ECLI:NL:RBAMS:2026:2838

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
13-350950-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 1 Wet op de identificatieplichtArt. 2 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon die een resterende gevangenisstraf van ruim één jaar moet ondergaan. De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat de feiten waarop het EAB is gebaseerd, ook onder Nederlands recht strafbaar zijn. Hoewel er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, heeft de opgeëiste persoon geen concrete aanwijzingen gegeven dat deze gebreken zijn zaak individueel hebben beïnvloed.

De raadsman voerde aan dat de behandeling van het EAB moest worden aangehouden vanwege mogelijke onmenselijke detentieomstandigheden in Polen, met name het risico op plaatsing in een streng regime in de eerste dagen na overlevering. De rechtbank oordeelde echter dat hiervoor geen concrete aanwijzingen zijn en dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat voor onmenselijke behandeling bij de uitvoering van de straf in Polen.

Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan de voorwaarden van de Overleveringswet, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks zorgen over detentieomstandigheden en het recht op een eerlijk proces.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-350950-25
Datum uitspraak: 11 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 maart 2025 door
the District Court of Lublin,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Lublin-Zachód Provincial Court of Lublinvan 7 oktober 2024 met kenmerk III K 915/24.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en 22 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1.
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
5.2
Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om bij de Poolse autoriteiten de garantie op te vragen dat de opgeëiste persoon tijdens zijn eerste dagen na overlevering niet in een
remand regimegeplaatst zal worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak omdat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in een
remand regimeterecht zal komen. Dit is ook niet onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met het ondergaan van een gevangenisstraf. Op dit moment is er voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vastgesteld. Dit ligt anders met betrekking tot de detentie in Polen in het
remand regime. De raadsman heeft weliswaar de mogelijkheid genoemd dat de opgeëiste persoon de eerste dagen in zo’n regime geplaatst zou worden, maar niet onderbouwd dat en waarom de opgeëiste persoon in de eerste dagen na overlevering in een
remand regimeterecht zal komen. De rechtbank ziet hiervoor ook geen aanwijzingen. Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen en het verweer wordt verworpen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 231 Wetboek van Strafrecht, 2 en 3 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court of Lublinvoor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. C. Klomp en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (