Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2831

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
AMS 25/3235
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 Vo 883/2004Art. 3 lid 2 Vo 987/2009Art. 6 lid 1 AOWArt. 2.1.1 lid 1 WlzArt. 6a AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet verzekerd voor AOW en Wlz na verkoop dochtervennootschappen wegens ontbreken substantiële werkzaamheden

Eiser, een Nederlandse niet-ingezetene en directeur-grootaandeelhouder, voerde dat hij na de verkoop van zijn Nederlandse operationele dochtervennootschappen in juni 2016 nog werkzaamheden verrichtte die hem verzekerden voor de AOW en Wlz. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde dat hij vanaf die datum niet verzekerd was omdat hij geen substantiële werkzaamheden meer verrichtte in Nederland.

De rechtbank onderzocht of de activiteiten van eiser als werkzaamheden in de zin van artikel 11, lid 3, onder a, van Verordening 883/2004 konden worden aangemerkt. Eiser kon dit niet aannemelijk maken, omdat hij geen concrete bewijsstukken overlegd had en de genoemde activiteiten als administratie, vergaderingen en contact met derden werden gekwalificeerd als marginale vermogensbeheeractiviteiten.

Daarnaast faalden de beroepen van eiser op het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De Svb had de eerdere besluiten gebaseerd op onjuiste informatie, die pas in 2024 volledig werd. Eiser had zijn mededelingsplicht geschonden, waardoor hij niet op de eerdere besluiten mocht vertrouwen. De herziening met terugwerkende kracht was gerechtvaardigd en niet onredelijk bezwarend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat eiser vanaf 1 juni 2016 niet verzekerd is voor de AOW en Wlz. Hij kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Eiser is vanaf 1 juni 2016 niet verzekerd voor de AOW en Wlz omdat hij geen substantiële werkzaamheden in Nederland verrichtte; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3235

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] (Duitsland), eiser

(gemachtigde: mr. R.M.J. Schoonbrood),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigden: mr. M.F. Sturmans en R.W. Nicolaas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiser vanaf 1 juni 2016 verzekerd is voor de AOW [1] en de Wlz [2] . De Svb stelt zich op het standpunt dat eiser vanaf die datum niet verzekerd is en heeft de verzekerde periode herzien. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden of eiser verzekerd is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft vanaf 1 juni 2016 geen werkzaamheden in Nederland verricht, waardoor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving niet van toepassing is. De Svb heeft de verzekerde periode dan ook terecht herzien. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slaagt ook niet. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met besluiten van 15 november 2024 en 18 november 2024 heeft de Svb eiser per 1 juni 2016 niet verzekerd geacht voor respectievelijk de AOW en de Wlz (de primaire besluiten). Met het bestreden besluit van 14 april 2025 heeft de Svb de bezwaren van eiser daartegen ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn door middel van een beeldverbinding verschenen. De gemachtigden van de Svb waren op de zitting aanwezig
.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is op [geboortedag] 1962 geboren en vanaf [medio] 2006 woonachtig in Duitsland. Op verzoek van eiser heeft de Svb (onder meer) in 2019 en in 2024 onderzocht of eiser verzekerd is voor de AOW en de Wlz.
4. Eiser is vanaf 1999 directeur-grootaandeelhouder van [eiser] BV. (de BV). De BV is aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. (een assurantiekantoor) en [bedrijf 2] B.V. (een makelaarskantoor) (hierna tezamen: de dochtervennootschappen). Vanaf (in ieder geval) 2008 staat eiser op de loonlijst van de BV. Op 31 mei 2016 zijn beide dochtervennootschappen verkocht.
5. Met een brief van 26 februari 2019 heeft de Svb eiser laten weten dat hij vanaf 1 januari 2019 verzekerd is voor de Wlz. Daarnaast heeft de Svb op 26 februari 2019 een pensioenoverzicht aan eiser toegestuurd waarop staat dat eiser van 25 september 1979 tot en met 22 februari 2019, met uitzondering van de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018, verzekerd is voor de AOW.
6. Met de primaire besluiten, beide gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft de Svb vastgesteld dat eiser vanaf 1 juni 2016 niet verzekerd is voor de Wlz en de AOW, omdat hij vanaf die datum niet in Nederland werkt of woont.
Toetsingskader
7. Eiser kan alleen verzekerd zijn op grond van de AOW en de Wlz als de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Dat wordt bepaald door het recht van de Europese Unie.
8. Op grond van artikel 11, eerste lid van de Vo 883/2004 [3] zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, van dit artikel geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat, behoudens het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 16.
9. Op grond van artikel 6, eerste lid van de AOW en artikel 2.1.1, eerste lid, van de Wlz is overeenkomstig de bepalingen van de betreffende wet degene verzekerd, die:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
10. Op grond van artikel 6a, aanhef en onder a van de AOW en artikel 2.1.2, aanhef en onder a van de Wlz wordt in afwijking van bovenstaande bepalingen als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
Verzekerd voor de AOW en de Wlz?
11. De eerste vraag die de rechtbank beantwoordt, is of de Svb eiser terecht vanaf 1 juni 2016 niet verzekerd heeft geacht voor de AOW en de Wlz. In dit kader is allereerst in geschil of de activiteiten van eiser – als niet-ingezetene – vanaf 1 juni 2016 kunnen worden aangemerkt als “
werkzaamheden al dan niet in loondienst” in de zin van artikel 11, derde lid, onder a, van de Vo 883/2004. Als dat het geval is, is de Nederlandse wetgeving van toepassing; zo niet, dan geldt op grond van artikel 11, derde lid, onder e, de wetgeving van de woonstaat (hier: Duitsland).
11.1.
Eiser stelt dat hij ook na 1 juni 2016 (na de verkoop van de operationele dochtervennootschappen) als directeur-grootaandeelhouder van de BV werkzaamheden al dan niet in loondienst heeft verricht. Hij heeft in dit verband onder meer genoemd: het voeren van administratie, het houden van vergaderingen en het onderhouden van contact met derden (waaronder vrienden) en het doorverwijzen van voormalige klanten. Ook heeft eiser via zijn BV inkomsten ontvangen en winst genoten in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Onder verwijzing naar de beleidsregels van de Svb (SB1030 en SB2121) hebben deze activiteiten te gelden als arbeid in dienstbetrekking dan wel als werkzaamheden verricht als zelfstandige. Ook zou het ontvangen van vergoedingen die hem in staat stellen om in zijn levensonderhoud te voorzien voldoende zijn om van werkzaamheden te spreken, aldus eiser.
11.2.
De Svb betwist dat eiser activiteiten heeft verricht die kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden al dan niet in loondienst in de zin van artikel 11, derde lid, onder a, van de Vo 883/2004. Volgens de Svb waren de activiteiten van eiser na de verkoop van de dochtervennootschappen beperkt tot normaal vermogensbeheer. De vereiste reële en substantiële werkzaamheden zijn volgens de Svb daarom niet verricht.
11.3.
De rechtbank stelt voorop dat het begrip “
werkzaamheden al dan niet in loondienst” in de zin van artikel 11, derde lid, onder a, van de Vo 883/2004 geen zelfstandige Unierechtelijke betekenis heeft, maar wordt ingevuld aan de hand van het nationale recht. [4] Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt echter wel een ondergrens, namelijk dat de werkzaamheden, zowel verricht in loondienst als anders dan in loondienst, daadwerkelijk en substantieel moeten zijn en meer moeten omvatten dan louter marginale en bijkomstige activiteiten. [5] De beoordeling daarvan is aan de nationale rechter. [6]
11.4.
De Nederlandse wetgever is voor de invulling van het begrip “
werkzaamheden in loondienst” aangesloten bij het civielrechtelijke begrip dienstbetrekking, ook ten aanzien van de rechtsverhouding van bestuurders van rechtspersonen. Dit volgt uit de memorie van toelichting bij artikel 6 van Pro de AOW. [7] Met artikel 6a van de AOW en artikel 2.1.2 van de Wlz heeft de wetgever, blijkens de parlementaire geschiedenis, beoogd de doorwerking van het Unierecht te waarborgen. Daarbij is geen zelfstandige definitie gegeven van “
werkzaamheden anders dan in loondienst” in de zin van de Vo 883/2004. De inhoudelijke invulling van dat begrip is (daarmee) overgelaten aan de nationale rechtspraak en uitvoeringspraktijk.
11.5.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 1 juni 2016 reële en substantiële werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Eiser heeft de door hem genoemde activiteiten niet met concrete en objectieve gegevens onderbouwd, bijvoorbeeld door overlegging van urenregistraties, verslagen, opdrachten, facturen, correspondentie of andere bescheiden. Op de zitting heeft eiser ook aangegeven dergelijke bewijsstukken niet te hebben. Daardoor is niet inzichtelijk geworden of hij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht en zo ja, in welke omvang en met welke regelmaat. Om deze reden kan niet worden vastgesteld dat sprake was van werkzaamheden al dan niet in loondienst.
11.6.
Zelfs als wel zou worden aangenomen dat eiser de door hem genoemde activiteiten heeft verricht, dan kwalificeren deze naar hun aard en omvang niet als (substantiële) werkzaamheden als bedoeld in artikel 11, derde lid, onder a, van de Vo 883/2004. Het voeren van administratie, het houden van vergaderingen, het onderhouden van contact met derden (onder meer met vrienden) en het doorverwijzen van voormalige klanten betreffen activiteiten die ieder op zichzelf een zelfstandig (economisch) karakter missen. Deze activiteiten vloeien hoogstens voort uit werkzaamheden uit het verleden (voor zijn dochtervennootschappen), maar zijn in de kern niet meer dan louter marginale activiteiten, die passen binnen normaal vermogens- en concernbeheer. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat uit een telefoonnotitie van de Svb volgt dat eiser op 16 oktober 2024 heeft bevestigd dat hij ongeveer acht jaar eerder met alle activiteiten is gestopt en dat sindsdien naast vermogensbeheer geen economische activiteiten meer plaatsvinden.
11.7.
Dat eiser via de BV nog wel inkomsten ontving en loonbelasting betaalde, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om een vergoeding voor actuele werkzaamheden voor de BV. Daarnaast heeft eiser op de zitting aangegeven geen facturen (meer) te versturen. Daaruit leidt de rechtbank af dat de BV niet economisch actief is. De rechtbank begrijpt dan ook dat het alleen gaat om de uitbetaling van eerder opgebouwd vermogen en/of rendement. Deze betalingen zijn daarom niet relevant voor de beoordeling van zijn activiteiten in de zin van artikel 11, derde lid, onder a, van de Vo 883/2004.
11.8.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser vanaf 1 juni 2016 geen werkzaamheden heeft verricht in de zin van artikel 11, derde lid, onder a, van de Vo 883/2004. Dat betekent dat op grond van artikel 11, derde lid, onder e, van de Vo 883/2004 alleen de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat van de woonplaats van eiser – in dit geval Duitsland – van toepassing is. Eiser viel dus niet onder de Nederlandse wetgeving.
11.9.
Pas nadat is vastgesteld dat sprake is van reële en substantiële werkzaamheden, komt de nationale invulling van dat begrip aan de orde. Omdat eiser deze werkzaamheden niet aannemelijk heeft gemaakt, wordt – anders dan eiser voorstaat – niet toegekomen aan een nadere toetsing aan de bepalingen van de AOW en de Wlz (en bijhorende beleidsregels). Dat is ook logisch, nu zowel voor arbeid in dienstbetrekking als voor werkzaamheden als zelfstandige enige (daadwerkelijke) arbeid vereist is. Aan die voorwaarde wordt in dit geval dus niet voldaan.
11.10.
Deze beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.
Vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel
12. De tweede vraag die de rechtbank beantwoordt, is of het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en/of het evenredigheidsbeginsel slaagt.
12.1.
Eiser heeft aangevoerd dat hij het vertrouwen dat hij wel verzekerd is voor de AOW en de Wlz heeft ontleend aan twee besluiten van de Svb van 26 februari 2019. Door pas in november 2024 met terugwerkende kracht op deze eerdere besluiten terug te komen, heeft de Svb volgens eiser gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast stelt eiser dat de herziening met terugwerkende kracht onevenredig is, omdat hem daarmee de mogelijkheid is ontnomen om zijn situatie in het verleden aan te passen. Hij had alsnog (vrijwillig of verplicht) verzekerd kunnen zijn in de betreffende periode. Hierdoor wordt hij geconfronteerd met aanzienlijke financiële gevolgen. Het belang van de Svb bij correctie van de eerdere besluiten weegt volgens eiser niet op tegen deze nadelige gevolgen.
12.2.
De Svb stelt zich op het standpunt dat voor een beroep op het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel geen plaats is. Volgens de Svb zijn de besluiten van 26 februari 2019, zoals weergegeven in overweging 5, gebaseerd op onjuiste en onvolledige informatie over de werkzaamheden van eiser. De daadwerkelijke feiten en omstandigheden – waaronder de verkoop van de operationele dochtervennootschappen en de aard en omvang van de resterende werkzaamheden per 1 juni 2016 – zijn volgens de Svb pas op 30 oktober 2024 aan hem kenbaar gemaakt. Eiser heeft daarmee gehandeld in strijd met de mededelingsplicht van artikel 3, tweede lid van de Vo 987/2009. [8] Hierdoor heeft eiser zelf de onjuiste besluitvorming gecreëerd, aldus de Svb. Daarnaast heeft de Svb erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geen ruimte bestaat voor honorering van een beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur als dat zou leiden tot de vaststelling van een verzekeringsplicht in strijd met dwingend Unierecht.
12.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel volgens vaste rechtspraak is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [9] Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.
12.4.
Niet is gebleken dat de Svb aan eiser ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan waaraan hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij vanaf 1 juni 2016 verzekerd was voor de AOW en de Wlz. De besluiten van 26 februari 2019 zijn genomen op basis van de destijds bij de Svb bekende gegevens (die sinds 2006 ongewijzigd zijn gebleven) en bevatten ook geen toezegging dat de beoordeling ongewijzigd zou blijven als de feitelijke situatie anders zou blijken. Pas op 30 oktober 2024 is aan het licht gekomen dat de feitelijke situatie waarvan de Svb uitging, onjuist was. Uit de telefoonnotities van de Svb van die datum blijkt dat eiser toen pas volledige informatie heeft verschaft over de verkoop van zijn dochtervennootschappen en de beëindiging van zijn werkzaamheden in 2016. Nergens blijkt uit dat eiser de Svb (of de Duitse sociale zekerheidsinstantie) al eerder en juist hierover had geïnformeerd, zoals eiser heeft gesteld.
12.5.
Eiser wist, althans had redelijkerwijs moeten weten, dat de verzekeringsplicht volgens de AOW en de Wlz afhankelijk is van het verrichten van werkzaamheden in Nederland. Dit volgt niet alleen uit de toepasselijke regelgeving, maar ook uit de door de Svb verstrekte pensioenoverzichten en de daarbij gegeven toelichtingen en waarschuwingen. Eiser is daarin onder meer gewezen op het belang van het melden van relevante wijzigingen in zijn situatie. Door niet tijdig volledige en juiste informatie te verstrekken, heeft eiser in strijd gehandeld met de mededelingsplicht van artikel 3, tweede lid van de Vo 987/2009. Daarmee heeft hij zelf bijgedragen aan de totstandkoming van de eerdere onjuiste besluitvorming. Onder deze omstandigheden kon eiser niet zonder meer vertrouwen op de juistheid en het voortbestaan van de besluiten van de Svb uit 2019. Gelet hierop faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
12.6.
Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt. Dit rechtsbeginsel houdt in dat burgers moeten kunnen vertrouwen op consistente en voorzienbare besluitvorming en beschermt hen tegen willekeur. In dit geval heeft de Svb consistent en volgens de regels gehandeld. De Svb was namelijk bevoegd om de eerdere onjuiste besluiten te herzien nadat was gebleken dat deze op onvolledige gegevens berustten. Het feit dat dit met terugwerkende kracht is gebeurd, maakt dit niet anders, omdat eiser zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de onjuiste situatie (zie overweging 12.5).
12.7.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. Het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die rechtstreeks voortvloeit uit dwingend Unierecht. In een dergelijk geval heeft de belangenafweging in beginsel al plaatsgevonden op het niveau van die wetgeving. De rechtbank beoordeelt daarom alleen of zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen die niet door de wetgever zijn verdisconteerd en die maken dat toepassing van de regelgeving leidt tot een onevenwichtige en onredelijk bezwarende uitkomst. [10]
12.8.
Van dergelijke bijzondere, niet-verdisconteerde omstandigheden is niet gebleken. Het bestreden besluit strekt tot een juiste toepassing van het Unierecht en tot correctie van een verzekeringsvaststelling die op onvolledige gegevens was gebaseerd. Dat deze herziening voor eiser financiële gevolgen heeft, is inherent aan de wettelijke systematiek en is door de wetgever voorzien. De gevolgen zijn ook niet zo onevenwichtig of onredelijk bezwarend dat toepassing van de relevante regelgeving hier achterwege moet blijven. In dit verband speelt mee dat eiser zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de onjuiste besluitvorming door zijn mededelingsplicht niet na te komen.
12.9.
Deze beroepsgrond van eiser slaagt dus ook niet.

Conclusie en gevolgen

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 1 juni 2016 niet meer verzekerd is voor de AOW en de Wlz. De Svb heeft de verzekerde periode dan ook terecht herzien. Het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel staan hier niet aan in de weg.
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, voorzitter, en mr. A.D. Belcheva en mr. K.S. Man, leden, in aanwezigheid van mr. C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet
2.Wet langdurige zorg.
3.Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Europese Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.
4.Artikel 1, aanhef en onder a en b, Vo 833/2004. Zie ook: HvJ 30 januari 1997, ECLI:EU:C:1997:43 (
5.Vgl. HvJ 23 maart 1982, ECLI:EU:C:1982:105 (
6.HvJ 3 juni 1986, ECLI:EU:C:1986:223 (
8.Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels,
9.Vgl. CRvB 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351.
10.Vgl. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.