ECLI:NL:RBAMS:2026:331

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
13/096217-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man voor poging tot opzetverkrachting en mishandeling in Amsterdam

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen een 23-jarige man, die op 27 maart 2025 in een hotel in Amsterdam een vrouw heeft geprobeerd te verkrachten en haar heeft mishandeld. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf en tbs met voorwaarden. Tijdens de zitting op 8 januari 2026 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie gehoord, evenals de verdediging van de verdachte en het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de vrouw onder valse voorwendselen naar een afgelegen plek heeft gelokt, waar hij haar heeft geprobeerd te zoenen en haar vervolgens heeft vastgegrepen en tegen de grond gedrukt. De rechtbank heeft op basis van camerabeelden en getuigenverklaringen geoordeeld dat er voldoende bewijs is voor de poging tot opzetverkrachting en de mishandeling. De rechtbank heeft de verdachte ook ter beschikking gesteld onder voorwaarden, gezien zijn psychische problematiek en het risico op recidive. De benadeelde partij heeft recht op schadevergoeding voor zowel materiële als immateriële schade, die door de rechtbank is toegewezen, met wettelijke rente.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/096217-25
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
momenteel gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. N.S. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.A. Monster, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij] . Dit verzoek is ter zitting toegelicht door de raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. T. Çatbaş. De benadeelde partij zelf heeft gebruikgemaakt van haar spreekrecht.
Ter zitting was ook reclasseringswerker K. Holterman aanwezig. Zij heeft het door haar opgestelde reclasseringsadvies van 12 december 2025 toegelicht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is (na wijziging op de zitting van 18 september 2025) kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich op 27 maart 2025 in Amsterdam jegens [benadeelde partij] heeft schuldig gemaakt aan:
1. een poging tot opzetverkrachting, subsidiair tenlastegelegd als een poging tot opzetaanranding;
2. een poging tot zware mishandeling, subsidiair tenlastegelegd als een mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.
Waardering van het bewijs
3.1
Inleiding
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
[benadeelde partij] (hierna: aangeefster) heeft op 27 maart 2025 aangifte gedaan naar aanleiding van een incident met een collega toen zij die dag aan het werk was in hotel Jakarta in Amsterdam. [2] Het staat niet ter discussie dat deze collega de op 29 maart 2025 aangehouden verdachte is. [3]
De verklaringen van aangeefster en verdachte over de feitelijke aanloop naar het incident komen grotendeels overeen. Aangeefster bevond zich op enig moment in een trappenhuis van het hotel. Verdachte betrad op dat moment ook het trappenhuis en vroeg aan aangeefster of zij een deur op een lagergelegen verdieping voor hem kon openen met haar toegangstag. Aangeefster stemde hiermee in en liep met verdachte mee naar de desbetreffende deur. Haar toegangstag bleek op die deur echter niet te werken. Op het moment dat aangeefster zich omdraaide om dit tegen verdachte te zeggen, greep verdachte haar vast. Aangeefster heeft verklaard dat het voor haar voelde alsof verdachte haar wilde gaan zoenen op haar mond. [4] Verdachte heeft bevestigd dat hij inderdaad probeerde om aangeefster te zoenen. [5] Vervolgens is er een worsteling ontstaan tussen aangeefster en verdachte. Over wat er zich feitelijk heeft afgespeeld tijdens die worsteling bestaat eveneens weinig discussie nu deze worsteling is vastgelegd op camerabeelden. De rechtbank volstaat in deze inleiding met de enkele melding van het bestaan van de camerabeelden. In het kader van de beoordeling van de zaak geeft de rechtbank in het hiernavolgende haar eigen waarneming van de camerabeelden in detail weer, zodat deze eigen waarneming kan dienen als bewijsmiddel.
De verklaringen van aangeefster en verdachte verschillen wel wanneer het gaat over de intentie van verdachte voorafgaand aan en tijdens de worsteling. Aangeefster geeft aan dat zij verdachte van zich heeft afgeduwd nadat hij haar probeerde te zoenen en dat ze begon te schreeuwen dat verdachte van haar af moest blijven en weg moest gaan. Verdachte heeft vervolgens zijn hand op haar mond gelegd om haar geschreeuw te dempen. [6] Hij zei daarbij dat aangeefster rustig en stil moest zijn. [7] Verdachte probeerde volgens aangeefster op haar te gaan liggen hetgeen ook lukte. Toen zij op de grond lag is zij blijven schreeuwen en trappen. [8] Aangeefster heeft verklaard dat zij het gevoel had dat verdachte de intentie had om haar te verkrachten. Op een gegeven moment is verdachte weggerend. Aangeefster denkt dat dit was omdat er iemand riep wat er aan de hand was. Als gevolg van de worsteling heeft aangeefster pijn ervaren [9] en letsel opgelopen. [10]
Verdachte heeft verklaard dat hij op de dag van het incident naar het hotel is gegaan om te kijken of hij dienst had. Hij bleek geen dienst te hebben. In het hotel zag hij aangeefster. Verdachte heeft verklaard dat hij al langer seksuele gevoelens voor aangeefster had. Verdachte kreeg ‘de aandrang om haar dichter te benaderen’ in de hoop dat ze dezelfde gevoelens had. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment het voornemen heeft opgevat om seks met aangeefster te hebben. De vraag aan aangeefster om de deur voor hem te openen was een smoes om haar mee te kunnen krijgen naar die kamer. Hij had deze kamer, samen met een naastgelegen kamer, enkele minuten voor hij aangeefster vroeg de deur te openen zelf nog bekeken (zoals ook op de hierna te beschrijven camerabeelden te zien is). De ruimtes bleken leeg te zijn, zo heeft verdachte verklaard. In één van deze ruimtes zouden hij en aangeefster seks kunnen hebben. Verdachte heeft aangeefster naar de deur van deze ruimte gelokt en haar gevraagd deze te openen. Toen de deur niet openging heeft verdachte aangeefster op de gang geprobeerd te zoenen. Toen bleek dat aangeefster hier niet voor open stond en begon te schreeuwen heeft verdachte haar armen vastgepakt om haar te kalmeren en ervoor te zorgen dat ze niet weg zou rennen. Hij wilde niet dat zij ontdekt zouden worden zodat hij zonder dat anderen hem zouden tegenhouden weg kon komen. Verdachte is er vandoor gegaan toen hij hoorde dat er mensen op het geluid afkwamen. [11] Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster geen pijn heeft willen doen en dat hij niet heeft geprobeerd om haar te verkrachten. Verdachte heeft aangegeven dat hij weliswaar seks met aangeefster wilde hebben, maar alleen als zij dat ook wilde.
3.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 primair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde.
3.3
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair aan verdachte ten laste gelegde. Voor wat betreft het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De inhoudelijke verweren van de raadsvrouw worden voor zover nodig in het hiernavolgende besproken.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1
Feit 1
Camerabeelden
Om te kunnen beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot verkrachting is het eerst van belang om de in het dossier aanwezige camerabeelden te beschrijven. Deze vormen het belangrijkste bewijsmiddel. In het hiernavolgende geeft de rechtbank haar eigen waarneming van deze beelden weer. [12] Op basis van de verklaringen van aangeefster en verdachte stelt de rechtbank vast dat de man die op de beelden te zien is verdachte is en dat de vrouw die op de beelden te zien is aangeefster is. Hierover is ter zitting geen discussie gevoerd.
Aan het begin van de opname, vanaf tijdsaanduiding 00:06, is te zien dat verdachte door een deur een gang binnenkomt. De deur waardoor verdachte naar binnenkomt is blijkens de afgelegde verklaringen de deur naar het trappenhuis. In de gang zijn naast de deur naar het trappenhuis nog een drietal andere deuren en een liftdeur te zien. Te zien is dat verdachte naar de verschillende deuren in de gang kijkt. Rond tijdsaanduiding 00:20 opent hij met zijn toegangstag de deur die linksonder in beeld te zien is. Hij opent de deur en stapt even de daarachter gelegen ruimte in, terwijl hij de deur open blijft houden. Rond tijdsaanduiding 00:32 verlaat verdachte de ruimte en gaat hij terug de gang in. Rond tijdsaanduiding 00:36 opent verdachte een naastgelegen deur met zijn toegangstag. Verdachte kijkt vanuit de deuropening gedurende enige tijd de ruimte in. Rond tijdsaanduiding 00:50 sluit verdachte de deur weer. Rond tijdsaanduiding 00:58 is te zien dat verdachte nog wat rondkijkt in de gang, waarna hij de gang via de deur naar het trappenhuis weer verlaat. De tot nu toe beschreven gang van zaken komt overeen met hetgeen verdachte verklaard heeft over het zoeken naar een geschikte ruimte om daar seks met aangeefster te kunnen hebben.
Enkele minuten later (het op de beelden weergegeven tijdstip verspringt van 14:34 naar 14:37), rond tijdsaanduiding 01:20, is te zien dat aangeefster de gang betreedt via de deur naar het trappenhuis. Verdachte loopt vlak achter haar. Rond tijdsaanduiding 01:24 is te zien dat verdachte wijst naar de deur die hij eerder als laatste heeft geopend. Aangeefster loopt vervolgens naar deze deur toe. Rond tijdsaanduiding 01:26 houdt ze haar toegangstag voor het slot. De deur opent niet. Te zien is dat aangeefster zich omdraait en haar sleutel omhooghoudt. Rond tijdsaanduiding 01:28 is te zien dat verdachte het blikje drinken dat hij in zijn handen heeft op de grond zet. Rond tijdsaanduiding 01:30 is te zien dat verdachte zijn armen uit elkaar beweegt en ze om de nek van aangeefster heenslaat. Tijdens deze beweging beweegt hij met zijn gezicht en mond in de richting van het gezicht en de mond van aangeefster. De rechtbank ziet hierin de poging tot het zoenen van aangeefster waar zowel zijzelf als verdachte over heeft verklaard. Nog voordat verdachte met zijn gezicht het gezicht van aangeefster bereikt, duikt aangeefster rond tijdsaanduiding 01:31 weg uit de greep van verdachte en duwt ze verdachte van haar af. Rond tijdsaanduiding 01:34 is te zien dat aangeefster achteruit naar een hoek van de gang beweegt en haar handen voor zich houdt, zichtbaar om verdachte van zich af te houden. Verdachte loopt vervolgens op aangeefster af, die nog steeds haar armen gestrekt voor zich houdt om verdachte van zich af te houden. Rond tijdsaanduiding 01:36 is te zien dat verdachte aangeefster aan haar polsen naar zich toetrekt, terwijl aangeefster zich in de tegengestelde richting beweegt. Verdachte trekt en duwt aangeefster aan haar polsen een stuk mee naar achter. Rond tijdsaanduiding 01:41 is te zien dat verdachte zijn hand om de nek van aangeefster heeft. Tijdens dit alles blijft aangeefster zich verzetten in een poging om verdachte van zich af te krijgen. Rond tijdsaanduiding 01:43 beweegt verdachte aangeefster naar de grond. Hij drukt haar tegen de grond en houdt aangeefster stevig in zijn greep. Vanaf tijdsaanduiding 01:46 is te zien dat verdachte zijn hand op de mond van aangeefster drukt en houdt. Met zijn andere hand grijpt hij naar de hals van aangeefster. Deze greep om de hals van aangeefster houdt enige tijd aan. Verdachte plaatst vervolgens zijn knie in de hals van aangeefster. Ook deze knie houdt verdachte enige tijd op de hals van aangeefster. Zijn hand verplaatst verdachte vervolgens eerst naar de bovenarm en daarna opnieuw naar de pols van aangeefster. Aangeefster ligt gedurende dit alles op de grond en blijft zich zichtbaar verzetten tegen het geweld van verdachte. Verdachte blijft zijn hand op de mond van aangeefster drukken. Rond tijdsaanduiding 02:02 is te zien dat verdachte aangeefster opnieuw aan haar polsen naar zich toetrekt. Aangeefster probeert verdachte met schoppende en slaande bewegingen van zich af te krijgen. Uiteindelijk heeft aangeefster één van haar armen vrij en heeft verdachte met beide handen één van haar polsen vast. Rond tijdsaanduiding 02:08 beweegt verdachte één van zijn handen naar het been van aangeefster en lijkt het alsof hij tussen de benen van aangeefster probeert te komen. De benen van aangeefster bevinden zich vanaf tijdsaanduiding 02:10 om verdachte heen, waardoor hij tussen haar benen staat. Rond tijdsaanduiding 02:13 heeft verdachte nog steeds zijn hand om de pols van aangeefster en beweegt hij zijn andere hand opnieuw naar haar mond. Zijn hand drukt hij opnieuw op de mond van aangeefster. Gedurende dit alles blijft aangeefster haar arm gestrekt houden om verdachte van zich af te houden. Verdachte bevindt zich nog altijd tussen de benen van aangeefster en trekt haar schoen uit. Rond tijdsaanduiding 02:20 laat verdachte aangeefster los en verlaat hij rennend de gang via de deur naar het trappenhuis. Aangeefster blijft zichtbaar in paniek en schreeuwend achter op de grond in de gang en verlaat uiteindelijk de gang via een deur die naar een andere gang leidt.
Beoordelingskader
De rechtbank dient aan de hand van het wettelijke kader te beoordelen of sprake is van een poging tot opzetverkrachting dan wel een poging tot opzetaanranding. Uit de wet volgt dat een poging tot misdrijf strafbaar is wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daarvoor is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval en algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
De intentie van verdachte
Uit de verklaring van verdachte blijkt dat het zijn voornemen was om seks te hebben met aangeefster. Gelet op de verklaringen van verdachte over zijn intenties en wensen ten aanzien van aangeefster en het gegeven dat hij ter zitting zijn uitlatingen tegenover de psychiater en de psycholoog dat hij aangeefster wilde neuken niet heeft weersproken, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte met het hebben van seks doelde op het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster . Hier komt bij dat verdachte voorafgaand aan het zoeken van contact met aangeefster, op zoek naar een ruimte om (heimelijk) seks met haar te hebben, een tweetal ruimtes in de kelder heeft bekeken. Blijkens zijn verklaring bleken de ruimtes leeg te zijn en waren ze geschikt om seks in te hebben. Met de smoes dat verdachte de door hem uitgekozen ruimte niet zelf kon betreden (verdachte had zelf immers toegang tot de ruimte) heeft hij aangeefster gevraagd de deur voor hem te openen met als doel aangeefster de kamer in te krijgen. Uit dit alles blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat het voornemen van verdachte was om seksuele handelingen te verrichten die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.
Heeft het voornemen van verdachte zich door een begin van uitvoering geopenbaard?
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een poging tot opzetverkrachting. Nadat aangeefster liet merken dat zij niet gediend was van zijn poging om haar te zoenen, heeft verdachte het niet daarbij gelaten maar heeft hij zo blijkt uit de hiervoor gegeven beschrijving van de camerabeelden, opnieuw de aanval ingezet in een poging aangeefster te overmeesteren en haar in bedwang te krijgen. In het bijzonder redengevend is daarbij dat verdachte haar geen moment los laat, haar meetrekt, haar hardhandig en persisterend op de grond houdt en zichtbaar tussen de benen van aangeefster probeerde te komen waarbij hij uiteindelijk zelfs een schoen uit krijgt. In dit licht is zijn verklaring dat hij niet verder zou gaan met zijn plan om seks te hebben met aangeefster wanneer zij daar niet mee in zou stemmen ongeloofwaardig. Als verdachte daadwerkelijk de intentie zou hebben gehad om te stoppen als zou blijken dat aangeefster niet zou willen, had verdachte simpelweg weg kunnen lopen. Verdachte heeft zijn poging pas gestaakt toen hij mensen aan hoorde komen. Met het alsnog inzetten van de aanval en door aangeefster tegen haar zin met geweld naar de grond te brengen en te houden, heeft het voornemen van verdachte om seksuele handelingen te verrichten die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster zich door een begin van uitvoering geopenbaard.
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de primair aan verdachte tenlastegelegde opzetverkrachting wettig en overtuigend bewezen.
3.4.2
Feit 2
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte van de aan hem onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling moet worden vrijgesproken. Uit het dossier volgt niet dat verdachte aangeefster met opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) zwaar lichamelijk letsel toe heeft willen brengen.
De rechtbank acht de onder 2 subsidiair aan verdachte ten laste gelegde mishandeling wel bewezen op basis van de reeds weergegeven aangifte, de eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden en het bij aangeefster geconstateerde letsel.
3.4.3
Eendaadse samenloop
De rechtbank gaat ten aanzien van het onder 1 primair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde en hierna bewezen te verklaren uit van eendaadse samenloop.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
t.a.v. feit 1 primair:
op 27 maart 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [benadeelde partij] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door en vergezellen van dwang en geweld,
- voornoemde [benadeelde partij] heeft getracht te zoenen en
- voornoemde [benadeelde partij] bij haar nek en polsen heeft vastgegrepen en
- die [benadeelde partij] naar de grond heeft getrokken en tegen de grond heeft gedrukt en
- zijn handen op de mond, althans het gezicht, van die [benadeelde partij] heeft gedrukt en gehouden en
- zijn knie op de nek van die [benadeelde partij] heeft geplaatst en gehouden en
- heeft gezegd "wees rustig wees stil",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2 subsidiair:
op 27 maart 2025 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door
- voornoemde [benadeelde partij] bij haar nek en polsen vast te grijpen en
- die [benadeelde partij] naar de grond te trekken en tegen de grond te drukken en
- zijn handen op de mond, althans het gezicht, van die [benadeelde partij] te drukken en houden en
- zijn knie op de nek van die [benadeelde partij] te plaatsen en houden en
- die [benadeelde partij] stevig in zijn greep te houden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat verdachte ter beschikking wordt gesteld onder de door de reclassering in de maatregelenrapportage van 12 december 2025 geadviseerde voorwaarden. De officier van justitie vordert de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar op te leggen. Ook vordert zij dat aan verdachte de in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht bedoelde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking wordt opgelegd.
7.2
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd. Daarin heeft zij met name verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij een bewezenverklaring van beide feiten verzoekt zij een straf op te leggen die niet langer is dan de duur van het voorarrest. In het geval de rechtbank de raadsvrouw volgt in haar verweren en verdachte enkel veroordeelt voor het onder 2 subsidiair tenlastegelegde verzoekt ze aan verdachte een straf lager dan het voorarrest op te leggen. De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden een te zware maatregel is. Desalniettemin kan zij zich vinden in het advies en is verdachte bereid om mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van het feit laten meewegen. Verdachte heeft aangeefster met een smoes meegenomen naar een afgelegen plek die hij al eerder had uitgezocht om zijn plan, het hebben van seks met aangeefster, uit te kunnen voeren. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van het goede vertrouwen van aangeefster, dat zij als gevolg van het handelen van verdachte, zo blijkt uit haar slachtofferverklaring, deels is verloren. Aangeefster heeft duidelijk verbaal en fysiek aangegeven niet gediend te zijn van de onverhoedse en overrompelende poging van verdachte om haar te zoenen, maar verdachte heeft dit genegeerd. Hij heeft aangeefster met geweld geprobeerd stil en in bedwang te krijgen teneinde zijn zin door te drukken. Hij had daarbij enkel oog voor zijn eigen seksuele behoeften. Dat het bij een poging is gebleven, is enkel te danken aan het adequate en krachtige optreden van aangeefster.
Verdachte is blijkens zijn strafblad niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Wel bevindt zich in het dossier een mutatierapport [13] waarin een mondhygiëniste melding wordt gemaakt van ongeremd gedrag van verdachte. Deze mondhygiëniste heeft verklaard dat verdachte haar na een behandeling in juni 2024 bij haar nek pakte en probeerde haar te zoenen. Ook in het reclasseringsrapport van 12 december 2025 wordt door de opsteller melding gemaakt van ongepast gedrag van verdachte tijdens het bespreken van het rapport. Verdachte zou tot twee keer toe aan de reclasseringswerker hebben gevraagd of hij haar mocht knuffelen. Ook vroeg hij aan haar of hij naast in plaats van tegenover haar mocht gaan zitten. De ter zitting aanwezige reclasseringswerker heeft dit incident ter zitting toegelicht en beschreven dat zij het handelen van verdachte als ongepast en onprettig heeft ervaren. Deze incidenten onderschrijven naar het oordeel van de rechtbank het recidiverisico, dat door zowel de reclassering als door de psychiater en psycholoog als matig tot hoog wordt ingeschat.
De psychiater en psycholoog die verdachte in het kader van de onderhavige rapport hebben onderzocht hebben hun bevindingen en advies neergelegd in hun rapportage van
30 september 2025. Bij verdachte zijn een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en ernstige stoornissen in het gebruik van zowel alcohol als cannabis vastgesteld. Het advies is om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over en zal de hierna bewezen te verklaren feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen. De stoornissen waaraan verdachte lijdt leiden tot functiebeperkingen op het gebied van emotieregulatie, impulscontrole, stresshantering en gedragssturing. In het leven van verdachte zijn verder weinig beschermende factoren aanwezig. Er is sprake van onder andere onvoldoende probleemoplossende copingvaardigheden, gebrekkige zelfcontrole, een instabiele levensstructuur en een weinig intrinsieke of duurzame motivatie voor behandeling van de psychische problematiek. Dit laatste is van invloed op de geadviseerde (gedragskundige) interventie die het recidivegevaar kan beperken. De deskundigen achten een behandeling in een ambulante setting als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf onhaalbaar. Het advies is daarom om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden op te leggen, met daarbij onder andere een langdurige klinische behandeling. Wanneer verdachte niet meewerkt kan deze maatregel omgezet worden in de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
Het advies van de psychiater en psycholoog is door de reclassering neergelegd in een maatregelenrapportage van 12 december 2025, waarin een aantal voorwaarden zijn geadviseerd in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling. De opsteller van deze rapportage, K. Holterman, heeft de rapportage ter zitting toegelicht. Bij de reclassering bestaan twijfels over de uitvoerbaarheid van de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden. Het is, gelet op de wat ambivalente en wisselende houding van verdachte, de vraag in hoeverre verdachte gemotiveerd is en gaat meewerken. Een eerder aan verdachte opgelegd reclasseringstoezicht is mislukt. Er is echter nooit geprobeerd om verdachte in een strenger kader te behandelen. Dit alles maakt dat de reclassering de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden uiteindelijk wel uitvoerbaar acht, met de opmerking dat niet meewerken een omzetting in de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zou moeten betekenen. De reclassering adviseert eveneens om aan verdachte de in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht bedoelde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op te leggen.
De rechtbank onderschrijft dat het van groot belang is dat verdachte behandeld wordt voor zijn problematiek om herhaling te voorkomen. Hierover lijkt in zoverre ook geen discussie te bestaan. Ook verdachte zelf heeft ter zitting aangegeven hulp nodig te hebben en te aanvaarden. De rechtbank volgt het advies van de deskundigen en legt aan verdachte een gevangenisstraf in combinatie met de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden op zoals hierna uitgewerkt. De rechtbank ziet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging in dit stadium als een te zwaar middel. Bovendien kan alsnog worden overgegaan tot dwangverpleging indien verdachte zich niet houdt aan de te stellen voorwaarden, waarmee het herhalingsgevaar naar het oordeel van de rechtbank voldoende kan worden ondervangen. Ook zal de rechtbank aan verdachte de eveneens hierna nader toe te lichten maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking opleggen.
Gevangenisstraf
De rechtbank neemt, conform de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, een gevangenisstraf van 24 tot 48 maanden als uitgangspunt (afhankelijk van de mate van dwang en geweld). Kijkend naar de mate van het geweld, het feit dat sprake is van een poging en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte legt de rechtbank alles afwegende aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Terbeschikkingstelling onder voorwaarden
De rechtbank concludeert dat verdachte ter beschikking gesteld moet worden en dat aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan. Bij verdachte bestond, zoals reeds blijkt uit het voorgaande, tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het bewezen geachte feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal de door de reclassering in het rapport van 12 december 2025 genoemde voorwaarden stellen betreffende het gedrag van de ter beschikking te stellen verdachte. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden. De te stellen voorwaarden zullen in de beslissing onder 11 opgenomen worden.
De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten opzetverkrachting. Dit betreft het onder 1 primair bewezen geachte feit. De maatregel kan daarom bij omzetting naar terbeschikkingstelling met dwangverpleging langer duren dan vier jaar. De rechtbank acht een ongemaximeerde terbeschikkingstelling bij het niet voldoen aan de voorwaarden noodzakelijk om herhaling te voorkomen.
Gelet op het als matig tot hoog ingeschatte recidivegevaar, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking
Naast het bovenstaande legt de rechtbank aan verdachte ook de door de reclassering geadviseerde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op. Aan de in artikel 38z Wetboek van Strafrecht geformuleerde eisen voor het opleggen hiervan is voldaan. Gelet op de vermoedelijk diepliggende problematiek van verdachte kan de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel eventueel als vangnet en lichter alternatief dienen in het geval het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling in de toekomst te zwaar zou worden vanwege een eventuele toekomstige wijziging in de risicotaxatie of problematiek.

8.Beslag

Onder verdachte is bij zijn aanhouding een mes in beslag genomen. Het bijbehorende goednummer is PL1300-2025073089-G6637394. Dit voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1
Het verzoek tot schadevergoeding
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert € 15.906,59 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit de volgende posten:
  • €13.112,50 aan de geleden schade vanwege een studievertraging van zes maanden (bedrag overeenkomstig het normbedrag uit de Letselschade Richtlijn Studievertraging);
  • € 2.601,00 voor één jaar extra collegegeld vanwege de studievertraging;
  • € 175,00 voor een zelfverdedigingscursus;
  • € 18,09 voor een taxirit op 9 juni 2025.
Daarnaast vordert de benadeelde partij € 5.500,00 aan vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij verzoekt zowel de materiële als de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 27 maart 2025. De benadeelde partij verzoekt daarnaast om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
9.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding in zijn geheel toegewezen kan worden.
9.3
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verweer gevoerd ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding.
Voor wat betreft de gevorderde kosten voor de zelfverdedigingscursus vraagt de raadsvrouw zich af of dit rechtstreekse schade is. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor de studievertraging heeft de raadsvrouw aangevoerd dat die posten en de causaliteit onvoldoende onderbouwd zijn. Daarnaast is het volgens de raadsvrouw mogelijk om per semester studiegeld te betalen. De schade zal daarom niet bestaan uit een geheel jaar aan collegegeld, maar uit een half jaar.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er in de stukken enkel vermeld staat dat er sprake is van PTSS-klachten. Uit de stukken blijkt niet dat er ook daadwerkelijk een PTSS gediagnosticeerd is. Het betreft enkel een voorlopige classificatie. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade te hoog is.
9.4
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk onderbouwd en voldoende aannemelijk gemaakt dat de door de benadeelde partij opgelopen studievertraging een direct gevolg is van het handelen van verdachte. De posten die samenhangen met de studievertraging komen dan ook voor toewijzing in aanmerking. Voor het gevorderde bedrag van € 13.112,50 geldt dat dit een vastgesteld bedrag betreft uit de Letselschade Richtlijn Studievertraging. De rechtbank zal dit bedrag dan ook in zijn geheel toewijzen. Het gevorderde bedrag van € 2.601,00 aan extra collegegeld zal de rechtbank voor de helft toewijzen (tot een bedrag van € 1.300,50). Door de benadeelde partij is aangevoerd dat het gevorderde bedrag ziet op zowel het collegegeld voor het semester waarin zij niet kon studeren (september 2025 tot februari 2026) als op het collegegeld voor het semester dat zij aansluitend aan het geplande einde van haar opleiding nog zal moeten volgen. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij het door haar niet gevolgde onderwijs in de periode van september 2025 tot februari 2026 (een half collegejaar) hoe dan ook had moeten volgen. De studievertraging is en blijft een half jaar. Deze kosten kwalificeren dus niet als door de benadeelde partij geleden schade waar verdachte voor aansprakelijk is. Dat het niet mogelijk is om de kosten voor het tweede semester terug te vragen, zoals door de benadeelde partij ter zitting naar voren is gebracht, is niet voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren voor de helft van het gevorderde bedrag aan collegegeld. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ook het gevorderde bedrag voor de zelfverdedigingscursus wijst de rechtbank toe. De rechtbank wijst in dit kader op een arrest van het gerechtshof Den Bosch van
17 maart 2021 [14] (een arrest waar ook door de benadeelde partij in haar verzoek tot schadevergoeding naar is verwezen). Uit de door de benadeelde partij overgelegde brief van klinisch psycholoog C.J.J. Poleij van 20 december 2025 blijkt dat een zelfverdedigingscursus het gevoel van mentale en fysieke kracht van de benadeelde partij kan versterken. De te volgen zelfverdedigingscursus kan daarmee een beperkende werking hebben op de door verdachte toegebracht immateriële schade zodat het rechtstreekse verband tussen deze kosten en het handelen van verdachte daarmee is gegeven.
De rechtbank ziet geen rechtstreeks verband tussen de taxirit op 9 juni 2025 en het bewezenverklaarde. Tussen de datum van deze taxirit en het bewezenverklaarde zit meer dan twee maanden. De gevorderde kosten voor de taxirit zal de rechtbank daarom afwijzen.
Immateriële schade
Vast staat ook dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit zowel lichamelijk letsel als geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft voldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolgde van het strafbare feit post traumatische klachten en een psychische beschadiging zijn ontstaan. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij al achttien behandelingen in dat verband heeft gehad en nog altijd in behandeling is.
De hoogte van de het gevorderde bedrag aan immateriële schade is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 3.500,00.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Het totaal toe te wijzen bedrag aan materiële en immateriële schade (€ 18.088,00) zal worden vermeerderd met de wettelijke rente. Als ingangsdatum van de wettelijke rente bepaalt de rechtbank voor het smartengeld 27 maart 2025 (pleegdatum), voor de cursus zelfverdediging 22 december 2025 (datum betaling) en voor het collegegeld en de studievertraging 1 januari 2026 (datum ingang extra collegegeld en studievertraging) Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 38e, 38z, 45, 55, 243 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
t.a.v. feit 1 primair en feit 2 subsidiair:
eendaadse samenloop van poging tot opzetverkrachting en mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast dat verdachte
ter beschikking zal worden gestelden stelt daarbij de volgende
voorwaarden:
1.
Geen strafbaar feit plegen
Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
• Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
• Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.
• Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan
aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te
helpen bij het naleven van de voorwaarden.
• Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
• Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
• Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
• Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
• Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
3.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4.
Niet naar het buitenland
Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5.
Opname in een zorginstelling
Veroordeelde laat zich opnemen in Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Er is nog geen opnamedatum bekend. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Indien er aansluitend aan zijn detentie nog geen plek beschikbaar is dient veroordeelde zijn medewerking te verlenen aan een verblijf in het kader van een overbruggingsvoorziening, ter beoordeling van de Divisie Individuele Zaken.
6.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich aansluitend aan de klinische behandeling, behandelen door Forensische Ambulante Zorg van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De ambulante behandeling start na de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
7.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
8.
Drugsverbod
Veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
9.
Alcoholverbod
Veroordeelde gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
10.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met aangeefster in onderhavige strafzaak [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt.
11.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
12.
Meewerken aan schuldhulpverlening
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris.
Schorsthet bevel tot voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als hierboven genoemd met ingang van het moment dat verdachte (na het uitzitten van de aan hem opgelegde gevangenisstraf) geplaatst wordt in een kliniek of overbruggingsvoorziening als bedoeld in de onder 5 genoemde voorwaarde.
Legt aan verdachte op
de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en
vrijheidsbeperking.
Ten aanzien van het beslag:
Verklaart
onttrokken aan het verkeer:
1 STK Mes (PL1300-2025073089-G6637394).
Ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , toe tot een bedrag van
€ 14.588,00 (veertienduizend vijfhonderdachtentachtig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.500,00 vanaf 27 maart 2025, over € 175,00 vanaf 22 december 2025 en over €14.413,00 vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat
€ 18.088,00 (achttienduizend achtentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.500,00 vanaf 27 maart 2025, over € 175,00 vanaf 22 december 2025 en over €14.413,00 vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
115 (honderdvijftien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. D.M.S. Gribling en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] met nummer 250327-1258-514, doorgenummerde pagina 006, tweede helft en 007, eerste helft.
3.De verklaring van verdachte ter zitting van 8 januari 2026.
4.Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] met nummer 250327-1258-514, doorgenummerde pagina 006, laatste zin en 007, eerste zin.
5.De verklaring van verdachte ter zitting van 8 januari 2026.
6.Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] met nummer 250327-1258-514, doorgenummerde pagina 007, tot aan eerste witregel.
7.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever met documentcode 20745487, doorgenummerde pagina 011, halverwege.
8.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever met documentcode 20745487, doorgenummerde pagina 011, onderaan.
9.Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] met nummer 250327-1258-514, doorgenummerde pagina 007, halverwege.
10.Een geschrift, te weten een Letselrapportage Forensische Geneeskunde van 28 maart 2025, doorgenummerde pagina’s 046 t/m 058. Het letsel bestaat uit oppervlakkig schaafletsel op het hoofd en de handen van aangeefster, een verkleuring in haar hals, bloeduitstortingen op haar armen, rug en linkerbeen en een kraswond op haar buik.
11.De verklaring van verdachte ter zitting van 8 januari 2026.
12.Het betreft het videobestand met bestandsnaam ‘ACC-export - 2025-03-27 15.57.24-2_mpeg4’ (totale tijdsduur 03:11).
13.Op doorgenummerde pagina’s 094 en 095.