Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3219

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13/315074-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van vervolging wegens onvermogen verdachte tot effectieve procesdeelname door PTSS en depressie

Verdachte wordt beschuldigd van invoer van cocaïne en witwassen in 2020-2021. Tijdens de procedure is vastgesteld dat verdachte lijdt aan complexe PTSS en ernstige depressieve klachten, met suïcidepogingen tijdens het proces.

De verdediging verzocht schorsing van de vervolging op grond van artikel 16 Sv Pro, stellende dat verdachte niet effectief kan deelnemen aan het proces. De officier van justitie betwistte dit, stellende dat verdachte de vervolging wel begrijpt en de zaak inhoudelijk behandeld moet worden.

De rechtbank oordeelt dat artikel 16 Sv Pro niet alleen ziet op begrip van de vervolging, maar ook op effectieve deelname aan het proces. Gezien de medische rapporten en suïcidepogingen acht de rechtbank verdachte momenteel niet in staat tot effectieve deelname. Daarom wordt de vervolging geschorst totdat behandeling de klachten onder controle brengt.

Uitkomst: De vervolging van verdachte wordt geschorst wegens onvermogen tot effectieve deelname aan het strafproces door ernstige psychische stoornissen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/315074-22
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende op het adres [woonadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 december 2023, 8 maart 2024, 18 februari 2026 en 4 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.Y. de Boer, en van wat de raadslieden van verdachte, mr. M.L. van Gessel en mr. C.F. Korvinus, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in 2020 en 2021 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van grote hoeveelheden cocaïne en het witwassen van aanzienlijke geldbedragen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. De vraag in deze strafzaak is of er redenen zijn tot schorsing van de vervolging.

4.Inleiding

De rechtbank heeft de zaak op de terechtzitting van 8 maart 2024 verwezen naar de rechter-commissaris om een of meer deskundigen te laten rapporteren over (onder andere) de zittingsgeschiktheid van verdachte. De rechter-commissaris heeft vervolgens GZ-psycholoog C. Classens benoemd. In haar Pro Justitia rapport van 2 augustus 2024 concludeert de psycholoog dat sprake is van PTSS of complexe PTSS in combinatie met ernstige depressieve klachten. Op de vraag of verdachte nu of in de nabije toekomst, desnoods onder bepaalde voorwaarden, een zitting kan bijwonen zonder dat zijn gezondheid en/of welzijn daardoor in gevaar wordt gebracht, heeft de deskundige geantwoord dat het denkbaar is en valt te verwachten dat iedere concrete stap of actie richting vervolging leidt tot een (ernstige) toename van de klachten, met misschien wel een suïcide of een poging daartoe.
4.1
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben verzocht om schorsing van de vervolging op grond van artikel 16 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Zij voeren aan dat verdachte aan een zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet ‘
fit to stand trial’ is. Verdachte is ernstig depressief en lijdt aan complexe PTSS. Verdachte is bovendien suïcidaal en heeft tijdens het strafproces al twee suïcidepogingen gedaan. De raadslieden verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar de opgestelde rapportages en informatie van de bij verdachte betrokken psychiater en andere medisch hulpverleners.
Aangezien verdachte dermate labiel is en zijn suïcidepogingen steeds samenhangen met het strafproces, durven de raadslieden verdachte nauwelijks informatie te geven over het verloop van het strafproces. De raadslieden kunnen op deze wijze geen effectieve verdediging voeren, omdat zij het dossier en de verdenkingen niet (effectief) met hem kunnen bespreken. Verdachte is zelf ook niet in staat om naar voren te brengen wat hij van belang acht voor zijn verdediging en is evenmin in staat om op zitting een verklaring af te leggen.
De raadslieden stellen zich op het standpunt dat verdachte op dit moment niet effectief kan deelnemen aan het strafproces, zodat schorsing van de vervolging op zijn plaats is.
De raadslieden hebben ter onderbouwing van hun standpunt verwezen naar uitspraken waarin de vervolging is geschorst in verband met ernstige psychotische stoornissen en depressie (ECLI:NL:RBAMS:2023:4950, ECLI:NL:RBROT:2023:2215, ECLI:NL:RBGEL:2022:3397) en naar een arrest van de Hoge Raad waarin het cassatieberoep tegen een schorsing van de vervolging werd verworpen (de rechtbank begrijpt: ECLI:NL:HR:2024:378).
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen het verzoek de vervolging op grond van artikel 16 Sv Pro te schorsen. Hij voert daartoe aan dat het criterium voor de toepassing van dit artikel is dat verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Daar is in dit geval geen aanwijzing voor. In het Pro Justitia rapport van 2 augustus 2024 heeft de deskundige zelfs expliciet aangegeven dat zij geen verband ziet tussen de aanwezige traumagerelateerde klachten en het vermogen van verdachte om te begrijpen wat de strekking is van de tegen hem ingestelde vervolging. De raadslieden hebben onvoldoende onderbouwd dat verdachte ‘
not fit to stand trial’ zou zijn. De officier van justitie stelt dat de zaak moet worden gepland op een zitting voor een inhoudelijke behandeling.
4.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Artikel 16, eerste lid, Sv bepaalt dat indien de verdachte aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, de rechter de vervolging schorst, in welke stand zij zich ook bevindt. Uit de formulering van artikel 16, eerste lid, Sv volgt dat de rechter verplicht is bij constatering van de genoemde omstandigheden tot schorsing van de vervolging over te gaan.
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, gaat het naar het oordeel van de rechtbank bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, Sv niet alleen om de vraag of verdachte de tegen hem ingestelde vervolging begrijpt, maar ook of verdachte effectief kan deelnemen aan het strafproces.
De rechtbank verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:378), waarin de Hoge raad heeft overwogen dat uit artikel 6 EVRM Pro het recht kan worden ontleend om effectief te kunnen deelnemen aan een strafprocedure. Uit dit recht vloeit voort dat de strafprocedure niet kan worden voortgezet als de verdachte vanwege (bijvoorbeeld) een psychogeriatrische aandoening niet in staat is tot effectieve deelname aan die procedure.
De rechtbank heeft ter beoordeling van de vraag of verdachte in staat is effectief deel te nemen aan deze strafprocedure, acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 8 september 2023 en 23 februari 2024, het Pro Justitia rapport van 2 augustus 2024 van de deskundige, stukken van psychiater / psychoanalyticus dr. H. de Jong van 25 februari 2025 en 30 maart 2025, de correspondentiestukken in het dossier, de stukken van GGZ InGeest van 24 september 2025 en 1 december 2025 en van de huisarts van 31 december 2025 en hetgeen de raadslieden naar voren hebben gebracht.
Uit bovengenoemde stukken volgt dat verdachte lijdt aan complexe PTSS in combinatie met ernstige depressieve klachten. Verdachte heeft op 8 maart 2024 en op 22 mei 2025 suïcidepogingen gedaan. De deskundige concludeert dat het denkbaar is en valt te verwachten dat iedere concrete stap of actie richting vervolging leidt tot een (ernstige) toename van de klachten, met misschien wel een suïcide of een poging daartoe. De deskundige acht het raadzaam om niet te sturen op de rechtsgang en deze pas te hervatten wanneer de aan traumagerelateerde klachten door adequate en gepaste behandeling onder controle zijn gebracht. Hoewel de deskundige haar onderzoek met beperkingen heeft moeten verrichten, heeft zij inzichtelijk gemaakt hoe zij tot haar conclusie is gekomen.
Uit de recente stukken van GGZ InGeest en van de huisarts volgt dat de ernstige depressieve klachten en PTSS nog steeds aanwezig zijn. Vanwege deze klachten is het voor de reclassering, de deskundige en de raadslieden niet mogelijk om met verdachte in gesprek te gaan over de zaak.
Op grond van de deskundigenrapportage en de overige stukken stelt de rechtbank vast dat verdachte op dit moment vanwege de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet in staat is om effectief te kunnen deelnemen aan het strafproces. Verdachte is immers als gevolg van zijn stoornis onvoldoende in staat de zaak met zijn raadslieden te bespreken, de verdedigingsstrategie (mede) te bepalen of de inhoud van de processtukken te bespreken. Ook kan hij op de zitting geen verklaring afleggen of anderszins naar voren brengen wat hij van belang acht voor zijn verdediging. De rechtbank stelt voorts vast dat de belemmeringen van verdachte om effectief aan de strafprocedure deel te nemen op dit moment onvoldoende kunnen worden gecompenseerd door de bijstand van zijn advocaten.
Uit het Pro Justitia rapport van de deskundige komt naar voren dat het voorstelbaar is dat de gezondheid en het welzijn van verdachte minder in gevaar worden gebracht, indien verdachte adequate en passende (intensieve) trauma-behandeling krijgt voor zijn (complexe) PTSS en de (hieruit voortvloeiende) depressieve klachten. Uit de stukken van GGZ Ingeest van 1 december 2025 volgt dat verdachte in zorg komt bij InGeest en op de wachtlijst zal komen voor zowel traumabehandeling als CGT depressie. Op dit moment kan verdachte door zijn ziekelijke stoornis evenwel nog niet effectief deelnemen aan het strafproces.
Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de vervolging van verdachte schorsen.

5.Beslissing

De rechtbank:
- schorst de vervolging van verdachte [de verdachte] .
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.
[…]