ECLI:NL:RBAMS:2026:3053

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24/7684
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 Bijlage II BorArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen tijdelijke omgevingsvergunning voor loopbrug en fietsenstalling

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke loopbrug en het plaatsen van een tijdelijke fietsenstalling voor vijf jaar op het [locatie 2]-terrein. De vergunning is verleend ondanks strijd met het bestemmingsplan, waarbij het college gebruikmaakte van de kruimelgevallenregeling.

Eisers stelden dat de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden, dat sprake was van een stedelijk ontwikkelproject waarvoor een milieueffectrapportage vereist is, en dat het college een onjuiste belangenafweging had gemaakt waarbij hun belangen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelt dat het college de juiste procedure heeft toegepast, dat het project niet kwalificeert als stedelijk ontwikkelproject, en dat het college de belangen van eisers voldoende heeft meegewogen.

De rechtbank benadrukt dat het college beleidsruimte heeft bij het afwijken van het bestemmingsplan en dat de toetsing terughoudend is. Het college heeft maatregelen getroffen om overlast te beperken, zoals het vrijhouden van looppaden, het plaatsen van een haag, en het opstellen van mobiliteitsplannen bij evenementen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de tijdelijke omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7684

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , allen uit [plaats 1] , eisers

(gemachtigde: mr. G.I. Beij),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. S.J. van der Wel).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] te [plaats 2] , vergunninghouder.

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] )

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke loopbrug naar de [locatie 1] op het [locatie 2] [1] -terrein en het plaatsen van een tijdelijke fietsenstalling op de locatie [adres] voor een termijn van vijf jaar. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Procesverloop

2. Op 26 mei 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een tijdelijke loopbrug naar de [locatie 1] op het [locatie 2] -terrein en het plaatsen van een tijdelijke fietsenstalling op de locatie [adres] voor een termijn van vijf jaar.
2.1.
Met een besluit van 17 april 2024 heeft het college aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ [2] en ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling’ [3] . Het college heeft het bouwplan onder meer getoetst aan de bestemmingsplannen ‘ [plan 1] ’ en ‘ [plan 2] ’. Het bouwplan is in strijd met artikel 11.3.5, onder a, van het bestemmingsplan ‘ [plan 1] ’, omdat de maximale toegestane bouwhoogte van drie meter voor overige bouwwerken wordt overschreden. De bouwhoogte van de loopbrug is 6,75 meter. Verder is het bouwplan in strijd met artikel 11.1 van het bestemmingsplan ‘ [plan 2] ’, omdat fietsparkeren niet is toegestaan op de bestemming ‘Groen’. Het college heeft ervoor gekozen om met toepassing van de zogenoemde kruimelgevallenregeling buitenplans af te wijken. Artikel 4, elfde lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt dat een kruimelafwijking kan worden vergund voor gebruik van gronden of bouwwerken, anders dan beschreven in de andere leden van dit artikel, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
2.2.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college, met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overgangsrecht

3. Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft het college de juiste voorbereidingsprocedure toegepast?
5. Eisers voeren aan dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden. Volgens eisers is redelijkerwijs te verwachten dat de loopbrug en fietsenstalling voor langer dan vijf en zelfs langer dan tien jaar aanwezig zullen zijn, zodat een tijdelijke omgevingsvergunning niet – en in ieder geval niet met toepassing van de reguliere procedure – verleend had mogen worden.
5.1.
De rechtbank volgt eisers hierin niet. Volgens vaste rechtspraak is het bij de beoordeling van de vraag of het college op grond van artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II van het Bor met een omgevingsvergunning kan afwijken van het bestemmingsplan niet van belang of het aannemelijk is dat de vergunde activiteit ook daadwerkelijk na (maximaal) tien jaar zal worden beëindigd. [4] Het hoeft slechts feitelijk mogelijk en aannemelijk te zijn dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. [5] Zoals ook volgt uit de ruimtelijke onderbouwing van 16 april 2024 zal de loopbrug worden verwijderd zodra deze niet meer nodig is. Dat zal zijn zodra het zuidelijk deel van het [locatie 2] -terrein is herontwikkeld tot woongebied, in ieder geval zodanig dat de [locatie 1] bereikbaar is vanaf de [adres] . Hetzelfde geldt voor het fietsparkeren. De gehele duur van de vergunning zal het zogenaamde ‘oranje vlak’ op de tekening dat op de verkeersbestemming staat beschikbaar zijn voor fietsparkeren. Voor het zogenaamde ‘groene vlak’ op de groenbestemming geldt dat dit deel alleen gebruikt wordt wanneer er (grote) evenementen zijn op het [locatie 2] -terrein. Voor beide fietsparkeermogelijkheden geldt dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eisers voeren verder aan dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat geen sprake is van een activiteit als bedoeld onder C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer). Artikel 5, onder 6, van bijlage II van het Bor bepaalt dat artikel 4, onderdeel 11, niet van toepassing is op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit mer.
6.1.
Op de zitting hebben eisers verduidelijkt dat volgens hen sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelproject’ als bedoelt onder D11.2 van de bijlage bij het Besluit mer. De rechtbank volgt eisers ook hierin niet. Het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelproject in de zin van het Besluit mer, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. [6] Gelet op de aard en omvang van het project is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een stedelijk ontwikkelproject. Daarbij is van belang dat – zoals het college terecht heeft gesteld – het in dit geval gaat om de aanleg van een tijdelijke loopbrug en tijdelijk fietsparkeren op een groenbestemming. Het gaat om een op zichzelf staand project dat uitsluitend bedoeld is om de bereikbaarheid van de [locatie 1] te verbeteren. Het gaat hier niet om het gehele stedelijk ontwikkelingsproject in het [locatie 3] . De onderhavige omgevingsvergunning leidt bovendien niet tot andere activiteiten, aangezien zowel het [locatie 2] -terrein als de activiteiten in de [locatie 1] al mogelijk zijn gemaakt in het bestemmingsplan. De loopbrug en het fietsparkeren zijn slechts faciliterend van aard en hebben geen publiek aantrekkende functie. De beroepsgrond slaagt niet.
6.2.
Gelet op het voorgaande heeft het college terecht de reguliere voorbereidingsprocedure toegepast.
Mocht het college de omgevingsvergunning verlenen?
7. Eisers voeren aan dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Nergens blijkt uit dat de belangen van eisers zijn meegewogen. De belangen van eisers zien op een aanzienlijke verslechtering van de leefomgeving, door onder meer voortdurende geluidsoverlast en andere vormen van hinder vanwege de loopbrug en de fietsenstalling, de vele mensen die dit aantrekt en de gebrekkige handhaving. Verder wordt de bereikbaarheid verslechterd door het opofferen van parkeerplaatsen ten behoeve van de fietsenstalling en de loopbrug. Eisers voeren verder aan dat niet of nauwelijks is meegewogen dat er ook alternatieven zijn. Tot slot voeren eisers aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de commerciële belangen van vergunninghouder prevaleren boven de belangen van eisers.
7.1.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ geweigerd indien deze in strijd is met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan of redelijke eisen van welstand. In deze zaak is niet in geschil dat géén sprake is van strijd met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening of redelijke eisen van welstand. Ook is niet in geschil dat wél sprake is van strijd met het bestemmingsplan.
7.2.
Het tweede lid van artikel 2.10 van de Wabo bepaalt dat bij strijd met het bestemmingsplan de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘gebruik in strijd met het bestemmingsplan’, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college de omgevingsvergunning verlenen voor de activiteit ‘gebruik in strijd met het bestemmingsplan’ indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
7.3.
De rechtbank stelt voorop dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet daarbij de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [7]
7.4.
De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Anders dan eisers stellen, heeft het college de belangen van eisers daarin voldoende meegewogen. Zo heeft het college met betrekking tot het fietsparkeren gesprekken gevoerd met eisers over hun zorgen. Naar aanleiding hiervan is het plan aangepast en zijn extra voorschriften opgelegd. In de vergunning is vastgelegd dat de vergunninghouder verantwoordelijk is voor het fietsparkeren op de locatie en dat het looppad en de bereikbaarheid van de woonboot van [eiser 1] altijd vrij moeten blijven. Indien het pad wordt geblokkeerd, kan handhavend worden opgetreden. Verder is er een haag geplaatst tussen de fietsparkeerplekken en de woonboten om overlast voor de woonboten te voorkomen. Daarnaast zullen op evenementdagen fietscoaches aanwezig zijn om het fietsparkeren in goede banen te leiden. In de vergunning is vastgelegd dat bij grote evenementen, waarbij meer dan 400 fietsen worden verwacht, de organisator een mobiliteitsplan moet opstellen. Voor wat betreft de loopbrug is in de ruimtelijke onderbouwing meegewogen dat het gebruik van de loopbrug overlast zou kunnen veroorzaken bij omwonenden. De woonboten liggen op een afstand tussen de 22 tot 45 meter, maar worden van de loopbrug afgeschermd door een kantoorpand. Geluidsoverlast van de loopbrug is daarom niet aannemelijk. Ook het verlies aan parkeerplekken is bij de belangenafweging betrokken, maar er blijven volgens het college aan de overzijde van de straat voldoende parkeerplekken over. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ook toereikend gemotiveerd dat het alternatieve locaties voldoende heeft meegewogen. Het college en vergunninghouder hebben uitgebreid toegelicht waarom andere locaties niet geschikt zijn. Zo is de locatie voor het fietsparkeren gekozen vanwege de nabijheid van de hoofdingang en de tijdelijke loopbrug. Verder vielen andere locaties af, omdat het afgesloten bedrijventerrein niet beschikbaar is vanwege de herontwikkeling en de voedselveiligheid. Bij gebruik van het bedrijventerrein zou daarom continu een begeleider aanwezig moeten zijn, wat in de praktijk ondoenlijk is. Het is onder die omstandigheden aan eisers om te onderbouwen dat op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van een alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren voor alle betrokkenen. Dat hebben eisers niet gedaan. Gelet op het voorgaande heeft het college de belangen van eisers voldoende meegewogen en heeft hij de belangen bij verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning zwaarder kunnen laten wegen.
7.5.
Eisers hebben ter zitting nog aangevoerd dat het een keuze is van het college en vergunninghouder om de [locatie 1] en het [locatie 2] -terrein te exploiteren zoals nu wordt gedaan en dat de consequenties daarvan niet ten laste van de omgeving mogen worden gebracht. De rechtbank overweegt dat de exploitatievergunning of eventuele andere vergunningen hier niet voor liggen, zodat de rechtbank hier ook geen oordeel over kan geven. Er is bovendien geen regel waaruit volgt dat de keuze voor een bepaalde manier van exploitatie in het geheel geen nadelige gevolgen voor de omgeving mag hebben. Verder merkt de rechtbank nog op dat tijdens de zitting is gebleken dat de 150 fietsen die geparkeerd kunnen worden in het zogenaamde ‘oranje vlak’ voor [eiser 1] niet het probleem zijn. Het is de extra fietsenstalling op het ‘groene vlak’ tijdens evenementen die volgens hem voor overlast zorgt. Het college en vergunninghouder hebben toegelicht dat van deze fietsenstalling inmiddels minder gebruik wordt gemaakt, omdat een deel van het bouwterrein ondertussen beschikbaar is gekomen voor fietsparkeren bij grote evenementen. Dit terrein biedt ruimte aan 1.000 fietsen, zodat slechts in uitzonderlijke gevallen een beroep zal worden gedaan op de fietsparkeerplekken in het ‘groene vlak’ op de groenbestemming.

Conclusie en gevolgen

8. Het college heeft de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen.
8.1.
Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.[plan 1] .
2.Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 2.10 van de Wabo.
3.Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1112.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3276.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2028, ECLI:NL:RVS:2018:2414.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.