ECLI:NL:RBAMS:2026:2925

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
13-125421-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 6a OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 10 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering Europees aanhoudingsbevel wegens duurzaam verblijfsrecht in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 februari 2026 het verzoek tot overlevering van een Poolse veroordeelde op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Poznań. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaar en negen maanden, waarvan nog ruim twee jaar resteren. De straf betreft illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit onder de Overleveringswet (OLW).

De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij niet zijn verblijfsrecht verliest door de straf. Hierdoor is hij gelijkgesteld aan een Nederlander, waardoor overlevering op grond van artikel 6a OLW kan worden geweigerd indien de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan plaatsvinden.

De rechtbank concludeerde dat de straf naar Nederlands recht strafbaar is en dat de opgelegde straf niet onverenigbaar is met de Nederlandse wetgeving. De tenuitvoerlegging van de straf kan daarom worden overgenomen. Gezien de sociale en familiale banden met Nederland en het belang van maatschappelijke re-integratie, werd de overlevering geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen.

Een verzoek tot schorsing van het bevel tot gevangenhouding werd afgewezen omdat geen bijzondere omstandigheden waren die schorsing rechtvaardigen. De opgeëiste persoon wordt derhalve in Nederland vastgehouden tot aan de uitvoering van de straf.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-125421-25
Datum uitspraak: 3 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 31 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 april 2025 door
the Regional Court in Poznańin Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
judgment of the District Court in Piłavan 28 maart 2024 met zaaknummer II K 718/23.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, drie maanden en dertien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Zo blijkt uit de uitspraak die ten aanzien van de opgeëiste persoon is gedaan ten behoeve van de overlevering voor vervolging aan Polen van 27 september 2023 (voor dezelfde feiten waarvoor hij nu veroordeeld is) dat hij op 12 november 2021 reeds duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft verkregen. Ook sedertdien heeft hij onafgebroken in Nederland ingeschreven gestaan op een woonadres zodat er van uit gegaan kan worden dat hij dit verblijfsrecht niet verloren heeft.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 14 januari 2026 volgt dat verblijfbeëindiging niet aan de orde is.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder b, van de Opiumwet gegeven
verbod
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder b, van de Opiumwet gegeven
verbod.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
Bij brief van 20 januari 2026 heeft de beslissingsstaat toestemming gegeven voor strafovername. Bij deze brief zijn immers het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van dezelfde datum en een kopie van een vertaling van het vonnis toegezonden.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke
re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen.
Bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW
Door de raadsman is verzocht om het bevel gevangenhouding ex artikel 27, vierde lid, OLW meteen te schorsen en de opgeëiste persoon de gelegenheid te bieden om zich zelf te melden voor het uitzitten van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De reden hiervoor is dat de opgeëiste persoon eerder is overgeleverd ten behoeve van de vervolging voor de feiten waarvoor thans de executie-overlevering wordt verzocht. Zijn overlevering aan Polen vond plaats, terwijl er een terugkeergarantie was verstrekt. Toen hij in Polen werd vrijgelaten is hij zelf terug naar Nederland gegaan, met de bedoeling om hier zijn straf uit te zitten. Hij is alleen nimmer opgeroepen om zijn straf te ondergaan. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon niet van plan is om zijn straf te ontlopen, zodat de opgeëiste persoon de kans zou moeten krijgen om zichzelf te kunnen melden.
De officier van justitie heeft zich gemotiveerd verzet tegen schorsing van het bevel gevangenhouding.
De rechtbank zal op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van zijn vrijheidsstraf bevelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bevel te schorsen.
Reden voor het schorsingsverzoek is, naar de rechtbank begrijpt, dat er eerder een terugkeergarantie is verstrekt en de opgeëiste persoon zelf naar Nederland is teruggereisd, waaruit volgt dat hij geenszins van plan is zijn straf te ontlopen. Hij zou daarom in de gelegenheid moeten worden gesteld om zich zelf te melden op een passend tijdstip. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter geen zeer bijzondere omstandigheid die schorsing van het bevel rechtvaardigt. Als de opgeëiste persoon op basis van de terugkeergarantie terug naar Nederland was gebracht, zou hij immers ook meteen zijn straf hebben moeten uitzitten. Daarnaast is in het EAB onder rubriek F. opgenomen dat “
[de opgeëiste persoon] is hiding from the law. Searches carried out in Poland have failed. The District Court in Pila, by its decision of 12 July 2024 in case II Ko 1868/24 suspended enforcement proceedings and ordered a search for the requested person by means of a search warrant.”. Gelet op deze informatie hebben de Poolse justitiële autoriteiten de terugkeergarantie niet kúnnen effectueren.
Het schorsingsverzoek wordt daarom afgewezen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznańin Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde geschorste overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon].
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
WIJST AFhet verzoek tot schorsing van de gevangenhouding vanaf de dag van de uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (