Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3293

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
81-234988-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 182 lid 6 SvArt. 153 lid 2 SvArt. 149a lid 1 SvArt. 149a lid 2 SvArt. 149a lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op bezwaar tegen afwijzing verzoeken tot onderzoekshandelingen in strafzaak CITES-administratie

De rechtbank Amsterdam heeft op 3 maart 2026 uitspraak gedaan over het bezwaar van de verdachte tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van diverse verzoeken tot onderzoekshandelingen in een strafzaak. De zaak betreft onder meer het bezit van beschermde diersoorten zonder juiste administratie, het valselijk opmaken van een CITES-administratie en witwassen van geld.

De verdediging verzocht onder meer om het horen van meerdere getuigen die inzicht zouden kunnen geven in de rechtmatigheid van het onderzoek en de herkomst van de dieren, alsmede om het toevoegen van ongelakte versies van zwartgelakte documenten in het dossier. De rechter-commissaris wees deze verzoeken grotendeels af, met uitzondering van enkele getuigen die mogelijk relevant zijn voor de beantwoording van vragen over de administratie.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen het verzoek tot het horen van drie getuigen die de rechtmatigheid van het onderzoek zouden moeten toetsen ongegrond is, omdat deze getuigen geen belastende verklaringen hebben afgelegd en het verzoek onvoldoende gemotiveerd was. Het bezwaar tegen het verzoek tot het horen van getuigen die de verdachte bijstonden bij het opstellen van de administratie werd gegrond verklaard, en de rechter-commissaris werd opgedragen deze getuigen te horen.

Het bezwaar tegen het verzoek tot het toevoegen van ongelakte documenten werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit niet de juiste procedure is. Het overige bezwaar werd ongegrond verklaard. De beslissing bevat uitgebreide motiveringen over de relevantie van de getuigen en de toepasselijkheid van wettelijke bepalingen omtrent processtukken en onderzoekshandelingen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het bezwaar toe voor het horen van enkele getuigen over de administratie en verklaart de rest van het bezwaar ongegrond of niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 81-234988-23
raadkamernummer : 25-029465
datum : 3 maart 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadslieden mr. A.E. van der Wal en mr. N. Faber, [adres 1] ,
hierna te noemen: de verdachte.

1.Feiten en procesgang

De verdachte wordt er blijkens de concepttenlastelegging kort gezegd van beschuldigd dat hij
1. in de periode van 5 oktober 2023 tot en met 14 oktober 2023, al dan niet opzettelijk, 14 Naultinus gemmeus (juwelengekko’s) en 15 of 21 Bradypodion damaranum en 8 Ouroborus cataphractus en 5 of 7 Calumma globifer, althans dieren van de soorten, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening (Verordening (EG) 338/97), onder zich heeft gehad;
2. en 3. in strijd met de waarheid in zijn Cites-administratie inzake de Naultinus gemmeus van 2017 heeft vermeld dat twee juwelengekko’s (Naultinus gemmeus) verkregen waren van ‘ [persoon] ’, terwijl deze dieren van [getuige 1] verkregen waren, althans dat hij de werkelijke herkomst van de juwelengekko’s onjuist heeft weergegeven en van het valse geschrift gebruikgemaakt heeft;
4. zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen 33.195 euro.
De verdediging heeft bij brief van 25 juli 2025 de rechter-commissaris verzocht een aantal onderzoekshandelingen te verrichten, te weten (voor zover nog relevant):
  • het toevoegen van alle documenten in het dossier [naam dossier] die zwartgelakt zijn de originele, schone en daarmee leesbare versies in het dossier te (doen) voegen;
  • het horen als getuige van:
[getuige 2] ;
[getuige 3] ;
[getuige 4] ;
[getuige 1] ;
(…)
[getuige 5] ;
[getuige 6] ;
(…);
[getuige 7] ;
[getuige 8] ;
[getuige 9] ;
[getuige 10] ;
[getuige 11] ;
[getuige 12] ;
[getuige 13] ;
[getuige 14] ;
[getuige 15] .
De officier van justitie heeft per brief van 22 augustus 2025 gereageerd op de onderzoekswensen.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 5 november het verzoek integraal afgewezen.
Het bezwaarschrift is op 18 november 2025 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 13 januari 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 17 februari 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde raadslieden van de verdachte mr. A.E. van der Wal en mr. N. Faber, en de officier van justitie mr. J.S. de Weijer op zitting gehoord. De verdachte is, hoewel daartoe goed opgeroepen, met voorafgaand medeweten van de raadslieden niet in raadkamer verschenen.

2.Beslissing van de rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 5 november 2025 het verzoek van de verdediging afgewezen omdat naar zijn oordeel de uitkomsten van de gewenste onderzoekshandelingen redelijkerwijs niet van belang kunnen zijn voor enige in de zaak te nemen beslissing. De rechter-commissaris heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd.
Het verzoek om verstrekking van ongelakte processtukken
In het dossier zijn e-mailwisselingen opgenomen tussen verschillende personen die bij binnen- en buitenlandse controlediensten werken. In die e-mails zijn namen, mailadressen en telefoonnummers van adressanten zwartgelakt. De verdediging verzoekt leesbare, ongelakte versies van deze documenten aan het dossier toe te voegen. De verdediging stelt dat zij moet kunnen nagaan van welke instanties bepaalde informatie afkomstig is en welke NVWA-inspecteurs en andere opsporingsambtenaren betrokken zijn. Eveneens moet volgens de verdediging inzichtelijk zijn aan welke personen en instanties door deze functionarissen informatie wordt gevraagd en tussen welke partijen informatie wordt uitgewisseld. Het Openbaar Ministerie heeft toegelicht dat de gegevens van personen die verder niet bij het onderzoek betrokken zijn, met het oog op hun privacy, zijn weggelakt. De namen van de personen die wel bij het onderzoek betrokken zijn, komen terug op andere plaatsen in het dossier. De rechter-commissaris volgt het standpunt van de officier van justitie. Uit de ondertekening van hun processen-verbaal – overeenkomstig het bepaalde in artikel 153, tweede lid Sv – blijkt voldoende duidelijk welke opsporingsambtenaren bij het strafrechtelijke onderzoek betrokken zijn. Dit hoeft dus niet uit de adresseringen van in het dossier opgenomen e-mails te worden afgeleid. Er bestaat geen algemene regel dat de namen van alle in het dossier voorkomende personen aan de verdediging kenbaar moeten worden gemaakt. De verdediging dient dus toe te lichten welk belang zij erbij heeft kennis te nemen van de weggelakte namen. De e-mails zijn inhoudelijk leesbaar en alleen namen, e-mailadressen en telefoonnummers zijn weggelakt. Er is dus geen beletsel voor de verdediging om te motiveren ten aanzien van welke concrete e-mail(s) de verdediging er belang bij zou hebben om kennis te nemen van de weggelakte namen, e-mailadressen en/of telefoonnummers en met welke reden. Dat heeft de verdediging niet gedaan. De algemene stellingen over wat de verdediging zegt te moeten kunnen nagaan en wat inzichtelijk zou moeten zijn acht de rechter-commissaris onvoldoende.
Het verzoek tot het horen van getuigen

1. [getuige 2]

is oud-medewerker van de [bedrijf] in Nieuw-Zeeland. De verdediging wil hem als getuige horen om inzichtelijk te krijgen hoe het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte is aangevangen, hoe de verdenking jegens de verdachte is ontstaan en dit aan de strafvorderlijke waarborgen te kunnen toetsen. Kort weergegeven stelt de verdediging dat een e-mail van deze getuige mede de aanleiding was voor het stafrechtelijke onderzoek tegen de verdachte. De verdediging wil hem onder meer vragen hoe hij aan de in die e-mail genoemde informatie is gekomen en waarom hij deze informatie naar de NVWA heeft gestuurd. Volgens de verdediging is dit een Keskin -getuige. Deze getuige kan niet verklaren hoe het onderzoek naar de verdenkingen die zijn verwoord in de concepttenlastelegging is aangevangen en hoe deze verdenkingen zijn ontstaan. In proces-verbaal AMB-0003 is een uitgebreide chronologische beschrijving opgenomen van omstandigheden die volgens de verbalisant aantonen dat een strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk is. In het proces-verbaal wordt uitgelegd dat een e-mail van [getuige 2] kennelijk heeft gediend als tactische startinformatie die aanleiding was om in oktober 2017 een toezichtscontrole bij de verdachte uit te voeren. In proces-verbaal AMB-0002 is het ontstaan van (een deel van) de strafrechtelijke verdenkingen die zijn opgenomen in de concepttenlastelegging beschreven. In dat proces-verbaal is beschreven welke rol de controle in 2017 daarin heeft gespeeld, te weten dat de verdachte bij die controle zijn CITES-administratie heeft getoond. Terugkijkend is vervolgens geconstateerd dat bij twee gekko’s destijds een andere herkomst stond genoteerd dan bij een latere controle in 2021. Die constatering heeft geleid tot de verdenking van de feiten 2 en 3 op de concepttenlastelegging en het verdere onderzoek. De rechter-commissaris constateert dat de e-mail van [getuige 2] in 2017 niet de aanleiding is geweest voor het strafrechtelijke onderzoek. Ook maken de door deze getuige verrichte handelingen geen deel uit van het onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie uitgevoerde strafrechtelijke onderzoek. Het horen van [getuige 2] over de door de verdediging aangegeven onderwerpen kan dus niet van belang zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het onderzoek. Ook is dit, anders dan de verdediging betoogt, niet een Keskin -getuige, aangezien hij niets heeft gezegd of geschreven dat voor de verdachte belastend is met betrekking tot de verdenkingen op de concepttenlastelegging, te weten het valselijk opmaken van administratie, het bezit van dieren in oktober 2023 of het witwassen van geldbedragen.

2. [getuige 3]

is Principal Compliance Officer (Wildlife Crime) van het Department of Conservation in Nieuw-Zeeland. Hij heeft een e-mail gestuurd naar de RVO over een gesprek dat hij in 2013 in Nieuw-Zeeland met de verdachte heeft gehad. De verdediging wil [getuige 3] kort gezegd bevragen over die e-mail en verdere contacten daarover. Ook dit is volgens de verdediging een Keskin -getuige. De verdediging heeft niet gemotiveerd waarom het verhoor in redelijkheid van belang kan zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. Zij heeft geen verband gelegd tussen het onderwerp van bevraging en de beschuldigingen op de concepttenlastelegging, anders dan door te stellen dat dit een Keskin -getuige zou zijn. De e-mail uit 2013 en de verdere contacten daarover kunnen echter geen bewijs opleveren voor de in de concepttenlastelegging opgenomen beschuldigingen, waarvan de vroegste pleegperiode aanvangt in 2017. Anders dan de verdediging betoogt, is ook dit niet een Keskin -getuige. Ook enig ander belang voor de door de rechtbank in de strafzaak te beantwoorden vragen is niet gemotiveerd of aannemelijk.

3. [getuige 4]

De verdediging voert aan dat [getuige 4] , ambtenaar van de NVWA, bevraagd moet worden over zijn contacten met [getuige 2] (zie verzoek 1) omdat de verdediging van mening is dat dit relevant is voor de start van het onderzoek. De rechter-commissaris verwijst naar zijn overwegingen daarover, hierboven onder 1. Verder voert de verdediging aan dat deze verbalisant onderzoek heeft gedaan naar de administratie van de verdachte en dat hij daarbij conclusies heeft getrokken die de verdachte deels betwist. Hiermee is onvoldoende gemotiveerd waarom en waarover [getuige 4] gehoord zou moeten worden en waarom dat verhoor van belang zou kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing, temeer nu de verdachte zich in zijn verhoren op 14 oktober 2024 op zijn zwijgrecht heeft beroepen en hij dus (nog) niets concreet heeft betwist. Daarnaast maakt het feit dat [getuige 4] conclusies trekt uit door hem in een proces-verbaal beschreven administratieve gegevens hem geen Keskin -getuige. De redeneringen en conclusies van de verbalisant naar aanleiding van zijn waarnemingen van de administratieve gegevens zijn immers zelf geen waarnemingen die afzonderlijk bewijs opleveren. Ook wil de verdediging hem bevragen over opmerkingen die hij volgens de verdachte tijdens controles in 2017 en 2018 zou hebben gemaakt. De verdediging heeft niet toegelicht wat hiervan de relevantie zou zijn voor enige door de rechtbank in de strafzaak te nemen beslissing. De rechter-commissaris ziet die relevantie ook niet. Het verzoek is ook op dit punt dus onvoldoende gemotiveerd.

4. [getuige 1]

De verdediging wenst [getuige 1] onder andere vragen te stellen over de overdracht van Naultinus gemmeus aan de verdachte en over wanneer [getuige 1] de dieren zelf voor het eerst heeft verkregen en hoe dat in Duitsland is vastgelegd. De beantwoording van die vragen raakt direct aan de ten laste gelegde verwijten en is daarmee van essentieel belang in het kader van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, aldus de verdediging. Het Openbaar Ministerie heeft laten weten geen bezwaar te hebben tegen het verhoor van deze getuige. Het Openbaar Ministerie wijst er in een algemene opmerking in reactie op de onderzoekswensen wel op dat op grond van artikel 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid van de CITES-Basisverordening (338/97) het verboden is om exemplaren die opgenomen zijn in bijlage B bij die verordening in het bezit te hebben zonder dat ten genoege van (in dit geval) de Nederlandse bevoegde autoriteit de legale herkomst van die exemplaren kan worden aangetoond. Het is aan de eigenaar om de legale herkomst van de dieren aan te tonen. Dit brengt volgens het Openbaar Ministerie mee dat (eventuele) getuigenverhoren niet kunnen worden gebruikt om achteraf de legaliteit van (de herkomst van) de dieren aan te tonen. De rechter-commissaris overweegt dat de verdediging niet heeft uitgelegd aan welke van de vier in de concepttenlastelegging opgenomen feiten de beantwoording van haar vragen aan deze getuige direct zou raken en waarom. Dit volgt ook niet zonder meer uit de wel gegeven motivering. Voor zover de verdediging het oog heeft op het bewijs van de onder 1 opgenomen beschuldiging overweegt de rechter-commissaris dat het op grond van de ten tijde van het ten laste gelegde geldende regelgeving verboden was de in die beschuldiging opgenomen dieren onder zich te hebben indien die niet aantoonbaar overeenkomstig de geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken. Die legale herkomst moest dus op het moment van het onder zich hebben door de verdachte kunnen worden aangetoond. De rechter-commissaris onderschrijft daarom het standpunt van het Openbaar Ministerie dat getuigenverhoren niet kunnen worden gebruikt om achteraf de legale herkomst van de dieren aan te tonen, aangezien dit voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde niet relevant is. Ook met betrekking tot de eventuele strafmaat ten aanzien van de onder 1 op de concepttenlastelegging opgenomen beschuldiging is de relevantie onvoldoende gemotiveerd. De rechter-commissaris wijst erop dat de verdachte in een brief van 12 juli 2018 aan de RVO heeft geschreven over Naultinus gemmeus: ‘De eerste 2 verkregen dieren zijn overhandig door de heer [getuige 1] , hij gaf ze af voor een vriend vertelde hij en er waren geen papieren nodig. Vandaar op de eerste versie van het registratieformulier een andere naam, maar omdat hij verder geen informatie verstrekt over de kweker heb ik nu zijn gegevens vermeld.’ Op 11 oktober 2024 is de verdachte uitgebreid verhoord over de Naultinus gemmeus. Hij heeft zich op alle vragen op zijn zwijgrecht beroepen, ook met betrekking tot de herkomst van zijn eerste exemplaren. Uitgaande van de toedracht die wordt beschreven in deze brief en het ontbreken van enige (andersluidende) verklaring van de zijde van de verdachte, was de verdachte tijdens de beweerdelijke overdracht kennelijk niet meer bekend dan dat [getuige 1] tegen hem heeft gezegd dat hij de dieren voor iemand anders aan de verdachte gaf, over wie [getuige 1] verder geen informatie aan de verdachte heeft verstrekt. De relevantie voor de strafmaat van vragen aan [getuige 1] over de door de verdediging aangegeven onderwerpen is bij die stand van zaken niet duidelijk. Voor zover de verdediging het oog had op een andere ten laste gelegde beschuldiging of een andere op grond van artikel 348 en Pro 350 Sv door de rechtbank te beantwoorden vraag, is het verzoek (ook) onvoldoende gemotiveerd.

6. en 7. [getuige 5] en [getuige 6]

De verdediging wijst erop dat de verdachte in zijn brief aan de RVO van 12 juli 2018 heeft aangegeven dat hij bij het opstellen van de administratie is bijgestaan door [getuige 5] en [getuige 6] . De aanpassingen die hierbij in de administratie zijn doorgevoerd, liggen volgens de verdediging ten grondslag aan de verdenking onder feit 2 en 3 van de concepttenlastelegging. De verdediging wenst deze getuigen daarom onder andere vragen te stellen over de voorlichting die zij de verdachte hebben gegeven ten aanzien van het voeren van die administratie en de later aangebrachte wijziging, alsmede over de regelgeving en instructies over het bijhouden van de administratie. De beantwoording van die vragen door de getuigen raakt volgens de verdediging direct aan de ten laste gelegde verwijten en is daarmee van essentieel belang in het kader van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv. In de brief waar de verdediging op wijst, bespreekt de verdachte kennelijk zelf in zijn eigen woorden de in de administratie aangebrachte wijzigingen. Uit deze bespreking lijkt te volgen dat de verdachte deze aanpassingen zelf heeft doorgevoerd en dat hij goed begrijpt wat de aanpassingen inhouden. In zijn verhoor op 14 oktober 2024 heeft de verdachte, gevraagd naar het bijhouden van administratie, zich op zijn zwijgrecht beroepen. De verdediging heeft niet toegelicht welk verband zij ziet tussen de gestelde rol van deze getuigen en/of de onderwerpen waarover zij de getuigen wil bevragen en de verdenkingen. Bij deze stand van zaken is de relevantie van het horen van deze getuigen voor enige door de rechtbank te beantwoorden vraag onvoldoende gemotiveerd.

9 t/m 17. Getuigen ten aanzien van de strafmaat

De verdediging verzoekt negen (bij name genoemde) personen te horen met betrekking tot de strafmaat. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij dieren om niet heeft weggegeven, waarmee geen rekening is gehouden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte stelt volgens de verdediging dat de genoemde personen hierover kunnen verklaren. De rechter-commissaris wijst ook deze verzoeken af omdat niet voldoende is gemotiveerd waarom het horen van deze getuigen relevant zou kunnen zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing, inclusief de strafmaat. De verdediging geeft geen enkele nadere informatie over welke dieren wanneer en/of aan wie om niet zouden zijn weggegeven, zodat reeds daarmee de relevantie voor enige door de rechtbank te nemen beslissing al onvoldoende is gemotiveerd. De verdediging licht ook niet toe wie de negen genoemde personen zijn of hoe zij van het weggeven van dieren op de hoogte zouden zijn. Er is dus ook om die reden geen begin van aannemelijkheid dat deze mensen uit eigen wetenschap iets relevants kunnen verklaren over het beweerdelijke weggeven van dieren. Daarbij verdient opmerking dat de verdachte naar een aantal van deze mensen is gevraagd in zijn verhoor van 14 oktober 2024. Hem werd onder meer gevraagd wie die mensen zijn en waarom de verdachte transacties van duizenden euro’s van hen heeft ontvangen. De verdachte wilde die vragen niet beantwoorden. Ook legt de verdediging niet uit waarom de stelling dat de verdachte dieren om niet heeft weggegeven, überhaupt relevant zou zijn voor de strafmaat ten aanzien van de ten laste gelegde beschuldigingen.

3.Bezwaar

Het bezwaarschrift (inclusief de daarop in raadkamer gegeven aanvulling) richt zich tegen de weigering van de rechter-commissaris de namens de verdachte verzochte onderzoekshandelingen te verrichten en houdt voor zover relevant (samengevat) het volgende in:
Het verzoek om verstrekking van ongelakte processtukken
Ten aanzien van het verzoek om de ongelakte procestukken in het dossier te (doen) voegen heeft de rechter-commissaris aangegeven het standpunt van het Openbaar Ministerie te volgen. Dit standpunt luidt dat gegevens zijn weggelakt van personen die verder niet bij het onderzoek betrokken zijn, met het oog op hun privacy. De verdediging merkt allereerst op dat zij nog niet eerder met een strafdossier is geconfronteerd waarbij gegevens (in deze omvang) zijn zwartgelakt. Wel met stukken die in het kader van de Wet open overheid worden verstrekt, maar niet in strafzaken. Een strafdossier bevat bij uitstek privacygevoelige informatie van personen die ‘verder niet bij het onderzoek betrokken zijn’. De weggelakte informatie ziet op mailwisselingen met overheidsinstanties, geen willekeurige derden dus. Wat de wettelijke basis voor het zwartlakken zou zijn, wordt zowel door het Openbaar Ministerie als door de rechter-commissaris niet onderbouwd. Dat kan ook niet want die wettelijke basis is er niet. Gedeelten van processtukken kunnen slechts bij uitzondering weggelaten worden uit het procesdossier volgens artikel 149b Sv. Van een uitzondering, opgesomd in artikel 187d, eerste lid onder a-c Sv (waar 149b Sv naar verwijst) is in onderhavig geval geen sprake. Tevens wijst de verdediging op een recente conclusie van advocaat-generaal Spronken waarbij het oordeel van het hof dat ‘deze weggelakte delen niet relevant zijn voor het dossier van de verdachte’ door de advocaat-generaal problematisch wordt geacht in het licht van de waarborgen die de wettelijke regeling met betrekking tot (de kennisneming van) de processtukken aan de verdediging biedt. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in een gedeeltelijke weglating van passages door de officier van justitie in een proces-verbaal dat aan het dossier is gevoegd, aldus de advocaat-generaal. De werkwijze van het in grote mate zwartlakken van stukken in het dossier [naam dossier] roept ernstige vragen op met betrekking tot de transparantie van deze strafzaak. Waarom is er zoveel zwartgelakt? Waarom wordt de verdediging niet in staat gesteld te beoordelen wat de rol is van de onbekend gebleven personen en of deze door de verdediging moeten worden opgegeven als getuige? Een dergelijk geanonimiseerd procesdossier belemmert de controlefunctie van de verdediging; het is het Openbaar Ministerie en de NVWA die eenzijdig bepalen welke gegevens van welke personen (en belangrijker: welke niet) aan de verdediging beschikbaar worden gesteld. Dat is in strijd met de wet.
Het verzoek tot het horen van getuigen

5. [getuige 2] , 6. [getuige 3] , 7. [getuige 4]

Het horen als getuige van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] is van belang om inzichtelijk te krijgen hoe het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen en hoe de verdenking jegens de verdachte is ontstaan en of er geen sprake is van een vormverzuim. De motivering ten aanzien van de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] dient dan ook in samenhang en onderling verband te worden bezien. De reden dat om het horen van [getuige 2] is verzocht, is dat hij ongevraagd een e-mail heeft gestuurd aan [getuige 4] met daarin voor de verdachte belastende informatie, terwijl deze e-mail tegelijkertijd heeft gediend als – zoals de rechter-commissaris het formuleert – ‘tactische startinformatie die aanleiding was om in oktober 2017 een toezichtscontrole uit te voeren.’ Dat bevindingen die zijn ontstaan tijdens de controle in 2017 vervolgens worden aangevoerd als start van de verdenking, laat onverlet dat die controle is uitgevoerd op basis van de e-mail van de getuige met daarin allerlei belastende informatie betreffende de verdachte. [getuige 2] was op het moment van versturen van de mail al vijf jaar geen inspecteur meer van de [bedrijf] , terwijl die hoedanigheid en de daarmee samenhangede contacten in het verleden blijkens de opmerkingen van verbalisant [getuige 4] in het proces-verbaal juist gewicht zou geven aan de informatie. In de e-mailwisseling zoals te lezen in DOC-0025 wordt gesproken over een nog plaats te vinden ‘inspection’ bij de verdachte. Dat is vertrouwelijke opsporingsinformatie en de getuige beschikt daar kennelijk over. De vraag is hoe dat kan. [getuige 3] heeft op 16 december 2022 een e-mail gestuurd aan de RVO betreffende een ondervraging door hem van de verdachte op het vliegveld van Auckland (Nieuw-Zeeland), die ruim negen jaar eerder zou hebben plaatsgevonden. In de e-mail wordt door de getuige gesteld dat Nieuw-Zeeland bekend is met succesvolle smokkel, daarmee insinuerend dat de verdachte zich daaraan schuldig zou maken. De e-mail is daarmee belastend van aard. Het gaat de verdediging erom de getuige vragen te kunnen stellen over wat de aanleiding was voor de ondervraging op het vliegveld in Auckland, alsmede vragen te stellen over contact dat er naderhand is geweest met de Nederlandse autoriteiten en waarom een verslag van dat gesprek negen jaar na dato nog aan de Nederlandse autoriteiten wordt gestuurd. Deze vragen zijn niet reeds – zoals het Openbaar Ministerie stelt in de reactie op de ingediende onderzoekswensen – beantwoord in de e-mail die is opgenomen in het dossier. [getuige 4] is de verbalisant die de e-mail van [getuige 2] ongevraagd zou hebben ontvangen. De verdediging wenst in het kader van de start van het onderzoek/het ontstaan van de verdenking beide getuigen te horen omtrent het contact dat er tussen hen heeft plaatsgevonden. In 2017 wordt wel op de e-mail van [getuige 2] (zonder dat dat aan de verdachte wordt medegedeeld) geacteerd door middel van een inspectie en wordt er in oktober 2021 nog een inspectiebezoek gebracht waarna er in mei 2023 wordt besloten tot een strafrechtelijk onderzoek. De verdediging meent dat bovenstaande getuigen kunnen bijdragen om inzichtelijk te krijgen hoe het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen en hoe de verdenking jegens de verdenking is ontstaan.

4. [getuige 1]

Het Openbaar Ministerie benoemt dat ‘elk van de soorten in het onderzoek [naam dossier] op bijlage B van de CITES-Basisverordening (338/97) staat.’ Naar de huidige stand van zaken is dat juist, maar de verdediging heeft in haar verzoek toegelicht dat toen de verdachte bepaalde soorten verkreeg dit anders was. En dit heeft directe gevolgen voor de verplichting om een (tot de oorsprong herleidbare) administratie bij te houden. Het Openbaar Ministerie schrijft dat ‘het aan de eigenaar is om de legale herkomst van de dieren aan te tonen’ maar gaat aan een essentieel punt voorbij. Immers, hoewel eigenaren van dieren die op bijlage B staan inderdaad de legale herkomst van de dieren moeten kunnen aantonen, houdt het Openbaar Ministerie geen rekening met de situatie waarbij dieren reeds in eigendom waren voordat de desbetreffende soorten op bijlage B werden geplaatst, en er aldus geen enkele administratieplicht gold. Dit resulteert in een soort retroactieve bewijslast die fundamenteel indruist tegen het rechtszekerheidsbeginsel: niemand kan redelijkerwijs worden geacht de legaliteit door middel van een papertrail aan te tonen, indien op het moment van verkrijging geen administratieplicht gold, en overdrachtspapieren geen vereiste waren.
Indien [getuige 1] de dieren voor 2003 in zijn bezit had, dan zou er in dat geval geen wettelijke basis bestaan om actie te ondernemen en is handhaving niet mogelijk wegens het ontbreken van een administratieplicht. Deze stelling wordt in het NVWA-dossier op diverse plekken ingenomen. Naar mening van de verdediging is een veroordeling voor feit 1 – ten aanzien van Naultinus gemmeus – op de concepttenlastelegging niet mogelijk indien aangetoond is dat de dieren voor 2003 bij [getuige 1] in bezit waren. Het horen van de getuige is daarmee van belang voor de eerste vraag van artikel 350 Sv Pro. Alle bij de verdachte aangetroffen Naultinus gemmeus zijn direct of indirect herleidbaar tot [getuige 1] waardoor hij bij uitstek de aangewezen persoon is om te vertellen wanneer (voor of na 2003) en op welke wijze deze dieren vanuit Nieuw-Zeeland naar Duitsland (en vervolgens Nederland) zijn gekomen.

6. [getuige 5] en 7. [getuige 6]

De verdediging heeft verzocht om het horen van [getuige 5] en [getuige 6] omdat de verdachte door hen is bijgestaan bij het opstellen van zijn administratie. De feiten 1, 2 en 3 op de concepttenlastelegging vloeien direct voort uit het verwijt dat de verdachte zijn administratie niet volledig juist zou zijn. Beide getuigen kunnen verklaren over bepaalde wijzigingen die de verdachte zou hebben doorgevoerd in zijn administratie, en of deze wijzigingen op aanwijzing van hen zijn geschied. Ook kunnen zij antwoord geven op de vraag of het de verdachte duidelijk was wat in de administratie diende te worden opgenomen, met andere woorden: of hij in de veronderstelling verkeerde dat hij zijn administratie juist voerde. Dat het zijn eigen verantwoordelijkheid is om een juiste administratie bij te houden, doet niet af dat een houder van dieren zich laat informeren, juist als er vanuit de overheid geen duidelijke informatie en richtlijnen beschikbaar zijn. Dat is precies wat onze de verdachte heeft gedaan; hij wilde het goed doen.

9. t/m 17. (strafmaatgetuigen)

Het strafdossier is doorspekt met insinuaties dat de verdachte zich schuldig zou maken aan illegale handel en smokkel van bepaalde diersoorten. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij onder de streep geen cent heeft overgehouden aan zijn hobby. De kosten die gepaard gaan met zijn hobby stijgen ver boven het bedrag uit dat thuis bij hem is aangetroffen. Met het oog op een eventueel te volgen ontnemingsprocedure persisteert de verdediging (zekerheidshalve) bij het verzoeken van de onder 9 tot en met17 genoemde getuigen.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond is en daartoe het volgende aangevoerd.
Het verzoek om verstrekking van ongelakte processtukken
De verdediging heeft verzocht om het Openbaar Ministerie opdracht te geven om alle bijlagen (met daarin voornamelijk e-mail berichten) waarin (delen van) e-mailadressen zijn zwartgelakt, te verstrekken in de originele versie, zodat duidelijk is welke instantie en welke ambtenaar het bericht heeft verzonden. Daardoor wordt beter inzichtelijk tussen welke partijen informatie wordt uitgewisseld. Uit navraag is gebleken dat de opsporingsinstantie de persoonsgegevens heeft weggelakt uit privacyoverwegingen voor degenen die verder niet in het onderzoek betrokken zijn. De gegevens van de personen en instanties die wel van belang zijn voor het onderzoek, komen terug in andere processen-verbaal of bevindingen. Gelet op de verzochte getuigen is de verdediging voldoende in staat om deze personen en instanties te identificeren en daarmee niet in haar belangen geschaad.
Het verzoek tot het horen van getuigen

1. [getuige 2]

De verdediging wenst [getuige 2] als getuige te horen om inzichtelijk te krijgen hoe het onderzoek is aangevangen en de verdenking jegens de verdachte is ontstaan. [getuige 2] heeft op 24 augustus 2017 ongevraagd een e-mail gestuurd naar verbalisant [getuige 4] dat hij informatie had ontvangen over de verdachte. De start van het strafrechtelijk onderzoek op 25 juli 2023 is echter niet gelegen in deze mail van [getuige 2] , maar vindt zijn aanleiding in verkregen e-mails tussen RVO en de Duitse en Tsjechische CITES Management Autoriteiten. Deze aanleiding is verder omschreven in het proces-verbaal van verdenking (AMB-0002). [getuige 2] kan daar niet inhoudelijk over verklaren. De overige vragen die de verdediging wenst te stellen zijn niet relevant voor het beantwoorden van de vragen in van kader van de artikelen 348 en 350 Sv.

2. [getuige 3]

De verdediging wenst [getuige 3] te bevragen over een e-mail van 16 december 2022 en een gesprek dat hij met de verdachte heeft gehad op 6 maart 2013. De vragen die de verdediging wenst te stellen, lijken al te worden beantwoord in de e-mail die is opgenomen in het dossier. Daarnaast is ook de informatie die hij geeft over de verdachte niet de aanleiding voor het onderzoek. Onvoldoende gemotiveerd is waarom het noodzakelijk is deze getuige te bevragen en welk belang dit heeft voor het beantwoorden van de vragen ex artikel 348 en Pro 350 Sv.

3. [getuige 4]

De verdediging wenst deze verbalisant te horen over de processen-verbaal die hij heeft opgesteld en zijn bevindingen daarin, omdat – samengevat – de verdediging de conclusies die hij trekt (deels) betwist. Het verzoek is te ruim geformuleerd en daarmee onvoldoende onderbouwd om hem op grond daarvan te horen. Daarnaast wil de verdediging hem horen over de gang van zaken tijdens eerdere controlebezoeken en de doorzoeking en de beleving van de verdachte daarbij. Hierover is reeds een uitgebreid proces-verbaal opgenomen in het dossier, waar ook naar wordt verwezen. Het belang van vragen hierover in het kader van de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv is onvoldoende gemotiveerd.

4. [getuige 1]

Het Openbaar Ministerie heeft geen bezwaar tegen het horen van [getuige 1] .

6. [getuige 5]

heeft de verdachte geholpen bij het opstellen van de CITES administratie. De verdenking van feiten 2 en 3 – het opmaken, respectievelijk gebruikmaken van een valse CITES-administratie – vloeit voort uit het tonen van deze administratie aangaande de Naultinus gemmeus, waarbij tweemaal een verschillende herkomst van het startpaar wordt vermeld. De verwachting is niet dat [getuige 5] daar enige bemoeienis mee heeft gehad. De verdediging wenst daarnaast de getuige de bevragen over ‘de regelgeving en instructies over het bijhouden van de administratie’. Uit de onderbouwing blijkt niet waarom zij als deskundige gehoord zou moeten worden. De wet- en regelgeving is zeer duidelijk over wat er moet worden bijgehouden in de administratie. Gelet op het voorgaande is dit verzoek onvoldoende onderbouwd.
.

7. [getuige 6]

heeft de verdachte kennelijk geadviseerd bij het opzetten van de CITES-administratie. Hij kan geen licht werpen op de veranderde herkomst van het startpaar Naultinus gemmeus of naar de volledigheid van de administratie. De verdediging wenst daarnaast de getuige de bevragen over ‘de regelgeving en instructies over het bijhouden van de administratie’. Uit de onderbouwing blijkt niet waarom hij als deskundige gehoord zou moeten worden. De wet- en regelgeving is zeer duidelijk over wat er moet worden bijgehouden in de administratie. Het verzoek is dan ook onvoldoende onderbouwd.

9. t/m 17. (strafmaatgetuigen)

De getuigen 9 tot en met 17 worden door de verdediging aangemerkt als getuigen ten aanzien van de strafmaat die moeten worden gehoord omdat bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening is gehouden dat de verdachte ook dieren ‘om niet’ zou hebben weggeven. Uit de verklaringen van de verdachte tijdens en kort na doorzoeking blijkt het volgende: ‘Financieel treft u de handel in de gekko gemmeus niet aan in de boekhouding van mijn bedrijf, ook niet bij de accountant. De opbrengsten van de verkochte gekko gemmeus worden deels gestort op mijn privérekening, maar ook contant afgerekend. Het contante geld ligt in mijn kluis. Ik deed ook wel eens ruilhandel, bijvoorbeeld met een vriend die dan wat voor mij deed of gewoon ruilhandel met andere dieren of goederen.’ Er wordt niet betwist dat de verdachte ook dieren om niet weggeeft of deze gebruikt voor ruilhandel. De genoemde getuigen zijn derhalve niet nodig om dit te bevestigen, dan wel te ontkrachten. Nu de handel in Naultinus gemmeus niet uit de boekhouding van de verdachte blijkt, kunnen verklaringen van getuigen ook niet dienen ter onderbouwing of falsificatie daarvan. In de tenlastelegging is onder feit 4 het witwassen van het in de kluis aangetroffen geldbedrag van € 33.195 opgenomen. Gelet op zijn eigen verklaring is het contante geld in zijn kluis afkomstig van handel. Dieren die ‘om niet’ zijn weggegeven, dan wel zijn geruild, kunnen daar geen bijdrage aan hebben geleverd. Uit het verzoek blijkt niet wat de verzochte getuigen daarover nader kunnen verklaren. Het horen van de getuigen 9 tot en met 17 is onvoldoende gemotiveerd en niet nodig ter beantwoording van vragen van artikel 348 en Pro 350 Sv.

5.Beoordeling

Het verzoek om verstrekking van ongelakte processtukken
De verdediging heeft de rechter-commissaris verzocht om van alle gedeeltelijk zwartgelakte documenten in het dossier [naam dossier] de originele, schone en daarmee leesbare versies in het dossier te (doen) voegen.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:155, in hoofdlijnen het systeem voor de omgang met en verantwoordelijkheid voor de processtukken gedurende de loop van het strafproces als volgt geschetst:
2.5.2 Op grond van artikel 149a lid 1 Sv is de officier van justitie tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken. Die verantwoordelijkheid brengt mee dat hij in beginsel gehouden is om alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door de rechter op de terechtzitting te nemen beslissingen bij de processtukken te voegen, zo nodig met weglating daarin van de in artikel 149a lid 3 Sv bedoelde (rechtbank: slachtoffer)gegevens. Het gaat hierbij om de relevantie van die stukken. Als een stuk niet van belang kan zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing, hoeft de officier van justitie het stuk dus niet bij de processtukken te voegen. In het (uitzonderlijke) geval dat een stuk wel van belang kan zijn, maar zich één van de omstandigheden voordoet die in artikel 187d lid 1 Sv worden genoemd, schept artikel 149b lid 1 Sv de mogelijkheid dat de officier van justitie voeging van (gedeelten van) het stuk achterwege laat. De officier van justitie heeft daarvoor een machtiging van de rechter-commissaris nodig. De in artikel 149b Sv voorziene procedure verplicht er bovendien toe dat een proces-verbaal wordt opgemaakt waarin voor zover mogelijk wordt toegelicht waarom van deze procedure gebruik wordt gemaakt.
2.5.3 Gedurende het vooronderzoek kan de verdediging – dat wil zeggen: de verdachte of, gelet op artikel 48 Sv Pro, zijn raadsman – op grond van artikel 34 lid 1 Sv Pro de officier van justitie verzoeken om specifiek omschreven stukken die zij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Zo’n verzoek kan betrekking hebben op stukken waarvan de verdediging meent dat die door de officier van justitie onterecht niet als relevant zijn aangemerkt, en op stukken die door de officier van justitie – al dan niet gedeeltelijk – buiten de processtukken zijn gehouden op grond van de bevoegdheid bedoeld in artikel 149b lid 1 Sv. Om dit verzoek te kunnen onderbouwen, geeft artikel 34 lid 2 Sv Pro de verdediging daarnaast het recht om eerst kennis te nemen van specifiek omschreven stukken. Als de officier van justitie het verzoek tot voeging van stukken dan wel de kennisneming daarvan weigert, heeft hij een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris nodig (artikel 34 lid 4 Sv Pro).
2.5.4 Met het begin van het onderzoek op de terechtzitting gaat de verantwoordelijkheid voor de samenstelling en de volledigheid van de processtukken over van de officier van justitie naar de zittingsrechter. In die fase kan de zittingsrechter ambtshalve de overlegging van stukken en de voeging daarvan bij de processtukken bevelen. De verdediging kan op grond van artikel 328 Sv Pro de zittingsrechter verzoeken om toepassing te geven aan die bevoegdheid. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier worden toegevoegd die voor de op de terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Ook hiervoor is bepalend de relevantie van de stukken (vgl. HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218, rechtsoverweging 2.4).
2.5.5 Voordat de rechter – ambtshalve of op verzoek – beslist over de voeging van bepaalde stukken bij de processtukken, stelt hij de officier van justitie en, zo nodig, de verdediging in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken. In het geval dat de officier van justitie zich verzet tegen voeging omdat hij zich op het standpunt stelt dat de betreffende stukken niet relevant zijn of dat de in artikel 187d lid 1 Sv bedoelde belangen hiertoe dwingen, kan de zittingsrechter beslissen dat nader onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is. De rechter-commissaris beoordeelt dan, in lijn met de regeling van artikel 34 lid 4 en Pro 149b lid 1 Sv, of sprake is van niet-relevante stukken of dat zich een in artikel 187d lid 1 Sv bedoelde omstandigheid voordoet en geeft, zoals ook in de onder 2.4.2 genoemde wetsgeschiedenis tot uitdrukking komt, ten behoeve van de zittingsrechter een (nadere) onderbouwing van de bevindingen van zijn daartoe verrichte onderzoek. Uiteindelijk beslist de zittingsrechter ook in dat geval over het wel of niet voegen van de verzochte stukken bij de processtukken (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900, rechtsoverweging 4.4.3). De zittingsrechter neemt hierbij, anders dan de rechter-commissaris, geen kennis van stukken die aan de verdediging worden onthouden. Het beginsel van interne openbaarheid staat daaraan in de weg (vgl. in een ander verband HR 20 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD5266, rechtsoverweging 4.2.3).’
De rechtbank stelt vast dat wat betreft het achterwege laten van voeging van gedeelten van bepaalde stukken (de zwartgelakte delen) en het verzoek om voeging van die achterwege gelaten stukken niet de geëigende route is gevolgd.
De rechtbank is van oordeel dat het laten toevoegen van stukken door de officier van justitie niet een door de rechter-commissaris te verrichten onderzoekshandeling is als bedoeld in artikel 182, eerste lid, Sv. De verdachte is daarom niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris ten aanzien van het verzoek om van alle in het dossier [naam dossier] opgenomen documenten die (deels) zwartgelakt zijn de originele, schone en daarmee geheel leesbare versies in het dossier te (doen) voegen.
Het verzoek tot het horen van getuigen
De rechtbank stelt voorop dat de rechter-commissaris een verzoek om het horen van een getuige kan afwijzen als het getuigenverhoor niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank moet toetsen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht daarvan kan standhouden.

1. [getuige 2] , 2. [getuige 3] , 3. [getuige 4]

De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar ten aanzien van de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris betreffende het verzoek tot het horen als getuige van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] ongegrond is. Het verzoek strekt er toe dat de verdediging door middel van het horen van die getuigen de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil kunnen stellen, en betreft niet het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van het ten laste gelegde feit zou kunnen worden gebruikt. De rechtbank is dan ook met de rechter-commissaris van oordeel dat het hier geen zogenoemde Keskin -getuigen, maar rechtmatigheidsgetuigen betreft. Zij sluit zich aan bij de door de rechter-commissaris gegeven motivering om het verzoek tot het horen van deze getuigen af te wijzen. Op 25 juli 2023 is besloten om een strafrechtelijk onderzoek te starten waarmee de bestuursrechtelijke handhaving werd stopgezet. Hetgeen zich voor 25 juli 2023 heeft afgespeeld, heeft dus plaatsgevonden in de toezichtsfase en is niet relevant voor de start van het strafrechtelijk onderzoek. In het proces-verbaal aanleiding onderzoek van 13 september 2023 (AMB-0003) wordt door [getuige 4] aan de hand van feiten en omstandigheden die in chronologische volgorde zijn weergegeven uitgelegd waarom volgens hem dat strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk is. In het proces-verbaal van verdenking jegens de verdachte van 15 september 2023 (AMB-0002) staat beschreven dat de RVO de NVWA over deze casus heeft geïnformeerd en heeft aangegeven dat zij bestuurlijk wilden gaan handhaven, maar dat zij dan eerst een vooraankondiging moeten sturen en dat vanwege het afbreukrisico dat dit meebrengt de NVWA is verzocht om, indien mogelijk, strafrechtelijk op te treden. [getuige 2] en [getuige 3] kunnen inhoudelijk niets verklaren dat relevant is hoe het strafrechtelijk onderzoek, na dit bericht van de RVO, is aangevangen. Het horen van deze getuigen kan dus niet van belang zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het onderzoek. Ten aanzien van [getuige 4] acht de rechtbank het bezwaar onvoldoende onderbouwd. Bij het verzoeken om een rechtmatigheidsgetuige zal moeten worden aangegeven op welke punten er sprake zou zijn van een onrechtmatigheid. Dat is in dit geval, ook in de bezwaarfase, onvoldoende gebeurd.

4. [getuige 1]

De rechtbank is van oordeel dat het horen als getuige van [getuige 1] relevant kan zijn voor de te beantwoorden vragen van artikel 350 Sv Pro ten aanzien van hetgeen de verdachte op de concept-tenlastelegging onder 1 wordt verweten. [getuige 1] zou kunnen verklaren wanneer en hoe hij de Naultinus gemmeus in zijn bezit heeft gekregen. De bij de verdachte aangetroffen dieren zouden direct of indirect tot hem te zijn herleiden. De verklaring van [getuige 1] zou relevant kunnen zijn voor de vraag welke dieren voor 2003 in de Europese Unie waren. En dat is weer relevant voor het verweer van de verdediging dat door de retrospectieve bewijslast het onmogelijk is om aan de administratieverplichtingen te voldoen.

6. [getuige 5] en 7. [getuige 6]

De verdachte wordt vooralsnog onder 2 en 3 ten laste gelegd dat hij in zijn CITES-administratie inzake de Naultinus gemmeus (juwelengekko) de werkelijke herkomst van de juwelengekko’s onjuist heeft weergegeven; hij zou in strijd met de waarheid hebben vermeld dat de juwelengekko’s verkregen waren van [persoon] terwijl ze in werkelijkheid van [getuige 1] zouden zijn verkregen.
De rechtbank is van oordeel dat in het kader van die beschuldiging het horen van [getuige 5] , destijds kennelijk werkzaam als jurist onder andere bij [naam stichting] , en [getuige 6] , die de verdachte zouden hebben geadviseerd over het voeren van zijn CITES-administratie, relevant kan zijn voor het beantwoorden van een van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.
Het bijhouden van een juiste en volledige CITES-administratie is een plicht van de houder van de dieren en dient naar waarheid te geschieden. Hoewel de verdachte zelf verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen administratie, kan het wel relevant zijn dat hij bij derden advies over het voeren van die administratie heeft ingewonnen, bij wie hij dat heeft gedaan en wat het advies inhield en of hij overeenkomstig dat advies heeft gehandeld. De genoemde getuigen zouden hierover kunnen verklaren.

9. t/m 17. (strafmaatgetuigen)

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het bezwaar ten aanzien van de beslissing van de rechter-commissaris om de onder 9 tot en met 17 verzochte getuigen af te wijzen, ongegrond is. Het betreft hier zogenoemde strafmaatgetuigen. Een verzoek om een dergelijke getuige te horen, dient behoorlijk te zijn gemotiveerd. De verdediging heeft in haar initiële verzoek slechts aangevoerd dat de verdachte zich op het standpunt stelt dat hij dieren om niet heeft weggegeven en dat daarmee bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening gehouden is. De getuigen zouden kunnen verklaren over het weggeven van de dieren door de verdachte. De verdediging heeft in het bezwaarschrift opgemerkt dat het dossier [naam dossier] enerzijds doorspekt is met belastende verklaringen die inhouden dat de verdachte zich zou bezighouden met illegale reptielenhandel en dat anderzijds de concept-tenlastelegging zich enkel richt op bepaalde onvolledigheden in de administratie van de verdachte en dat de onderzoekswensen moeten worden bezien tegen de achtergrond van de verwijten die de verdachte in het dossier worden gemaakt. De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte stelt dat hij onder de streep geen cent heeft overgehouden aan zijn hobby en dat de kosten die gepaard gaan met zijn hobby ver boven het bedrag uitstijgen dat thuis bij hem is aangetroffen en dat met het oog op een eventueel te volgen ontnemingsprocedure zij (zekerheidshalve) bij het verzoeken van de getuigen persisteert.
De rechtbank is met de rechter-commissaris van oordeel dat uit het verzoek en uit de aanvullende toelichting onvoldoende blijkt wat maakt dat het horen van deze getuigen relevant is voor enige door de rechtbank in dit stadium te nemen beslissing.
Beslissing
De rechtbank
  • verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaar ten aanzien van de beslissing van de rechter-commissaris het verzoek om alle documenten in het dossier [naam dossier] die zwartgelakt zijn de originele, schone en daarmee leesbare versies in het dossier te (doen) voegen, af te wijzen;
  • verklaart het bezwaar ten aanzien van de beslissing van de rechter-commissaris het verzoek tot het horen als getuige van [getuige 1] , [getuige 5] en [getuige 6] gegrond;
  • bepaalt dat de rechter-commissaris de volgende onderzoekshandeling zal verrichten: het horen als getuige van:
  • [getuige 1] , wonende op het adres [adres 2] ;
  • [getuige 5] , werkzaam als jurist onder andere bij [naam stichting] ;
  • bepaalt dat de verdediging binnen twee weken na ontvangst van deze beslissing de adresgegevens van de getuige aan het kabinet van de rechter-commissaris doorgeeft;
  • [getuige 6] , kantooradres: [adres 3] ,
  • verklaart het bezwaar voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is op 3 maart 2026 in raadkamer gegeven door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. J. Thomas, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.