Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] (Duitsland), eiser
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
Samenvatting
Procesverloop
.
Beoordeling door de rechtbank
werkzaamheden al dan niet in loondienst” in de zin van artikel 11, derde lid, onder a, van de Vo 883/2004. Als dat het geval is, is de Nederlandse wetgeving van toepassing; zo niet, dan geldt op grond van artikel 11, derde lid, onder e, de wetgeving van de woonstaat (hier: Duitsland).
werkzaamheden al dan niet in loondienst” in de zin van artikel 11, derde lid, onder a, van de Vo 883/2004 geen zelfstandige Unierechtelijke betekenis heeft, maar wordt ingevuld aan de hand van het nationale recht. [4] Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt echter wel een ondergrens, namelijk dat de werkzaamheden, zowel verricht in loondienst als anders dan in loondienst, daadwerkelijk en substantieel moeten zijn en meer moeten omvatten dan louter marginale en bijkomstige activiteiten. [5] De beoordeling daarvan is aan de nationale rechter. [6]
werkzaamheden in loondienst” aangesloten bij het civielrechtelijke begrip dienstbetrekking, ook ten aanzien van de rechtsverhouding van bestuurders van rechtspersonen. Dit volgt uit de memorie van toelichting bij artikel 6 van Pro de AOW. [7] Met artikel 6a van de AOW en artikel 2.1.2 van de Wlz heeft de wetgever, blijkens de parlementaire geschiedenis, beoogd de doorwerking van het Unierecht te waarborgen. Daarbij is geen zelfstandige definitie gegeven van “
werkzaamheden anders dan in loondienst” in de zin van de Vo 883/2004. De inhoudelijke invulling van dat begrip is (daarmee) overgelaten aan de nationale rechtspraak en uitvoeringspraktijk.