juli 2025 met kenmerk 2677/285/2022 en dit verzet wordt op 19 januari 2026 behandeld. Ter onderbouwing heeft de raadsman een (officiële vertaling van een) oproep van de opgeëiste persoon voor een zitting van de
Suceava Court of Appealvan 26 november 2025 ingebracht waarop een “
appeal for annulment” behandeld zou worden. Tevens heeft hij een (niet officiële vertaling van een) proces-verbaal van de zitting van 26 november 2025 overgelegd van de
Suceava Court of Appeal, waarin onder andere staat dat de opgeëiste persoon op die zitting niet is verschenen door zijn detentie in Nederland en dat er op 19 januari 2026 een nieuwe zitting zal zijn. Dit brengt met zich mee dat de grondslag voor het EAB ontbreekt, aldus steeds de raadsman, en de overlevering afgewezen moet worden dan wel het EAB buiten behandeling gelaten moet worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het arrest wel voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Het EAB is niet ingetrokken en er moet dus een beslissing op worden genomen. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de informatie die de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat nadat hierover door de officier van justitie navraag was gedaan, de uitvaardigende justitiële autoriteit op 19 november 2025 onder andere de volgende aanvullende informatie heeft verstrekt:
“(…)On 29.07.2025 the convicted person [opgeëiste persoon] lodged an appeal for annulment against Criminal Decision no. 841 of 21.07.2025 of the Suceava Court of Appeal […], the appeal having been registered on the docket of the Suceava Court of Appeal with a hearing date set for 26 November 2025. According to the provisions of art. 426 of the Criminal Procedure Code, the appeal for annulment is anextraordinary remedy in criminal matters, aiming at the annulment of a final criminal judgment, in strictly and limitatively defined cases provided by law.”
In het door de raadsman overgelegde proces-verbaal van de zitting van 26 november 2025 staat daarnaast dat de zitting bedoeld is voor de bespreking van de ontvankelijkheid van het door de opgeëiste persoon ingestelde verzet.
De rechtbank is dan ook – met de officier van justitie - van oordeel dat niet is gebleken dat het arrest niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is. De raadsman heeft slechts onderbouwd dat het verzet is ingesteld, maar niet dat dit tot gevolg heeft dat het arrest niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over informatie waaruit zou blijken dat het arrest niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
3.1.1.
Ten aanzien van het vonnis van deRadauti Courtvan 10 mei 2024 met kenmerk No. 363 en het arrest met kenmerk No. 841 van deSuceava Court of Appealvan 21 juli 2025.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het arrest getoetst moet worden: hiervoor geldt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon op meerdere data in persoon is gedagvaard voor de zittingen in hoger beroep. De uitzondering als bedoeld in artikel 12 onder a OLW is daarom van toepassing. Subsidiair heeft zij er nog op gewezen dat hij via WhatsApp is gehoord en toen een adresinstructie heeft ontvangen, zodat ook kan worden afgezien van weigering.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Uit de aanvullende informatie van 14 november 2025 blijkt dat het arrest van het
Suceava Court of Appealmoet worden getoetst aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 14 november 2025 en het daarbij overgelegde d-formulier, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 18 oktober 2024, 17 januari 2025 en 24 maart 2025 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting in hoger beroep en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen als hij niet verschijnt. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij oproepen heeft ontvangen is dan ook onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.
3.1.2.
Ten aanzien van het vonnis van deRegional Court in Praguevan 16 mei 2011 en het arrest vanthe High Court in Praguevan 31 augustus 2011 met kenmerk 8 To 74/2011.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep getoetst moet worden aan de vereisten van artikel 12 OLW omdat het arrest onherroepelijk is en in cassatie niet geoordeeld is over schuld en/of straf. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij dat proces in hoger beroep, dus de weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [5]
Bij mailbericht van 16 december 2025 heeft de
Assistant to the National Member for the Netherlandsvan Eurojust de volgende informatie verstrekt:
"On behalf of Pavel Zeman, I hereby inform you that the judgment of the Regional Court in Prague, dated May 16, 2011, file number 1 T 25/2011, was delivered to the convicted person, who also personally attended the trial in which the judgment of the Regional Court in Prague, file no. 1 T 25/2011, was announced.Then [opgeëiste persoon] appealed against this decision. This appeal was rejected by a decision of the High Court in Prague dated August 31, 2011, file number 8 To 74/2011.The convicted person filed an extraordinary appeal against this decision which was rejected by a decision of the Supreme Court of the Czech Republic dated January 24, 2012, file number 7 Tdo 18/2012."
Bij mailbericht van 17 december 2025 van dezelfde instantie is hier nog het volgende aan toegevoegd:
“Sub 1.
Indeed the decision of High Court 8 To 74/2011 cannot be further appealed by an ordinary appeal. In this respect the decision is final.
[…]
Sub 3.
I will quote our reply from yesterday (which is based on annex D): “I hereby inform you that the judgment of the Regional Court in Prague, dated May 16, 2011, file number 1 T 25/2011,was delivered to the convicted person, whoalso personally attended the trialin which the judgment of the Regional Court in Prague, file no. 1 T 25/2011, was announced.
Then [opgeëiste persoon] appealed against this decision. This appeal was rejected by a decision of the High Court in Prague dated August 31, 2011, file number 8 To 74/2011.”
Thus indeed, he attended the trial.
De rechtbank stelt op basis van deze informatie vast dat de procedure in hoger beroep, bij
the High Court in Praguegetoetst moet worden aan artikel 12 OLW nu door deze instantie als laatste over schuld en straf is geoordeeld. Uit deze informatie volgt ook dat de opgeëiste persoon zowel op de zittingen in eerste aanleg, als in hoger beroep, aanwezig is geweest. Dit is door de opgeëiste persoon op de zitting bovendien nadrukkelijk bevestigd: hij heeft verklaard dat hij aanwezig was in eerste aanleg, in hoger beroep is gegaan en ook op de zittingen in hoger beroep aanwezig was. Hij was destijds gedetineerd in Tsjechië en werd naar de zittingen gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
poging tot moord.

5.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. [6]
Bij brief van 14 november 2025 heeft de
Director General - National Administration of Penitentiariesde volgende garantie gegeven:
"In the event that the person deprived of liberty is surrendered to the Romanian authorities at Henri Coandă Airport - Bucharest, he shall initially be held in Bucharest-Rahova Penitentiary for the purpose of carrying out the quarantine period, for a duration of 21 days, in a room that ensures a minimum space of 3 m2. (...)
Given the length of the sentence, most likely he will serve the custodial sentence initially under the closed regime. At the same time, given his domicile, it is possible, at first, for him to serve the sentence in Bacău Penitentiary. (...)
The detainee [opgeëiste persoon] shall benefit from a minimum individual space of 3 sq.m. throughout the entire period of serving the sentence, except for allocation within the open regime, during which he shall benefit from 4 sq.m., including the bed and the related furniture covering the space designated for the sanitary unit, (...)"
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [7] De rechtbank is, gelet op de op 14 november 2025 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 287 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Rădăuți Court,Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer voorzitter,
mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
6.Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
7.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.